Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201804553/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3291, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 december 2016 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een standplaatsvergunning buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804553/1/A3.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2018 in zaak nr. 17/3474 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2016 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een standplaatsvergunning buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. Z.M. Nasir, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. de Jong, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft een aanvraag ingediend voor een standplaatsvergunning voor de verkoop van geringe eet- en drinkwaren. Bij brief van 15 november 2016 heeft het college hem gevraagd om nadere gegevens te verstrekken, waaronder foto's van de voor-, achter- en beide zijaanzichten van de verkoopwagen. Daarbij heeft het college erop gewezen dat de gegevens binnen vier weken verstrekt moeten worden en dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten behandeling wordt gelaten. [appellant] heeft daarop gegevens verstrekt. Bij e-mailbericht van 7 december 2016 heeft het college nogmaals verzocht om de vier foto's van de verkoopwagen zoals vermeld in de eerdere brief. Vervolgens heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. In bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd omdat [appellant] niet alle voor de beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens heeft overgelegd.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de aan [appellant] gevraagde foto's van de verkoopwagen noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag, omdat het bij de beoordeling van een aanvraag voor een standplaatsvergunning voor de verkoop van geringe eet- en drinkwaren relevant is om inzicht te krijgen in de maatvoering en uitstraling van de zelfrijdende verkoopwagen. Dat het college het e-mailbericht van [appellant] met de gevraagde foto's niet heeft ontvangen, komt voor zijn rekening en hij heeft dan ook niet voldaan aan het verzoek van het college om de gevraagde foto's over te leggen.

Beoordeling gronden

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hem om de foto's van de verkoopwagen mocht vragen. Daartoe voert hij aan dat hij niet daartoe gehouden was omdat uit het ter plaatse geldende beleid "Kwaliteitseisen voor standplaatsen" blijkt dat voor een 'basiskwaliteit gebied' als het onderhavige nauwelijks uiterlijke eisen gelden voor verkoopwagens, maar veelal eisen ten aanzien van de afmetingen. [appellant] heeft alle relevante informatie, waaronder de afmetingen van de verkoopwagen verstrekt. Voorts heeft het college aan [appellant] en zijn familie meerdere standplaatsvergunningen verleend waar altijd vrijwel identieke verkoopwagens hebben gestaan. Het college beschikte dan ook reeds over de foto's en was al bekend met de verkoopwagen van [appellant]. Ook hierom mochten de gegevens niet van [appellant] worden verlangd.

3.1.    Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb luidt als volgt: "Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen."

3.2.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de aan [appellant] gevraagde foto's van de verkoopwagen noodzakelijk waren voor de beoordeling van zijn aanvraag. Ook voor een 'basiskwaliteit gebied' stelt het voormelde beleid eisen met betrekking tot de uitstraling. De wagen moet schoon en heel zijn, er mogen geen losse objecten ten behoeve van reclame zijn en de wagen moet zijn uitgevoerd in rustige kleuren. Verder stelt het beleid eisen aan de plaats en afmetingen van de luifels en zijschotten. Gelet hierop heeft het college de foto's noodzakelijk mogen achten. Dat het college bekend zou zijn met de verkoopwagens van [appellant] en zijn familieleden, neemt niet weg dat het college dient te weten voor welke specifieke verkoopwagen een standplaatsvergunning wordt gevraagd om te kunnen beoordelen of deze aan de daarvoor gestelde eisen voldoet.

3.3.    Het betoog faalt.

4.    Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van het college om de gevraagde gegevens over te leggen. Daartoe voert hij aan dat hij het e-mailbericht van het college dezelfde dag heeft beantwoord waarbij de verzochte foto's zijn toegestuurd. Met het overleggen van dit e-mailbericht van [appellant] heeft hij op geloofwaardige wijze het verzenden van dat bericht met de foto's aannemelijk gemaakt. Het had volgens [appellant] vervolgens op de weg van het college gelegen om de ontvangst op geloofwaardige wijze te betwisten. Hetgeen het college heeft nagelaten, aldus [appellant].

4.1.    Voor zover [appellant] stelt dat hij op 7 december 2016 een e-mailbericht heeft verzonden over het toezenden van vier foto's, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij dat e-mailbericht heeft verzonden noch dat dat e-mailbericht daadwerkelijk de vier foto's als bijlage bevat. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de kenmerken van de mail niet wordt vermeld dat het bericht bijlagen bevat. Zoals de Centrale Raad van Beroep eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4555, komt het feit dat een e-mailbericht de geadresseerde niet of niet volledig bereikt in beginsel voor rekening en risico van de verzender. De enkele, door [appellant] gestelde, omstandigheid dat hij na de verzending van het e-mailbericht geen retourmail heeft ontvangen dat het bestand niet ontvangen is omdat het te groot was, is onvoldoende om de ontvangst door het college van het e-mailbericht aannemelijk te achten. [appellant] heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat zijn e-mailbericht het college heeft bereikt, bijvoorbeeld door het overleggen van een ontvangst- of leesbevestiging, dan wel een bevestiging van de verzending uit zijn e-mailaccount. De van de laptop gemaakte foto kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het college heeft voorts intern navraag gedaan en stelt dat het één foto van een geheel andere verkoopwagen heeft ontvangen. Onduidelijk is echter bij welke mail die foto is toegestuurd. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij de gevraagde foto's van zijn verkoopwagen heeft toegestuurd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellant] niet heeft voldaan aan het verzoek van het college om de gevraagde gegevens over te leggen. Het betoog dat het college de ontvangst van de foto's niet op geloofwaardige wijze heeft ontkend, hoeft daarom niet te worden besproken.

4.2.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Van Deventer-Lustberg

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

587.