Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201804525/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Rimpeler" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2019/6938
JOM 2019/454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804525/1/R1.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna: [appellanten sub 1]), wonend te Putten,

2. [ appellante sub 2], gevestigd te Putten, en anderen,

en

1. de raad van de gemeente Putten,

2. het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Rimpeler" vastgesteld.

Bij besluit van 6 februari 2018 heeft het college met toepassing van artikel 83 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) en artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder (hierna: Bgh) hogere grenswaarden vastgesteld vanwege wegverkeerlawaai op de Henslare en de spoorweg (Amersfoort-Zwolle) van 53 dB onderscheidenlijk 58 dB.

De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] en [appellante sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Bemog Projektontwikkelaar Almere B.V. en anderen en Woningstichting Putten hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 1] en [appellante sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2018, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 1A], [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door ing. J. Doornbos en ing. M. Wolbers, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Bemog Projectontwikkeling B.V. en anderen, vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een nieuwe woonwijk Rimpeler (hierna: Rimpeler) van maximaal 340 woningen. Er is nog geen concrete verkaveling voor een definitieve invulling van het gebied. Het plan gaat dan ook uit van een zo globaal mogelijke regeling met een directe bouwtitel. Het plan moet het mogelijk maken om de verkaveling op een later moment in te vullen, onder andere om in te kunnen spelen op nieuwe beleidsinzichten en marktontwikkelingen.

Verder heeft het college hogere grenswaarden vastgesteld vanwege wegverkeerlawaai op de Henslare en de spoorweg (Amersfoort-Zwolle) van 53 db onderscheidenlijk 58 db. Aangezien de inrichting van het plangebied nog niet definitief is uitgewerkt en het nog niet mogelijk is om voor een concreet aantal woningen de hogere grenswaarde vast te stellen, heeft het college voor slechts 10% van het beoogde aantal van 340 woningen de hogere grenswaarden vastgesteld. De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

2. [ appellanten sub 1] wonen ten noordoosten van het plangebied aan de Stationsstraat [..]. Zij vrezen voor een toename van de verkeersoverlast en aantasting van de verkeersveiligheid door de gekozen ontsluiting.

[appellante sub 2] en anderen zijn gevestigd op het ten noorden van het plangebied gelegen bedrijventerrein Keizerswoert (hierna: Keizerswoert). [appellante sub 2] en anderen vrezen onder meer belemmering van hun bedrijfsactiviteiten als gevolg van klachten van de toekomstige bewoners van de wijk Rimpeler.

Bemog Projectontwikkeling B.V. en anderen wensen de woonwijk Rimpeler te realiseren.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellanten sub 1]

Aantasting verkeersveiligheid door ontsluiting

4. [ appellanten sub 1] betogen dat Rimpeler ten onrechte via de Jan Nijenhuisstraat en de Stationsstraat wordt ontsloten. Hiertoe voeren ze aan dat de huidige verkeerssituatie al verkeersonveilig is en dat de gekozen ontsluiting onvoldoende is gemotiveerd. Volgens [appellanten sub 1] worden fiets- en voetpaden gekruist, omdat verkeer vanuit de Jan Nijenhuisstraat in één richting via de voorziene "bypass" de rotonde bij de kruising van de Jan Nijenhuisstraat en de Stationsstraat kan passeren. Dit leidt regelmatig tot gevaarlijke verkeerssituaties. Daarnaast zijn er geen oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers. Ook is de verkeersdrukte op de Stationsstraat erg hoog en wordt er met hoge snelheid gereden, aldus [appellanten sub 1].

Voorts voeren [appellanten sub 1] aan dat het beter is om de nieuwe woonwijk via de Heslare te ontsluiten. Het standpunt van de raad dat de Henslare de Stationsstraat ontlast, is volgens hen onjuist. Uit recente metingen blijkt dat de verkeersintensiteit op de Stationsstraat niet merkbaar is afgenomen sinds de Henslare is opengesteld. Dit komt omdat doorgaand verkeer nauwelijks van de Henslare gebruik maakt, aldus [appellanten sub 1].

4.1. Een bestemmingsplan beschrijft de gebruiks- en bouwmogelijkheden van een gebied. Een bestemmingsplan heeft als zodanig geen betrekking op de wijze waarop een weg verkeerstechnisch (bijvoorbeeld de keuze voor stoplichten, een kruispunt of een rotonde en de maximumsnelheid) wordt ingericht. Dit betreft een aspect dat ziet op de uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure wordt beoordeeld of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening voorziet in een juridisch planologisch kader voor een aanvaardbare verkeerssituatie in het plangebied en dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid in de directe omgeving van het plangebied.

4.2. Voor zover het beroep van [appellanten sub 1] aldus moet worden begrepen dat zij als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan vrezen voor onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid op de buiten - doch grenzend aan - het plangebied gelegen Jan Nijenhuisstraat en Stationsstraat, overweegt de Afdeling het volgende.

4.3. Het plangebied kent drie ontsluitingen. Volgens de plantoelichting vindt de ontsluiting van Rimpeler plaats via een centrale route door de wijk waarop alle woonstraten aansluiten. Deze route wordt voor een belangrijk deel gevormd door de voormalige Rimpelerweg en de verlengde Verzetslaan.

Deze route takt aan de noordoostzijde aan op de Jan Nijenhuisstraat en de Verzetslaan en aan de zuidzijde op de Mennestraat en Gildegoed. Het noordelijk deel van Rimpeler krijgt een eigen ontsluiting op de Stationsstraat.

Volgens de raad leidt de realisatie van 340 woningen blijkens de publicatie "Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie publicatie 317" tot een verkeersgeneratie van ongeveer 2.400 voertuigbewegingen per etmaal. Van deze 2.400 voertuigbewegingen zullen ongeveer 200 worden afgewikkeld via directe ontsluitingen op de Stationsstraat. De overige 2.200 zullen gelijkmatig worden verdeeld over de ontsluitingen op de Mennestraat en Gildegoed aan de zuidzijde en op de Jan Nijenhuisstraat en de Verzetslaan aan de noordoostzijde van het plangebied. De Jan Nijenhuisstraat komt uit op een rotonde bij de kruising van de Jan Nijenhuisstraat, de Stationsstraat en de Industrieweg. Volgens de raad kunnen vanuit Rimpeler ongeveer 1.000 voertuigbewegingen via de Jan Nijenhuisstraat uitkomen op de rotonde bij deze kruising. De 1.000 voertuigbewegingen worden vanuit deze kruising opgesplitst in een deel dat naar het westelijke deel van de Stationsstraat richting de Zuiderzeestraatweg gaat en een deel dat naar het oostelijke deel van de Stationsstraat richting het dorp gaat. Dit betekent dat er op basis van het gemeentelijke verkeersmodel op het oostelijke deel van de Stationsstraat ongeveer 500 verkeersbewegingen bij komen, aldus de raad.

4.4. Tussen partijen is de ontsluiting van het plangebied aan de zuidzijde op de Mennestraat en Gildegoed niet in geschil.

4.5. Over de ontsluiting aan de noordoostzijde van het plangebied op de Jan Nijenhuisstraat en de Verzetslaan en aan het noordelijke deel van het plangebied op de Stationsstraat overweegt de Afdeling als volgt.

4.6. De raad heeft gesteld dat ondanks de verkeerstoename de verkeerssituatie op de Stationsstraat zal verbeteren. Hij heeft erop gewezen dat in 2018 sprake was van een etmaalintensiteit van ongeveer 5.900 verkeersbewegingen. Volgens het gemeentelijk verkeersmodel zal dit aantal, de verkeersbewegingen vanuit Rimpeler meegerekend, in 2030 worden verminderd tot een etmaalintensiteit van 4.400 motorvoertuigen per weekdaggemiddelde, aldus de raad.

In dat verband wijst de raad op de aanleg van de Henslare als gevolg waarvan het verkeer op de Stationsstraat zal verminderen. De Rimpelerweg verbindt nu de ten westen van het plangebied gelegen wijk Bijsteren met de Stationsstraat. Deze verbinding zal met de komst van Henslare worden verbroken, aldus de plantoelichting.

Verder heeft de raad toegelicht dat op het zuidelijk deel van de Stationsstraat vanaf de rotonde bij de Jan Nijenhuisstraat, de Stationsstraat en de Industrieweg tot de rotonde bij de Nijkerkerstraat en de Stationsstraat, in beide richtingen een vrachtwagenverbod gaat gelden. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het daartoe strekkende verkeersbesluit intussen is genomen en dat de borden inmiddels zijn geplaatst.

Daarnaast zal de verkeerssituatie volgens de raad verbeteren door de herinrichting van de Stationsstraat. In dat verband heeft de raad toegelicht dat op gemeentelijk niveau nog wordt overlegd op welke wijze de verkeersveiligheid op de Stationsstraat concreet kan worden verbeterd, waarbij met het oog op de ontwikkeling van Rimpeler rekening wordt gehouden met de toekomstige verkeersstromen op de Jan Nijenhuisstraat en de Stationsstraat. Daarbij wordt volgens de raad gedacht aan het terugbrengen van de maximumsnelheid tot 30 km/u. Over de concrete uitwerking daarvan vindt nog overleg plaats met de bewoners.

Tot slot heeft de raad toegelicht dat met de realisatie van de fietsroute door Rimpeler naar het station de situatie van de fietsers zal verbeteren, waardoor ook het aantal fietsers op de Stationsstraat afneemt. De huidige fietsroute vanuit Bijsteren naar het station loopt vanaf de Samaritaan en Jan Nijenhuisstraat via de Stationsstraat naar het station. Met de realisatie van Rimpeler wordt de fietsroute bij de Samaritaan opgepakt en door Rimpeler rechtstreeks doorgetrokken naar het station. Hierdoor ontstaat volgens de raad een veiligere en kortere route naar het station als gevolg waarvan de huidige route via de Jan Nijenhuisstraat voor fietsers wordt ontlast.

4.7. De Afdeling overweegt dat de raad op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een verbetering van de verkeerssituatie in de Stationsstraat. [appellanten sub 1] hebben verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de raad niet in redelijkheid van deze verwachting heeft kunnen uitgaan. Weliswaar hebben [appellanten sub 1] ter zitting gesteld dat zij geen gebruik zullen maken van de voorziene fietsroute, omdat dat voor hen niet de kortste route is, maar daarmee hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat met de realisatie van de nieuwe fietsroute de verkeerssituatie op de Stationsstraat niet zal verbeteren.

4.8. Nu de gemeente het in haar macht heeft om verkeersmaatregelen te treffen die de verkeersveiligheid op de Stationsstraat kunnen verbeteren en niet gebleken is van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de Jan Nijenhuisstraat en de Stationsstraat.

Het betoog faalt.

Verkeersoverlast door bouwverkeer

5. [ appellanten sub 1] betogen dat het plan zal leiden tot een toename van de verkeersoverlast als gevolg van het bouwverkeer dat via de Stationsstraat naar het plangebied zal rijden.

5.1. De Afdeling overweegt dat dit betrekking heeft op de uitvoering van het plan en niet op het plan zelf. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Overigens heeft de raad toegelicht dat het voor het aan- en afrijden van het bouwverkeer de bedoeling is dat gebruik wordt gemaakt van het huidige tracé van de Rimpelerweg richting de Stationsstraat. Dit verkeer zal volgens de raad via de Henslare richting het plangebied worden geleid.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 2] en anderen

Ontvankelijkheid

6. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellante sub 2] en anderen voor zover ingesteld door [appellante sub 2A], aangezien deze geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

6.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellante sub 2A] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat deze omstandigheid zich hier voordoet. Het beroep, voor zover ingesteld door [appellante sub 2A], is daarom niet-ontvankelijk.

Ladder voor duurzame verstedelijking

7. [ appellante sub 2] en anderen betogen dat niet is gehandeld conform het in de "ladder voor duurzame verstedelijking" opgenomen principe "inbreiding voor uitbreiding". Ter zitting hebben [appellante sub 2] en anderen toegelicht dat ten onrechte geen toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking heeft plaatsgevonden. Volgens hen zijn op grote afstand van het plangebied binnen de bebouwde kom van Putten verschillende inbreidingslocaties aanwezig waar woningbouw gerealiseerd kan worden. Zij wijzen in dit verband op het gebied rondom de Ambachtstraat. Uit de stukken blijkt niet dat de raad de Ambachtstraat als locatie voor woningbouw in zijn afweging heeft betrokken, aldus [appellante sub 2] en anderen.

7.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante sub 2] en anderen aldus dat de door de raad in de plantoelichting opgenomen toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking tekort schiet en dat het plan daarom is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

7.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

7.3. Het plan voorziet in maximaal 340 woningen. Niet in geschil is dat het plan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voorziet.

7.4. In paragraaf 5.1 van de plantoelichting staat dat de woningbehoefte in Putten tot 2025 is vastgesteld op 996 woningen. In 2013 en 2014 zijn van de 996 woningen al 175 woningen gerealiseerd. Daarnaast zijn ongeveer 477 woningen opgenomen in de planningslijst, wat betekent dat er nog ruimte is voor ongeveer 344 woningen. Uit de plantoelichting volgt dat op de inbreidingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied ongeveer 790 woningen kunnen worden voorzien. Dit aantal is echter onvoldoende om in de woningbehoefte van 996 woningen te voorzien, zodat in bestaand stedelijk gebied geen of onvoldoende mogelijkheden zijn om in de overige 206 woningen te voorzien, aldus de plantoelichting.

7.5. Verder wordt in paragraaf 5.1 van de plantoelichting verwezen naar bijlage 3 behorende bij de plantoelichting. Dit betreft een voorstel van 22 april 2015 voor de raadsvergadering van 30 april 2015. De raad heeft conform dit voorstel besloten. In het raadsbesluit wordt geconcludeerd dat binnen het bestaande stedelijk gebied onvoldoende woningbouwplannen aanwezig zijn om aan de woningbehoefte tot 2025 te kunnen voldoen. Om die reden is besloten, om toch aan de woningbehoefte tot 2025 te kunnen voldoen, de Rimpeler aan te wijzen als mogelijke woningbouwlocatie. In dit raadsbesluit wordt ingegaan op de inbreidingslocaties in bestaand stedelijk gebied, waaronder de Ambachtstraat. De ontwikkeling van deze inbreidingslocaties is in bestaand stedelijk gebied veelal afhankelijk van particuliere initiatieven. Nu de gemeente Putten hier geen directe invloed op heeft, is het onzeker wanneer de ontwikkeling van deze locaties plaatsvindt. In het raadsbesluit staat verder dat de locatie Ambachtstraat getransformeerd moet worden. De Ambachtstraat is een complexe locatie die vanwege een groot aantal grondeigenaren, de aanwezigheid van enkele bedrijven in een zware milieucategorie en de noodzaak voor bedrijfsverplaatsing op korte en middellange termijn niet in de woningbehoefte kan voorzien. Het bedrijventerrein Ambachtstraat is alleen een realistische optie als er elders binnen de gemeente Putten een geschikte locatie komt voor hervestiging van deze bedrijven, aldus de raad. De raad heeft verder toegelicht dat voor de woningbouw gekozen is voor Rimpeler, omdat in de Structuurvisie Putten 2030 Rimpeler als één van de aangewezen zoeklocaties voor woningbouw is opgenomen. Daarnaast was een groot deel van Rimpeler in 2002 al onderdeel van de woningbouwplannen voor de naastgelegen wijken Bijsteren en Husselerveld. De realisering van Rimpeler is volgens de raad een logische afronding van de woonbebouwing ten westen van de Stationsstraat.

Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de ontwikkeling van 340 woningen kan worden gerealiseerd. Gelet op het vorenstaande bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het betoog faalt.

Geluid

8. [ appellante sub 2] en anderen vrezen dat de geluidbelasting vanwege verkeerslawaai, waaraan zij via aan- en afrijdende vrachtwagens bijdragen, zodanig hoog is dat ter plaatse van de voorziene woningen geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg waarvan zij in hun bedrijfsvoering zullen worden beperkt.

Hiertoe voeren ze aan dat in het akoestisch onderzoek naar de geluidseffecten ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai van Goudappel Coffeng van 2 mei 2018 van een onjuist percentage vrachtverkeer is uitgegaan voor de Henslare. Ter zitting hebben zij toegelicht dat het aandeel van zwaar vrachtverkeer hoger is dan de door Goudappel Coffeng genoemde 15%, aangezien alle bedrijven als "zwaar" zijn te kwalificeren. Volgens hen is niet onderbouwd waar dit percentage op is gebaseerd. Ter zitting hebben [appellante sub 2] en anderen verder toegelicht dat voor de Henslare uitgegaan moet worden van 750.000 vrachtwagenbewegingen per jaar en dat 50% van het aantal verkeersbewegingen over de Henslare vrachtwagenverkeer betreft.

Daarnaast wordt ten onrechte geen rekening gehouden met een cumulatie van geluid afkomstig van het wegverkeer en de spoorweg, aldus [appellante sub 2] en anderen.

8.1. Bij de voorbereiding van het plan heeft de raad een akoestisch onderzoek laten uitvoeren door Goudappel Coffeng. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in het rapport "Woningbouwontwikkeling Rimpeler Putten" van 22 oktober 2017. Dit rapport is bij rapport van 2 mei 2018 (hierna: akoestisch onderzoek) geactualiseerd.

8.2. In het akoestisch onderzoek is voor de Henslare uitgegaan van een weekdaggemiddelde etmaalintensiteit van 3.000, waarvan 15% is toe te rekenen aan zwaar vrachtverkeer. Deze verkeersgegevens zijn volgens het rapport ontleend aan het verkeersmodel van de gemeente Putten van 24 april 2018 dat is opgesteld door Royal Haskoning DHV. De hoeveelheid vrachtverkeer op de Henslare is gebaseerd op uitgevoerde verkeerstellingen van de gemeente Putten. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het summiere betoog van [appellante sub 2] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet mocht uitgaan van een percentage van 15 voor zwaar vrachtverkeer. Weliswaar hebben [appellante sub 2] en anderen gesteld dat voor de Henslare uitgegaan moet worden van 750.000 vrachtwagenbewegingen per jaar en dat 50% van het aantal verkeersbewegingen over de Henslare vrachtwagenverkeer betreft, maar zij hebben dit betoog niet nader onderbouwd.

Het betoog faalt.

8.3. Ten aanzien van de cumulatie van geluid afkomstig van het wegverkeer en de spoorweg overweegt de Afdeling dat de stelling van [appellante sub 2] en anderen dat hiermee ten onrechte geen rekening is gehouden, onjuist is. In het akoestisch onderzoek staat dat geen sprake is van onaanvaardbare gecumuleerde geluidsbelastingen. De berekeningen voor de cumulatie zijn opgenomen in tabel B3.1 van bijlage 3 van het akoestisch onderzoek.

Het betoog faalt.

8.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad zich bij het vaststellen van het plan hier niet op heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

Geur

9. [ appellante sub 2] en anderen vrezen voor geurhinder ter plaatse van de voorziene woningen, waardoor geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, als gevolg waarvan zij in hun bedrijfsvoering zullen worden beperkt.

Hiertoe voeren ze aan dat de raad bij het bepalen van de geurcontouren is uitgegaan van een onjuiste categorievaststelling van [appellante sub 2] en anderen en een onjuiste karakterisering van het gebied.

Verder voeren zij aan dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de vergunde milieurechten van hun bedrijven en dat niet inzichtelijk is gemaakt dat aan de vastgestelde geurnormen van de provincie Gelderland, de "Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017" (hierna: het Gelders geurbeleid), kan worden voldaan. In dit verband wijzen zij erop dat, gelet op de 1,5 odeur/m³ contour, de grenswaarde van hinderlijke geuren wordt overschreden. Volgens [appellante sub 2] en anderen is het verder onjuist dat de geurbelasting die Recyfood Productie veroorzaakt boven de streefwaarde en onder de richtwaarde ligt, aangezien is uitgegaan van een "gemengd gebied". Verder wijzen zij erop dat bewoners van de Stationsstraat regelmatig klagen over de geurhinder van bedrijven die gevestigd zijn op Keizerswoert.

[appellante sub 2] en anderen voeren verder aan dat het rapport "Adviesrapport Geur Omgevingsdienst Regio Nijmegen Industrieterrein Keizerswoet Putten Cumulatieve geurbelasting Verspreidingsberekeningen" van 19 januari 2018 (hierna: adviesrapport geur) van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen niet deugdelijk is. Hiertoe voeren ze aan dat de geurhinder van [appellante sub 2] ten onrechte is gekwalificeerd als "minder hinderlijk", terwijl de geurhinder van Recyfood Productie en CPC Flevo is gekwalificeerd als "hinderlijk". Volgens hen is het onduidelijk waar de kwalificering van [appellante sub 2] op is gebaseerd, aangezien bewoners nooit klagen over de geur afkomstig van Recyfood Productie, maar wel over die van [appellante sub 2]. Daarnaast is de geurhinder van [appellante sub 2A] ten onrechte niet meegenomen in de gecumuleerde geurbelasting. In dit verband wijzen zij erop dat bewoners van de Stationsstraat regelmatig klagen over ernstige geuroverlast afkomstig van [appellante sub 2A], terwijl voor [appellante sub 2A] is gebleken dat de geurcontour buiten het plangebied ligt. Ook is volgens [appellante sub 2] en anderen ten onrechte geen enquête onder de bewoners naar geurhinder gehouden. Verder voeren ze aan dat voor de cumulatie van geur ten onrechte getoetst lijkt te zijn aan de in het Gelders geurbeleid opgenomen categorie B. Er dient getoetst te worden aan categorie A, aangezien er een nieuwe woonwijk wordt gerealiseerd. Volgens hen wordt de streef- en richtwaarde stelselmatig overschreden bij toetsing aan categorie A.

9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorziene woningen niet leiden tot een verdergaande beperking van de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] en anderen. Volgens de raad worden de ontwikkelingsmogelijkheden van [appellante sub 2] en anderen reeds beperkt door de burgerwoningen aan de Stationsstraat. In dat verband wijst de raad erop dat in de milieuvergunningen van [appellante sub 2] en anderen geurnormen opgenomen zijn die zijn afgestemd op de woningen aan de Stationsstraat. Deze woningen liggen dichter bij Keizerswoert dan de voorziene woningen. Ten aanzien van deze woningen is volgens de raad bij het verlenen van de milieuvergunning vastgesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aangezien [appellante sub 2] en anderen voldoen aan de richtwaarden conform het Gelders geurbeleid. Nu [appellante sub 2] en anderen wat betreft de bestaande woningen aan de voorgeschreven geurnormen voldoen, zal wat betreft de voorziene woningen die verder weg liggen ook aan die geurnormen kunnen worden voldaan, zodat ter plaatse van de voorziene woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aldus de raad.

9.2. Uit de plantoelichting volgt dat de raad bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van de bedrijven op Keizerswoert in beginsel aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure. In de VNG-brochure staat dat de richtafstanden algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen zijn. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk. Niet in geschil is dat het plan woningbouw mogelijk maakt in afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden. De raad heeft vanwege het gegeven dat niet aan deze richtafstanden wordt voldaan specifiek onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke milieubelasting van de bedrijven op het plangebied. Nu de raad deze specifieke onderzoeken aan de vaststelling van het plan ten grondslag heeft gelegd en niet de VNG-brochure, laat de Afdeling het betoog van [appellante sub 2] en anderen over een onjuiste toepassing van deze brochure, onder meer door de onjuiste karakterisering van een deel van het plangebied (fase 6) als gemengd gebied in plaats van als een rustige woonwijk, buiten beschouwing.

9.3. De raad heeft zich onder verwijzing naar het advies "Integraal advies milieuaspecten Rimpeler" van de Omgevingsdienst Noord-Veluwe (hierna: het ODNV-advies) op het standpunt gesteld dat, ook al is er sprake van afwijking van de richtafstanden uit de VNG-brochure, niettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

9.4. In paragraaf 5.3.7 van de plantoelichting staat dat de raad voor de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening wat geur betreft heeft aangesloten bij de criteria voor een "aanvaardbaar geurhinderniveau" als bedoeld in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Ingevolge artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt, indien bij emissies naar de lucht geurhinder bij geurgevoelige objecten niet kan worden voorkomen, de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Uit het derde lid volgt dat bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder ten minste rekening wordt gehouden met onder meer het bestaande toetsingskader, waaronder lokaal geurbeleid. De raad heeft het Gelders geurbeleid als toetsingskader gehanteerd.

9.5. Als bijlage 14 bij de plantoelichting is het ODNV-advies opgenomen. Volgens het ODNV-advies zijn de geurnormen van [appellante sub 2] en anderen afgestemd op de bestaande burgerwoningen langs de noordzijde van de Stationsstraat. Dit betekent dat [appellante sub 2] en anderen ten aanzien van die woningen moeten voldoen aan de geurnormen die aan hen zijn opgelegd. In de milieuvergunningen van [appellante sub 2] en Recyfood Productie is voorgeschreven dat op de woningen aan de Stationsstraat moet worden voldaan aan de richtwaarden conform het Gelders geurbeleid. In de milieuvergunning van CPC Flevo is het beoordelingspunt voor de geurnorm gesteld op het noordwestelijke punt van gebouw 13, aldus het ODNV-advies. In het ODNV-advies wordt geconcludeerd dat de nieuw te realiseren woningen op een grotere afstand van de bedrijven liggen dan de bestaande woningen, zodat op de voorziene woningen ook aan de gestelde richtwaarden zal worden voldaan.

9.6. In het ODNV-advies staat verder dat voor nieuw te realiseren woningen de geurbelasting maximaal de richtwaarde mag zijn. De vergunde geurnorm aan [appellante sub 2] is vastgesteld op 1,5 OU/m³. Volgens de berekende geurcontouren ligt de nieuw te realiseren wijk Rimpeler buiten de 0,5 OU/m³ contour, zijnde de streefwaarde voor [appellante sub 2], zodat aan de richtwaarde van 1,5 OU/m³ wordt voldaan, aldus het ODNV-advies. De vergunde norm voor CPC Flevo is vastgesteld op 0,5 OU/m³. Volgens de berekende geurcontouren ligt de nieuw te realiseren wijk Rimpeler voor CPC Flevo buiten de 0,5 OU/m³ contour, zodat aan de richtwaarde van 0,5 OU/m³ wordt voldaan, aldus het ODNV-advies. Voor Recyfood Productie is nog geen vergunde norm vastgesteld, maar in het geurrapport dat bij de aanvraag is gevoegd zijn de geurcontouren opgenomen. Hieruit volgt dat de nieuw te realiseren wijk Rimpeler buiten de 0,5 OU/m³ contour ligt, zodat aan de richtwaarde van 0,5 OU/m³ wordt voldaan.

9.7. Als bijlage 4 bij het ODNV-advies is het adviesrapport geur opgenomen. Hierin is opgenomen dat voor de berekening van de cumulatieve geurbelasting de geur afkomstig van [appellante sub 2] omgerekend is naar de klasse "hinderlijk", aangezien de geur van zowel Recyfood Productie als CPC Flevo wordt gekarakteriseerd als "hinderlijk". Verder volgt uit het adviesrapport geur dat de cumulatieve geurbelasting in het zuidelijke deel van het plangebied tussen 0,15 OU/m³ en 0,5 OU/m³ ligt. De cumulatieve geurbelasting in het meest noordelijke deel van het plangebied ligt tussen 0,5 en 1,5 OU/m³.

9.8. Voor zover [appellante sub 2] en anderen aanvoeren dat is uitgegaan van een onjuiste categorievaststelling, overweegt de Afdeling dat dit betoog ziet op een in dit opzicht onjuiste toepassing van de VNG-brochure. Zoals onder 9.2 al is overwogen heeft de raad aan de hand van de milieuvergunningen van [appellante sub 2] en anderen onderzoek gedaan naar de effecten van de geuremissie van de bedrijven die op Keizerswoert zijn gevestigd. Gelet daarop behoeft dit betoog geen verdere bespreking.

9.9. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wat betreft het aspect geur ter plaatse van de wijk Rimpeler geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, zodat evenmin sprake zal zijn van een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] en anderen. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

9.10. De Afdeling stelt vast dat tussen het plangebied en Keizerswoert bestaande burgerwoningen aan de Stationsstraat liggen. Deze woningen grenzen direct aan en liggen dichter bij Keizerswoert dan de voorziene woningen. Voorts zijn deze bestaande woningen en de voorziene woningen gescheiden door een openbare weg, de Stationsstraat. Gebouw 13 ligt achter de bestaande woningen. Voor deze woningen is bij het verlenen van de milieuvergunningen vastgesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het ODNV-advies volgt dat de nieuw te realiseren woningen op een grotere afstand van de bedrijven liggen dan de bestaande woningen, zodat op de voorziene woningen ook aan de gestelde richtwaarden zal worden voldaan. Verder volgt uit het ODNV-advies dat de geurbelasting van [appellante sub 2] en anderen binnen de gestelde richtwaarde blijft. [appellante sub 2] en anderen hebben niet, bijvoorbeeld met een tegenonderzoek, aannemelijk gemaakt dat het ODNV-advies zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad zich bij het vaststellen van het plan hier niet op heeft mogen baseren. Weliswaar hebben [appellante sub 2] en anderen gewezen op onderzoeken van Witteveen+Bos, maar deze onderzoeken dateren van januari en april 2001, terwijl aan dit plan nieuwe onderzoeken naar de effecten van geuremissie van bedrijven, waaronder [appellante sub 2] en anderen, op Keizerswoert ten grondslag liggen.

Het betoog faalt.

9.11. Voor zover [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd dat de geurhinder van [appellante sub 2A] bij de cumulatieve geurbelasting niet is meegenomen, overweegt de Afdeling als volgt. Tussen [appellante sub 2A] en het plangebied ligt een afstand van ongeveer 330 m. De raad heeft toegelicht dat de klachten over [appellante sub 2A] voornamelijk afkomstig zijn van de bewoners van een woning die tussen [appellante sub 2A] en het plangebied ligt. De afstand tussen deze woning en het plangebied bedraagt volgens de raad 85 m. De raad heeft verder toegelicht dat uit de geurberekeningen ten behoeve van het maatwerkbesluit voor [appellante sub 2A] van 2 juli 2015 volgt dat de contour van 1,5 OU/m³ op een afstand van ongeveer 300 m tot het plangebied ligt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de geurhinder van [appellante sub 2A] niet heeft hoeven te betrekken bij de cumulatieve geurbelasting.

Het betoog faalt.

9.12. Voor zover [appellante sub 2] en anderen betogen dat voor de berekening van de cumulatie van geur de geurhinder van [appellante sub 2] ten onrechte is gekwalificeerd als "minder hinderlijk" overweegt de Afdeling dat dit onjuist is. In het adviesrapport geur staat dat de geur afkomstig van [appellante sub 2] is omgerekend naar de klasse "hinderlijk" voordat de cumulatieve berekening is uitgevoerd, omdat de geurhinder van Recyfood Productie en CPC Flevo is gekwalificeerd als "hinderlijk".

Het betoog faalt.

9.13. Wat betreft het standpunt van [appellante sub 2] en anderen dat ten onrechte is getoetst aan categorie B, overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van artikel 8, tweede lid, van het Gelders geurbeleid hoort bij klasse "hinderlijk" de grenswaarde 1,5 OU/m³, uitgaande van categorie A. Uit het adviesrapport geur volgt dat de cumulatieve geurbelasting in het zuidelijke deel van het plangebied tussen 0,15 OU/m³ en 0,5 OU/m³ ligt. De cumulatieve geurbelasting in het meest noordelijke deel van het plangebied ligt tussen 0,5 en 1,5 OU/m³. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de cumulatieve geurbelasting aanvaardbaar is als deze de grenswaarde van 1,5 OU/m³ niet te boven gaat. [appellante sub 2] en anderen hebben dat standpunt niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat het adviesrapport geur zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad zich bij het vaststellen van het plan hier niet op heeft mogen baseren. [appellante sub 2] en anderen hebben niet, met bijvoorbeeld een tegenonderzoek, aannemelijk gemaakt dat de cumulatieve geurbelasting onjuist is berekend.

Het betoog faalt.

9.14. In hetgeen [appellante sub 2] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of dat het besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het betoog faalt.

Besluit hogere grenswaarden

10. Bemog Projectontwikkeling B.V. en anderen stellen dat [appellante sub 2] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het besluit hogere grenswaarden.

10.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

10.2. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4973, heeft overwogen is het besluit tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden vanwege de voorgenomen wijziging of aanleg van een (spoor)weg, of van de voorgenomen bouw van een woning of een ander geluidgevoelig gebouw of terrein, een noodzakelijke voorwaarde om de voorgenomen activiteit, eventueel na het nemen van vervolgbesluiten in het kader van de ruimtelijke ordening, te realiseren. Bij zo’n besluit zijn rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. De kortste afstand tussen [appellante sub 2] en anderen en het plangebied is ongeveer 140 m. Nu [appellante sub 2] en anderen op korte afstand van de voorziene woningen zijn gevestigd, zijn hun belangen rechtstreeks betrokken bij de realisering van de woningen in de wijk Rimpeler en derhalve ook bij de vaststelling van hogere waarden voor 10% van de woningen. [appellante sub 2] en anderen zijn derhalve belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden.

11. [ appellante sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met het besluit. Zij voeren aan dat de hogere geluidgrenswaarden nadelig zijn voor de toekomstige bewoners van de woningen in de wijk Rimpeler, maar dat deze bewoners niet kunnen opkomen tegen het besluit.

11.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

11.2. De Afdeling stelt voorop dat [appellante sub 2] en anderen beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit omdat zij vrezen voor belemmering van hun bedrijfsactiviteiten. Hun belang ligt daarmee niet in de bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners.

Het besluit hogere grenswaarde is met toepassing van artikel 83 van de Wgh en artikel 4.10 van het Bgh vastgesteld. De regelingen in deze artikelen strekken ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting bij een geluidgevoelig gebouw vanwege een weg onderscheidenlijk een spoorweg maximaal mag optreden. Deze regelingen strekken daarmee tot bescherming van de gebruikers of bewoners van de nieuw te bouwen woningen, waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld. Gelet hierop strekken de regelingen in artikel 83 van de Wgh en artikel 4.10 van het Bgh kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfsbelangen van [appellante sub 2] en anderen. Deze beroepsgrond van [appellante sub 2] en anderen kan niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Conclusie

12. De beroepen zijn voor zover ontvankelijk ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover dit is ingediend door [appellante sub 2A];

III. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en anderen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Zwemstra

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

91-877.