Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201801838/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:430, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801838/1/A2.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2018 in zaak nr. 17/4961 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en een bedrag van € 666,00, vermeerderd met wettelijke rente, aan [appellant] toegekend.

Bij uitspraak van 24 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2019, waar [appellant] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P.W. van der Welle, vergezeld door H.L.J. Eland, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1.    Aan het perceel van [appellant] ligt een watergang die door het waterschap wordt onderhouden met een klepelmaaier en maaikorf. Volgens [appellant] is door dat onderhoud de insteekgrens van zijn perceel geleidelijk aan verschoven waardoor 18,2 m² grond is afgekalfd. [appellant] heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 7.14 van de Waterwet verzocht om vergoeding van de daardoor geleden schade die hij, uitgaande van een grondprijs van € 330,00 per m², begroot op een bedrag van € 6.006,00.

2.    Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van [appellant] bij het besluit van 21 oktober 2016 afgewezen omdat niet aannemelijk is dat het verloop van de watergang is verschoven door het onderhoud. Volgens het dagelijks bestuur is de schade ontstaan door toedoen van [appellant], die de tuin heeft opgehoogd en heeft geprobeerd het talud te verleggen, waardoor dit instabiel is geworden en grond kan afkalven. Ook wijst het dagelijks bestuur erop dat er geen taludbescherming of -beplanting meer is.

3.    Bij het besluit van 24 mei 2017 heeft het dagelijks bestuur alsnog een schadevergoeding van € 666,00 toegekend, in navolging van het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van december 2016. De SAOZ heeft in haar advies aangegeven dat [appellant] schade heeft geleden, zijn perceel 18 m² kleiner is geworden en de grond niet meer als voorheen kan worden aangewend doordat een gedeelte van de insteek van de waterloop is verschoven. De SAOZ heeft de grond als niet te bebouwen tuingrond in de oude situatie op een bedrag van € 75,00 per m² en in de nieuwe situatie op een bedrag van € 1,00 gewaardeerd en geconcludeerd dat de door [appellant] geleden schade € 1.332,00 (€ 74,00 x 18) bedraagt. Daarbij heeft zij rekening gehouden met het feit dat de grond niet mag worden bebouwd en het gebruik ervan geen belemmering mag vormen voor het onderhoud van de watergang, omdat de grond in de Keur van het waterschap als onderhoudsstrook is aangewezen. De SAOZ heeft opgemerkt dat geen van de partijen heeft kunnen aantonen dat het talud en de waterloopbodem zodanig zijn beschadigd dat de insteekgrens van de watergang is verschoven. Zij heeft niet aannemelijk geacht dat het maaien van het talud hiertoe heeft geleid. Omdat de SAOZ echter niet kan uitsluiten dat het scheppen van het maaisel en de bagger met een maaikorf tot de verschuiving heeft geleid, heeft zij geadviseerd de schade ex aequo et bono op een bedrag van € 666,00 vast te stellen.

Uitspraak van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur van het advies van de SAOZ heeft mogen uitgaan en dat voor de oorspronkelijke waarde van de grond mocht worden uitgegaan van een bedrag van € 75,00 per m². In het door [appellant] overgelegde rapport van Langhout is volgens de rechtbank geen rekening gehouden met de ligging aan de watergang, binnen de onderhoudszone, noch met het feit dat het gaat om een lange en zeer smalle strook grond. De rechtbank heeft de stelling van [appellant] over het causaal verband wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten, omdat deze pas op de zitting naar voren is gebracht en niet valt in te zien waarom hij dit niet eerder heeft kunnen inbrengen.

Hoger beroep [appellant]

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de oorspronkelijke waarde van de grond mocht worden uitgegaan van een bedrag van € 75,00 per m². [appellant] voert aan, onder verwijzing naar het door hem overgelegde rapport van Langhout, dat de waarde € 230,00 per m² bedraagt en hij voor het verlies van 18 m² grond dus recht heeft op een schadevergoeding van € 4.140,00. Hij stelt dat hij het perceel op grond van die waarde heeft gekocht en het hier gaat om ongerechtvaardigde eigendomsinbreuk. In het licht daarvan heeft het dagelijks bestuur volgens hem ten onrechte onderscheid gemaakt tussen de grond gelegen aan de watergang en daarbuiten. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat hij geen onderscheid maakt tussen tuin- of bouwgrond als hij een kavel koopt.

    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond over het causaal verband buiten beschouwing heeft gelaten. [appellant] voert aan dat hij in beroep ondubbelzinnig aanspraak heeft gemaakt op volledige vergoeding van de schade. Daarin ligt besloten dat de schade volledig het gevolg is van het door het waterschap verrichte onderhoud. Anders had de rechtbank de beroepsgrond in zoverre moeten aanvullen. Hij heeft aannemelijk gemaakt dat de schade is ontstaan door het onderhoud van de watergang en verder rust op hem geen bewijslast, aldus [appellant].

Beoordeling

5.1.    Op grond van artikel 7.14 van de Waterwet wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

    Het betreft hier een zogenoemde nadeelcompensatieregeling.

5.2.    Bij schade in de vorm van waardevermindering van percelen wordt de omvang van de schade in beginsel abstract berekend. Van belang is hier of, bezien vanuit de positie van een redelijk denkend en handelend koper, de betreffende grond als gevolg van de verschuiving van de insteek van de waterloop in waarde is verminderd. Een redelijk denkend en handelend koper houdt rekening met de ligging, de  aanwendingsmogelijkheden en publiekrechtelijke beperkingen van die grond. De SAOZ heeft die aspecten dan ook terecht bij haar taxatie betrokken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft Langhout hiermee geen rekening gehouden in zijn rapport. Dat rapport biedt dan ook geen grond voor twijfel over de omvang van de door de SAOZ getaxeerde schade. Dit laatste geldt ook voor het betoog van [appellant] over de prijs die hij voor het perceel heeft betaald. Hiermee gaat hij voorbij aan de hiervoor beschreven berekeningswijze en aan het feit dat de door hem betaalde prijs een gemiddelde prijs is, zoals het dagelijks bestuur terecht ter zitting naar voren heeft gebracht.

5.3.    [appellant] heeft zowel in zijn verzoek als in bezwaar en in beroep gesteld dat de schade is ontstaan door het onderhoud dat het waterschap aan de watergang heeft gepleegd. Hij betoogt dan ook terecht dat de rechtbank de stelling over het causaal verband ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het is aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat de schade het gevolg is van een rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer, als bedoeld in artikel 7.14 van de Waterwet. [appellant] heeft zijn stelling dat de schade het gevolg is van het door het waterschap gepleegde onderhoud niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is gebleken dat de schadeoorzaak onduidelijk is. Onder deze omstandigheden heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid kunnen besluiten in navolging van het advies van de SAOZ een vergoeding van € 666,00 toe te kennen. Daarmee is [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet tekort gedaan.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. De Vlieger-Mandour

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

615.