Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201705771/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2016 heeft het college een aanvraag van Gymnasion om subsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2019/64
Gst. 2019/78 met annotatie van Redactie, A. Drahmann
AB 2019/320 met annotatie van J.E. van den Brink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705771/1/A2.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren, appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 juni 2017 in zaken nrs. 16/3697 en 16/3698 in de gedingen tussen:

Gymnasion Joure B.V. (hierna: Gymnasion), gevestigd te Joure, gemeente De Fryske Marren,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2016 heeft het college een aanvraag van Gymnasion om subsidie afgewezen.

Bij besluit van 27 juli 2016 heeft het college het door Gymnasion daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 11 januari 2016 herroepen en opnieuw besloten de aanvraag af te wijzen.

Bij besluit van 4 augustus 2016 heeft het college de Subsidieregeling maatschappelijk gebruik Swimfun en Sportfun Joure (hierna ook: de Subsidieregeling) vastgesteld.

Bij uitspraak van 9 juni 2017 heeft de rechtbank het door Gymnasion ingestelde beroep ongegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen het besluit van 27 juli 2016, en gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen het besluit van 4 augustus 2016, en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Gymnasion heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een zienswijze over het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en Gymnasion, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, en door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Gymnasion exploiteert in Joure een sportschool met een zwembad. Zij heeft bij het college bij brief van 17 juli 2015 subsidie voor haar zwemschool aangevraagd. In de aanvraag heeft Gymnasion vermeld dat zij al zo’n 22 jaar zwemonderwijs biedt, waarvoor zij, anders dan andere zwemscholen in de omgeving, nooit subsidie heeft ontvangen.

Aan het besluit van 27 juli 2016 heeft het college ten grondslag gelegd dat geen subsidieregeling als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is vastgesteld, op grond waarvan de subsidie aan Gymnasion kan worden verstrekt.

2.    Bij het besluit van 4 augustus 2016 heeft het college, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb, de Subsidieregeling vastgesteld, waarin is bepaald dat uitsluitend subsidie wordt verstrekt aan de Stichting Zwem- en Recreatiebad De Stiennen Flier (hierna: de stichting). Deze stichting verzorgt de exploitatie, het beheer en het onderhoud van het zwembad Swimfun en de sporthal Sportfun in Joure. De gemeente is eigenaar van het zwembad en de sporthal.

Uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft het beroep van Gymnasion tegen het besluit van 27 juli 2016 ongegrond verklaard en overwogen dat het college op grond van artikel 3 van de Algemene subsidieverordening De Friese Meren 2014 (hierna: de Algemene subsidieverordening), bij nadere regeling vaststelt welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. De door Gymnasion vermelde subsidieregeling "Algemeen subsidiekader De Fryske Marren" biedt slechts een algemeen kader voor het verstrekken van subsidie. Daarin is niet opgenomen welke activiteiten en welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Nu ook geen andere subsidieregeling is vastgesteld op grond waarvan de aanvraag van Gymnasion kan worden ingewilligd, heeft het college deze naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep van Gymnasion tegen het besluit van 4 augustus 2016 gegrond verklaard en, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2060, overwogen dat de Subsidieregeling geen algemeen verbindend voorschrift in de zin van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is. Er wordt slechts een aanspraak voor één rechtspersoon gecreëerd en daarom is het besluit van 4 augustus 2016 een appellabel besluit. Het beroep hiertegen is gegrond, omdat de Subsidieregeling een juiste wettelijke grondslag ontbeert. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat in artikel 3 van de Algemene subsidieverordening is voorgeschreven dat het college bepaalt welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen en het college uitsluitend de stichting als doelgroep in de Subsidieregeling heeft aangemerkt, aldus de rechtbank.

4.    Het college heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 4 augustus 2016. Dit zal hieronder eerst worden beoordeeld. Vervolgens zal het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep dat Gymnasion heeft ingesteld worden beoordeeld.

Hoger beroep college

5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van Gymnasion ontvankelijk is en beroep kan worden ingesteld tegen het besluit van 4 augustus 2016. Volgens het college kan dit niet, omdat het besluit een algemeen verbindend voorschrift inhoudt. De rechtbank heeft een onjuiste maatstaf gehanteerd door te overwegen dat slechts een aanspraak voor één rechtspersoon is gecreëerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014 volgt niet dat algemeenheid naar tijd, plaats en persoon een kenmerk van een algemeen verbindend voorschrift is. Bepalend is of de Subsidieregeling zich voor herhaalde toepassing leent. Dat is het geval, omdat de stichting herhaaldelijk subsidie op grond van de Subsidieregeling kan aanvragen. Ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is niet nodig het besluit als appellabel besluit aan te merken. Het college zal op grond van de Subsidieregeling subsidiebeschikkingen nemen, waartegen Gymnasion bezwaar kan maken als zij als belanghebbende bij die beschikkingen is aan te merken, aldus het college.

5.1.    Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld. Voor de beoordeling of een besluit als een algemeen verbindend voorschrift moet worden aangemerkt, is niet enkel van belang of de regeling zich voor herhaalde toepassing leent. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in voormelde uitspraak van 11 juni 2014, is een algemeen verbindend voorschrift een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Een algemeen verbindend voorschrift onderscheidt zich van andere besluiten doordat het algemene, abstracte regels bevat, die zich zonder nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen. Een besluit waarin nader naar plaats, tijd of object de toepassing van een in een algemeen voorschrift besloten liggende norm wordt bepaald, kan zelf geen algemeen verbindend voorschrift zijn, aldus voormelde uitspraak.

5.2.    In artikel 2 van de Subsidieregeling maatschappelijk gebruik Swimfun en Sportfun Joure is bepaald dat subsidie uitsluitend kan worden verstrekt voor activiteiten die zich richten op het volledige onderhoud, beheer en de exploitatie van de gemeentelijke accommodatie. In artikel 3 van de Subsidieregeling heeft het college het object van subsidiëring beperkt tot de stichting, die de exploitatie, het beheer en het onderhoud van het zwembad Swimfun en de sporthal Sportfun in Joure verzorgt. Voor de berekening van de subsidie is in artikel 4 van de Subsidieregeling verwezen naar overeenkomsten die met de stichting zijn gesloten.

De Subsidieregeling bevat, door de verwijzing naar overeenkomsten die met de stichting zijn gesloten, geen zelfstandige normen die zich voor herhaalde concrete toepassing lenen. De Subsidieregeling laat geen ruimte voor subsidiëring aan anderen dan de stichting en is zo concreet, dat het algemeen karakter hieraan wordt ontnomen. Het besluit van 4 augustus 2016 is aan te merken als een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit geen algemeen verbindend voorschrift inhoudt en dat beroep openstaat tegen dat besluit.

Het standpunt van het college dat Gymnasion mogelijk bezwaar kan maken tegen latere subsidiebeschikkingen maakt het voorgaande niet anders. Onduidelijk is of het college Gymnasion als belanghebbende bij die beschikkingen zal aanmerken. Mogelijke rechtsbescherming tegen latere beschikkingen betekent voorts niet dat geen rechtsmiddel openstaat tegen de beschikking die hier aan de orde is.

Het betoog faalt.

6.    Het college betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het beroep van Gymnasion tegen het besluit van 4 augustus 2016 ook niet-ontvankelijk is, omdat zij geen belanghebbende is bij dat besluit. Volgens het college wordt Gymnasion niet geraakt hierdoor, omdat de Subsidieregeling is gericht op het onderhoud, beheer en exploitatie van de gemeentelijke accommodatie, terwijl de aanvraag van Gymnasion betrekking heeft op subsidie voor het zwemonderwijs. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2258, voert het college aan dat Gymnasion niet het oogmerk heeft de subsidie aan de stichting te ontnemen, maar zelf subsidie wil ontvangen.

6.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 28 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0175), is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende. Het besluit van 4 augustus 2016 brengt met zich dat het college subsidie aan de stichting kan verstrekken. Om te bepalen of Gymnasion daardoor in haar concurrentiepositie wordt geraakt, is van belang of zij in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als de stichting. De stichting exploiteert het zwembad Sportfun in Joure en biedt daar onder meer zwemlessen aan. Gymnasion exploiteert eveneens een zwembad in Joure en biedt ook zwemlessen aan. Het is dus aannemelijk dat Gymnasion in hetzelfde marktsegment werkzaam is als de stichting. Zij zijn beide ook in hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam. Beide zwembaden zijn in Joure gelegen, dichtbij elkaar. Gymnasion is dan ook belanghebbende bij het besluit van 4 augustus 2016.

De stelling dat Gymnasion niet in zijn concurrentiebelang wordt geraakt door dit besluit, volgt de Afdeling niet. Op grond van dit besluit subsidieert het college, naast het onderhoud en het beheer van de gemeentelijke accommodatie, ook de exploitatie van die accommodatie door de stichting. De exploitatie omvat het aanbieden van zwemlessen. De stichting ontplooit dus met subsidie dezelfde activiteiten als Gymnasion. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 treft geen doel. In die zaak waren de betrokkenen, anders dan hier, niet werkzaam in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied.

Het betoog faalt.

7.    Het college betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Gymnasion geen procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 4 augustus 2016, zodat het beroep ook op die grond niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het doel dat Gymnasion voor ogen staat, subsidieverstrekking en het tegengaan van concurrentievervalsing, kan niet met het instellen van beroep worden bereikt, aldus het college.

7.1.    Het college kan worden gevolgd in haar stelling, dat Gymnasion met het instellen van beroep tegen het besluit van 4 augustus 2016 niet kan bereiken dat subsidie aan haar wordt verstrekt. Gymnasion stelt daarnaast echter dat zij met het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2016 wil bereiken dat een ‘gelijk speelveld wordt gecreëerd’. Bij de tariefstelling van het zwemonderwijs moet Gymnasion rekening houden met de volledige kostprijs, terwijl dit niet geldt voor de stichting die subsidie ontvangt.

Aangezien bij het slagen van het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2016 geen subsidie aan de stichting op grond van de Subsidieregeling kan worden verstrekt, kan Gymnasion met het beroep tegen dit besluit in zoverre het door haar gewenste doel bereiken, zodat zij belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Dat het door Gymnasion gewenste doel ook langs andere wegen kan worden bereikt, doet niet aan dit belang af.

Het betoog faalt.

8.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, betoogt het college tevergeefs dat de rechtbank het beroep van Gymnasion tegen het besluit van 4 augustus 2016 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft het besluit dan ook terecht inhoudelijk beoordeeld.

9.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 4 augustus 2016 tot vaststelling van de Subsidieregeling, een juiste wettelijke grondslag ontbeert. Op grond van artikel 3 van de Algemene subsidieverordening kan het college voor zover van toepassing vaststellen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. De bepaling verbiedt niet dat het college de doelgroep inperkt tot één rechtspersoon.

9.1.    Artikel 3 van de Algemene subsidieverordening luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders stellen bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald."

Volgens de toelichting op deze bepaling verplicht de gemeenteraad het college om in nadere regels, verder de subsidieregeling genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit volgens de toelichting eveneens in de subsidieregeling te gebeuren. Andere bevoegdheden die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling, het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze van verdelen van het subsidieplafond, worden volgens de toelichting in andere artikelen van de Algemene subsidieverordening gedelegeerd.

9.2.    Ingevolge artikel 4:23, eerste lid, van de Awb verstrekt een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt, tenzij een van de uitzonderingen van het derde lid van toepassing is. Dat laatste is hier niet aan de orde. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3327), wordt onder een wettelijk voorschrift in voormelde zin verstaan een regeling van een orgaan dat aan de Grondwet of een wet in formele zin regelgevende bevoegdheid ontleent. De eis van een wettelijk voorschrift komt erop neer dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift.

De Subsidieregeling is, zoals hiervoor is overwogen, een beschikking en geen algemeen verbindend voorschrift. Met de vaststelling van de Subsidieregeling is dus geen uitvoering gegeven aan artikel 3 van de Algemene subsidieverordening. Gelet op de tekst van artikel 3 en de toelichting hierop, is dit een delegatiebepaling. Een delegatiebepaling biedt op zichzelf geen wettelijke grondslag tot het vaststellen van een subsidiebeschikking als hier aan de orde. Nu voorts niet is gebleken dat een ander wettelijk voorschrift is vastgesteld op grond waarvan het college deze subsidiebeschikking kan nemen, is de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, tot het oordeel gekomen dat het besluit van 4 augustus 2016 een wettelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft het besluit dus terecht vernietigd.

Het betoog faalt.

Finale geschilbeslechting

10.    Gelet op het feit dat een subsidieregeling als bedoeld in artikel 3 van de Algemene subsidieverordening ontbreekt, ziet de Afdeling geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten.

Voor zover alsnog een subsidieregeling in die zin wordt vastgesteld, wijst de Afdeling, naar aanleiding van hetgeen in deze zaak naar voren is gebracht en het subsidieplafond dat de gemeenteraad heeft vastgesteld, op de in haar uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, neergelegde rechtsnorm. Die strekt ertoe dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Zoals eerder is overwogen (uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2310), is deze rechtsnorm ook van toepassing bij de verdeling van schaarse subsidiemiddelen.

Slotsom

11.    Het hoger beroep van het college is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep Gymnasion

12.    Gymnasion heeft voorwaardelijk, voor zover de Afdeling tot het oordeel mocht komen dat een deugdelijke wettelijke grondslag bestaat voor het toekennen van subsidie aan de stichting, incidenteel hoger beroep ingesteld. Nu de door Gymnasion gestelde voorwaarde niet is vervuld, is het incidenteel hoger beroep komen te vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt dus niet toegekomen.

Proceskostenveroordeling

13.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren tot vergoeding van bij Gymnasion Joure B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van de Fryske Marren een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. De Vlieger-Mandour

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

615.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 1:3

(…)

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

(…)

Artikel 8:3

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:

a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,

b. inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, (…)

Artikel 4:21

1. Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Artikel 4:23

1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

(…)

3. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste een jaar of totdat een binnen dat jaar bij de Staten-Generaal ingediend wetsvoorstel is verworpen of tot wet is verheven en in werking is getreden;

b. indien de subsidie rechtstreeks op grond van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Europese Commissie vastgesteld programma wordt verstrekt;

c. indien de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt, of

d. in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.

(…)

Artikel 4:26

1. Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

2. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling vermeld.

Gemeentewet

Artikel 108.

De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente wordt aan het gemeentebestuur overgelaten.

Artikel 149.

De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

Artikel 160

1. Het college is in ieder geval bevoegd:

(…)

f. te besluiten namens de gemeente, het college of de raad rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

(…)

Algemene subsidieverordening De Friese Meren 2014

Artikel 2. Reikwijdte

1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).

2. Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

Artikel 3. Subsidieregelingen

Burgemeester en wethouders stellen bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

1. De raad stelt subsidieplafonds vast.

2. In dat geval bepalen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

Subsidieregeling maatschappelijk gebruik Swimfun en Sportfun Joure

Artikel 1. Toepassingsbereik

Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders voor de in artikel 2 bedoelde activiteiten.

Artikel 2. Activiteiten

Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die zich richten op: a. het volledige onderhoud, beheer en de exploitatie van de gemeentelijke accommodatie.

Artikel 3. Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan de Stichting Zwem- en Recreatiebad De Stiennen Flier die de exploitatie, het beheer en het onderhoud van Swimfun en Sportfun verzorgd. Het in handen geven van de exploitatie van Swimfun en Sportfun is gebaseerd op een besluit van de raad van Skasterlân in haar vergadering van 25 november 2009.

Artikel 4. Berekening van de subsidie

Op de berekening van de subsidie zijn van toepassing:

a. de meerjaren budgetsubsidie overeenkomst, de beheer- en exploitatieovereenkomst en de huurovereenkomst;

b. een meerjarenonderhoudsplan en een bijbehorende meerjarenonderhoudsbegroting.

Artikel 5. Subsidieplafond

1. Het subsidieplafond wordt jaarlijks door de gemeenteraad vastgesteld.

2. De vaste jaarlijkse subsidie in de exploitatiekosten wordt jaarlijks geïndexeerd:

a. lonen en salarissen op basis van de loonindicatie die het Centraal Plan Bureau onderscheidt voor de overheidssector;

b. de prijscompensatie op basis van de prijsontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product (BBP).

Artikel 6. Verdeling subsidieplafond

1. Het budget wordt toebedeeld aan de subsidieaanvragen, die aan alle voorwaarden voldoen, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

2. Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van indiening van de aanvraag de datum waarop de aangevulde aanvraag is ingediend.