Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201800496/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6339, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel het verzoek van Belangenvereniging Recreatiepark Het Esmeer (hierna: de belangenvereniging) om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van recreatieverblijven op recreatiepark Het Esmeer te Aalst, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800496/1/A1.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te [woonplaats],

appellanten (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2017 in zaak nr. 17/4621 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft het college het verzoek van Belangenvereniging Recreatiepark Het Esmeer (hierna: de belangenvereniging) om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van recreatieverblijven op recreatiepark Het Esmeer te Aalst, afgewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2017 herroepen en het verzoek om handhavend op te treden alsnog gedeeltelijk toegewezen.

Bij uitspraak van 8 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2018, waar [appellante B], bijgestaan door mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn, het college, vertegenwoordigd door T. Akkermans, en de belangenvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 17 oktober 2016 heeft de belangenvereniging, waarvan [appellant] lid is, het college verzocht om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdige gebruik in de vorm van (tijdelijke) huisvesting van arbeidskrachten op het recreatiepark. Het college heeft dit verzoek bij het besluit van 13 januari 2017 afgewezen, omdat het nog onvoldoende inzicht had in de actuele situatie op het park. Het college heeft in dat besluit vermeld voornemens te zijn onderzoek te doen naar de huisvesting van arbeidsmigranten op het park.

[appellant] is sinds 2010 eigenaar van een kavel met chalet op het recreatiepark. Hij stelt overlast te ondervinden van het strijdige gebruik door arbeidsmigranten, waaronder geluidshinder. Daarnaast stelt hij dat zijn kavel met chalet door het strijdige gebruik onverkoopbaar is. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen de weigering om handhavend op te treden. Bij het besluit van 16 augustus 2017 heeft het college het verzoek alsnog toegewezen en het besluit van 13 januari 2017 herroepen. Voorts heeft het de eigenaren van vijftien nader aangeduide recreatieverblijven onder oplegging van een dwangsom gelast te bewerkstelligen dat de permanente bewoning daarvan wordt beëindigd. Naast de eigenaren heeft het college bij besluit van 16 oktober 2017 tevens een last onder dwangsom opgelegd aan Recreatiepark Het Esmeer B.V., dat zich bezighoudt met de verhuur van recreatiewoningen op het park.

De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college met het besluit van 16 oktober 2017 is tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant]. Volgens de rechtbank heeft [appellant] onvoldoende procesbelang bij een oordeel over de rechtmatigheid van de besluiten die aan de procedure ten grondslag liggen.

Grond van hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en daarbij ten onrechte zonder nadere motivering heeft overwogen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn beroep. Volgens [appellant] heeft hij belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar van 16 augustus 2017 en heeft de rechtbank niet onderkend dat het aan het recreatiepark gerichte aanvullende handhavingsbesluit van 16 oktober 2017 een andere aard en strekking heeft dan het besluit op bezwaar. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het aanvullende handhavingsbesluit betrekking heeft op alle op het recreatiepark aanwezige recreatieverblijven waarvan het recreatiepark in voorkomend geval exclusief de verhuur in handen heeft.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1927) kan procesbelang bestaan indien betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk en als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden. [appellant] heeft gesteld dat hij als gevolg van het besluit op bezwaar schade heeft geleden en lijdt die verband houdt met het niet kunnen verkopen van zijn chalet, bestaande uit gederfde rente-inkomsten over de opbrengst bij verkoop van het chalet en doorlopende vaste lasten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een schadeberekening overgelegd. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] hiermee niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt schade te hebben geleden. Hierbij betrekt de Afdeling net als de rechtbank dat de periode tussen het besluit op bezwaar en het aanvullende handhavingsbesluit slechts twee maanden bedraagt en dat het besluit op bezwaar al gericht was op beëindiging van de eerder geconstateerde permanente bewoning van vijftien recreatieverblijven. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het chalet zou zijn verkocht indien het college op 16 augustus 2017 ook het recreatiepark al zou hebben aangeschreven.

Het betoog faalt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beoordeling verzoek om schadevergoeding

4.    [appellant] heeft de Afdeling verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming.

4.1.    Artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

[…]"

Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) luidt:

"1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt."

Artikel 6:98 luidt:

"Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend."

4.2.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4855) volgt dat in het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en zo ja, in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

4.3.    Ten aanzien van de schade die [appellant] stelt te hebben geleden als gevolg van het besluit op bezwaar van 16 augustus 2017, overweegt de Afdeling dat, zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen, [appellant] niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk en als gevolg van dat besluit is geleden. De Afdeling zal in het hiernavolgende dan ook uitsluitend beoordelen of [appellant] als gevolg van het primaire besluit van 13 januari 2017 schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Niet in geschil is dat dat besluit rechtens onjuist is. Dit betekent dat [appellant] op grond van onrechtmatige daad in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt. Anders dan het college op de zitting bij de Afdeling heeft betoogd, betekent de omstandigheid dat niet [appellant], maar de belangenvereniging waarvan [appellant] lid is het verzoek om handhaving heeft gedaan, niet dat het college door het nemen van het primaire besluit niet ook jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. Nu [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit en daarmee  de herroeping van dat besluit heeft bewerkstelligd, werkt de onrechtmatigheid van het primaire besluit ook jegens [appellant] door.

4.4.    De Afdeling ziet aanleiding eerst de vraag te beantwoorden of de gestelde schade in causaal verband staat met het besluit van 13 januari 2017. Het causaal verband als bedoeld in artikel 6:162, eerste lid, van het BW moet worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige situatie achterwege was gebleven. Gelet op het bepaalde in artikel 6:98 van het BW komt slechts voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

4.5.    De door [appellant] gestelde schade bestaat uit gederfde en nog te derven rente-inkomsten over de opbrengst bij verkoop van het chalet en uit doorlopende maandelijkse vaste lasten ten aanzien van het chalet, waaronder (gemeentelijke) belastingen, energiekosten en verzekeringen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen het niet tijdig handhavend optreden en de gestelde schade. Deze schade houdt rechtstreeks verband met het niet verkopen van het chalet. [appellant] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het chalet als gevolg van de besluitvorming van het college niet is verkocht. De door [appellant] ingebrachte e-mail van een makelaar van 3 november 2017, waarin deze schrijft dat de aanwezigheid van seizoenarbeiders de verkoop van het chalet van [appellant] in negatieve zin heeft beïnvloed en dat er diverse kandidaten om die reden zijn afgehaakt, is daartoe onvoldoende. [appellant] heeft daarmee niet aangetoond dat de omstandigheid dat het chalet nog niet is verkocht, het gevolg is van de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden. Dit geldt naar het oordeel van de Afdeling temeer nu het college bij het besluit van 16 oktober 2017 alsnog een last onder dwangsom heeft opgelegd aan Recreatiepark Het Esmeer B.V., terwijl het chalet van [appellant] in ieder geval ten tijde van de zitting op 6 november 2018 nog altijd niet was verkocht.

4.6.    Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Proceskosten

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

270-842.