Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201806906/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 mei 2016 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806906/1/A2.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het beroep van:

[appellant], wonend te Sneek,

appellant,

tegen het besluit van 15 augustus 2018 van het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij brief van 25 mei 2016 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2018 heeft de Afdeling het daartegen door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank, vernietigd, het besluit van 7 september 2016 vernietigd en bepaald dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 25 mei 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2019, waar het college, vertegenwoordigd door F.C. Groeneveld en L. Soolsma, is verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] woont aan de [locatie] te Sneek.

2.    [appellant] stelt schade te hebben geleden als gevolg van wegwerkzaamheden en rioolwerkzaamheden en langdurige werkzaamheden die verband houden met de vaarverbinding Geau-Waldfeart.

3.    Bij besluit van 24 maart 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kademuur op het perceel plaatselijk bekend Quirijn de Blaustraat 0 te Sneek.

    Het besluit van 15 augustus 2018

4.    Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie voor gederfd woongenot door geluidoverlast afgewezen. Daartoe heeft het college gesteld dat het maken van de kademuur negen maanden heeft geduurd, van november 2014 tot augustus 2015, en binnen de planning is afgerond. Het bouwverkeer heeft een speciale transportroute langs de Van Schouwenburghstraat in Sneek gebruikt. Het bouwverkeer heeft de Hein Doekesstraat niet gebruikt en is dus niet langs de woning van [appellant] gekomen. Dat [appellant] hinder heeft ondervonden van waterpompen, die in het kader van het kadeproject zijn gebruikt, acht het college zeer onaannemelijk gelet op de grote afstand tussen de waterpompen en de woning van [appellant]. De door [appellant] gestelde overlast van brullende bouwvakkers, die het geluid van machines en radio proberen te overstijgen, behoort tot het normaal maatschappelijk risico.

    Betoog in beroep

5.     [appellant] betoogt dat het college heeft miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 volgt dat het college de besluitvorming geheel over diende te doen en niet kon volstaan met de beoordeling of de gestelde geluidoverlast het gevolg is van het bouwen van een kademuur op het perceel Quirijn de Blaustraat 0. Daarnaast heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overlast binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

    Beoordeling van het beroep

    De uitspraak van 20 juni 2018

6.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 20 juni 2018 geoordeeld dat het op de weg lag van het college in het kader van een zorgvuldige besluitvorming te bezien of aan het gestelde schadeveroorzakende handelen, uitvoeringshandelingen van infrastructurele werken door of in opdracht van de gemeente, voor bezwaar en beroep vatbare besluiten ten grondslag lagen. Dit lag te meer voor de hand nu een wettelijke of beleidsmatige grondslag voor de behandeling van het verzoek om nadeelcompensatie ontbrak.

7.    Het college heeft op verzoek van de Afdeling aangegeven dat meerdere appellabele besluiten ten grondslag lagen aan die werkzaamheden en de besluiten van 21 februari 2013, 24 maart 2014 en 22 mei 2014 overgelegd.

8.    De Afdeling heeft vervolgens overwogen dat voor zover [appellant] in zijn verzoek om nadeelcompensatie heeft gesteld dat de schade het gevolg is van wegwerkzaamheden en rioolwerkzaamheden, aan deze werkzaamheden geen vergunningen ten grondslag lagen. In zoverre moet het ervoor worden gehouden, dat het om feitelijk handelen gaat, waartegen geen beroep kon worden ingesteld. Dat betekent dat de bestuursrechter geen oordeel kan geven over de rechtmatigheid van de beslissing van het college omtrent compensatie van nadeel veroorzaakt door feitelijk handelen. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de Afdeling het college dus niet opgedragen een beslissing te nemen op het verzoek om nadeelcompensatie in zoverre de door [appellant] gestelde schadeoorzaak feitelijk handelen betreft.

9.     De Afdeling heeft voorts overwogen dat voor zover aan de werkzaamheden de besluiten van 21 februari 2013 en 22 mei 2014 ten grondslag lagen, het college niet bevoegd is te beslissen op het verzoek om nadeelcompensatie, voor zover dat ziet op deze werkzaamheden, omdat die besluiten door andere bestuursorganen zijn genomen.

10.    De Afdeling heeft tot slot overwogen dat voor zover aan de door [appellant] gestelde werkzaamheden het besluit van 24 maart 2014 van het college ten grondslag lag, de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie in zoverre een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college heeft in zoverre het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van nadeelcompensatie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het college diende alsnog inhoudelijk op het bezwaarschrift van [appellant] te beslissen en hierbij te bezien of het gestelde nadeel het gevolg is van het besluit van 24 maart 2014 en zo ja, of dit nadeel buiten het normaal maatschappelijk risico van [appellant] valt. Het college heeft derhalve terecht in het besluit van 15 augustus 2018 de beoordeling hierop toegespitst.

Het betoog faalt.

    Causaal verband

11.    De bewijslast van de schade, de omvang daarvan en het verband tussen de gestelde schadeoorzaak en de schade ligt in beginsel bij degene die stelt schade te hebben geleden.

12.     De Afdeling ziet aanleiding eerst de vraag te beantwoorden of de gestelde geluidoverlast in causaal verband staat met het besluit van 24 maart 2014 en of [appellant] de door hem gestelde schade voldoende heeft onderbouwd.

13.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde geluidoverlast door langsrijdend bouwverkeer en door waterpompen het gevolg is van de werkzaamheden ten behoeve van de kademuur. Voor het bouwverkeer was een aparte route opengesteld die niet langs de woning van [appellant] leidde. De waterpompen, die zijn gebruikt voor de werkzaamheden in het kader van het oprichten van de kademuur, bevonden zich op een afstand van ongeveer 120 m tot de woning van [appellant], zodat niet aannemelijk is geworden dat de gestelde geluidoverlast het gevolg is van het gebruik van de waterpompen.

14.    Bij de beoordeling of aanspraak bestaat op nadeelcompensatie is alleen de objectief redelijkerwijs te verwachten overlast van werkzaamheden, dat wil zeggen de overlast die inherent is aan werkzaamheden, van belang. Voor zover moet worden aangenomen dat de door [appellant] gestelde geluidoverlast afkomstig was van bouwvakkers die aan de kademuur hebben gewerkt en dat die overlast inherent was aan de bouwwerkzaamheden, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig leed heeft ondervonden dat dit voor compensatie in aanmerking komt. De enkele stelling dat de overlast als gevolg van het besluit van 24 maart 2014 is ondervonden in een periode dat [appellant] midden in een verhuizing zat, is daartoe onvoldoende.

Het betoog faalt.

15.    Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 15 augustus 2018 is ongegrond.

16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

299.