Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:59

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201804687/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:6367, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 1 mei 2018 en 15 mei 2018 zijn aan de vreemdeling vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804687/1/V3.

Datum uitspraak: 9 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2018 in zaken nrs. NL18.9112 en NL18.9256 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 1 mei 2018 en 15 mei 2018 zijn aan de vreemdeling vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd.

Bij mondelinge uitspraak van 28 mei 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De vrijheidsontnemende maatregel van 1 mei 2018

1.    De vrijheidsontnemende maatregel van 1 mei 2018 is krachtens artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) aan de vreemdeling opgelegd. Niet in geschil is dat aan die maatregel een gebrek kleeft, omdat het aan de vreemdeling uitgereikte exemplaar van die maatregel niet is ondertekend. De maatregel is daarna alsnog digitaal ondertekend, maar dat exemplaar is niet aan de vreemdeling uitgereikt.

2.    In de derde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte naar aanleiding van het hiervoor genoemde gebrek een belangenafweging heeft gemaakt en dat zij die ten onrechte in het voordeel van de staatssecretaris heeft laten uitvallen. Daarover voert hij onder meer aan dat hij door het gebrek onrechtmatig heeft vastgezeten en daarom in zijn belangen is geschaad.

2.1.    In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278, deed zich hetzelfde gebrek voor als in deze zaak. Uit die uitspraak volgt dat dit gebrek de vrijheidsontnemende maatregel pas onrechtmatig maakt indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Uit die uitspraak volgt bovendien dat bij voornoemd gebrek een zwaarwegend belang moet bestaan aan de zijde van de staatssecretaris om de belangenafweging in zijn voordeel te laten uitvallen.

    Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de rechtbank naar aanleiding van het hiervoor genoemde gebrek terecht een belangenafweging gemaakt. De vreemdeling betoogt echter terecht dat de rechtbank de belangenafweging ten onrechte in het voordeel van de staatssecretaris heeft laten uitvallen. Het door de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank genoemde grensbewakingsbelang is van algemene aard en geldt per definitie bij vrijheidsontnemende maatregelen krachtens artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Dit belang is daarom onvoldoende zwaarwegend in de zin van de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2018. Daarnaast heeft de staatssecretaris geen andere belangen naar voren gebracht. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat niet is gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van de staatssecretaris die opwegen tegen het belang van de vreemdeling. De vrijheidsontnemende maatregel van 1 mei 2018 is daarom van aanvang af onrechtmatig.

    De grief slaagt.

De vrijheidsontnemende maatregel van 15 mei 2018

3.    Wat de vreemdeling in de tweede en vijfde grief aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

4.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank hem ter zitting niet heeft gehoord over de vrijheidsontnemende maatregel van 15 mei 2018.

4.1.    Artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 luidt:

    "[…] De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift […] plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman […] te verschijnen teneinde te worden gehoord. […]"

    Het in strijd met die bepaling niet horen van de vreemdeling leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel met ingang van de dag volgend op die waarop de hiervoor genoemde termijn van veertien dagen is geëindigd. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 1 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0762.

4.2.    Tegen de vrijheidsontnemende maatregel van 15 mei 2018 heeft de vreemdeling op diezelfde dag beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de behandeling van dit beroep ter zitting, gezamenlijk met het beroep tegen de maatregel van 1 mei 2018, gepland op 28 mei 2018.

    De vreemdeling betoogt terecht dat de rechtbank hem ter zitting niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep tegen de maatregel van 15 mei 2018 toe te lichten. Zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting volgt, heeft de rechtbank die maatregel namelijk in het geheel niet besproken. De rechtbank heeft daarom de in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 bedoelde verplichting geschonden. Omdat uit wat onder 3 is overwogen volgt dat de vreemdeling geen beroepsgronden heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de vrijheidsontneming eerder onrechtmatig was en omdat de vreemdeling in hoger beroep niet betoogt dat hij naast zijn schriftelijke gronden van beroep nog andere beroepsgronden ter zitting naar voren had willen brengen, leidt dit, gelet op wat onder 4.1 is overwogen, met ingang van 30 mei 2018, de vijftiende dag na de oplegging van de tweede maatregel, tot onrechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel van 15 mei 2018.

    De grief slaagt in zoverre.

Conclusie over beide vrijheidsontnemende maatregelen

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Wat de vreemdeling voor het overige over de eerste maatregel van bewaring aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 1 mei 2018 en 15 mei 2018 alsnog gegrond verklaren. Omdat de vrijheidsontnemende maatregelen al zijn opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 de hierna genoemde vergoeding toegekend over de periode van 1 mei 2018 tot 15 mei 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel van 1 mei 2018 is opgeheven, en over de periode van 30 mei 2018 tot 27 juni 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel van 15 mei 2018 is opgeheven.

6.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2018 in zaken nrs. NL18.9112 en NL18.9256;

III.    verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.360,00 (zegge: drieduizend driehonderdzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bechinka

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019

371-848.