Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201707088/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707088/1/V3.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 augustus 2017 in zaak nr. NL17.6023 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 28 augustus 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft krachtens artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening (PB 2013 L 180) Frankrijk verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de door de vreemdeling in Nederland ingediende asielaanvraag, omdat die lidstaat haar een visum heeft verstrekt dat minder dan zes maanden is verlopen en dat haar daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat. De Franse autoriteiten hebben het overnameverzoek van 21 april 2017 op 11 mei 2017 geaccepteerd.

2.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de door haar aangevoerde omstandigheden niet ten onrechte niet heeft aangemerkt als bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat haar overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt.

    De vreemdeling betoogt onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in Frankrijk seksueel is misbruikt, wegens ernstige psychische klachten wordt behandeld door een GZ-psycholoog en is doorverwezen naar de tweedelijnszorg. Zij heeft verklaard dat zij al een zelfmoordpoging heeft ondernomen en zeker zelfmoord zal plegen als een overdracht aan Frankrijk aanstaande is. Daarom had de rechtbank volgens haar ten minste moeten oordelen dat de staatssecretaris het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) eerst nader onderzoek moet laten verrichten. Hij moet onderzoeken of en hoe een overdracht aan Frankrijk kan plaatsvinden. Voorkomen moet worden dat een overdracht leidt tot onherstelbare schade aan haar gezondheid dan wel een ernstige verslechtering van haar gezondheidssituatie, aldus de vreemdeling. Zij beroept zich in dit verband onder meer op het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.

2.1.    In de zienswijze van 9 juni 2017 heeft de vreemdeling verklaard dat zij wegens traumatische ervaringen in Frankrijk sinds kort onder behandeling was van een psycholoog. Zij zou haar behandelaar vragen in hoeverre een overdracht aan Frankrijk de behandeling zou frustreren dan wel zelfs een volledig averechts effect zou hebben op het verloop ervan. Omdat nog geen medische gegevens voorhanden waren, kon volgens haar niet op voorhand worden uitgesloten dat bij overdracht aan Frankrijk een medische noodsituatie zou ontstaan. Zij wees erop dat mogelijk een BMA-advies nodig was en verzocht de staatssecretaris de nadere rapportage van de psycholoog af te wachten. Volgens de vreemdeling zou zij liever zelfmoord plegen dan terugkeren naar Frankrijk.

2.2.    Bij brief van 12 juli 2017 heeft een GZ-psycholoog van de Psychologische Praktijk onder meer verklaard dat de klachten van de vreemdeling voortkomen uit een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) en een depressieve stoornis, dat zij suïcidale gedachten heeft en dat zij gezien de ernst van haar klachten moet worden doorverwezen naar de tweedelijns zorg.

2.3.    In haar beroepsgronden heeft de vreemdeling verwezen naar de zienswijze en aangekondigd nadere stukken over haar gezondheidssituatie over te leggen. Ter zitting van de rechtbank heeft zij betoogd dat de staatssecretaris nader onderzoek moest doen. Volgens haar was het door de korte procedures onmogelijk onderzoek te doen naar haar psychische gezondheid en was zij aangewezen op korte intakegesprekken. Zij heeft, onder verwijzing naar de brief van 12 juli 2017, betoogd dat het, gelet op het suïciderisico, niet verantwoord was haar over te dragen aan Frankrijk.

2.4.    De rechtbank heeft deze beroepsgrond ten onrechte niet, met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, als een beroep op het arrest C.K. aangemerkt. Zij heeft zich in de bestreden overweging beperkt tot de vraag of de staatssecretaris ten aanzien van de rechtsbescherming en medische voorzieningen in Frankrijk terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarmee heeft zij niet onderkend dat het Hof in het arrest C.K. voor recht heeft verklaard dat, zelfs indien niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, een asielzoeker slechts kan worden overgedragen in het kader van de Dublinverordening in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.    Bij de toetsing van de rechtmatigheid van het besluit van 28 juli 2017 had de rechtbank dus moeten beoordelen of de gezondheidstoestand van de vreemdeling dermate slecht is dat ernstig moet worden gevreesd dat overdracht voor haar een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest zou inhouden.

    De grief slaagt reeds hierom.

3.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Wat de vreemdeling overigens in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 28 juli 2017 toetsen in het licht van de onder 2.3. weergegeven beroepsgrond.

3.1.    In het besluit van 28 juli 2017 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vraag of de vreemdeling al dan niet kan reizen niet meeweegt in het toetsingskader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en pas aan de orde is, indien de vreemdeling daadwerkelijk met overdracht wordt bedreigd. Verder heeft hij opgemerkt dat de vreemdeling tot op heden geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij een specialistische behandeling ondergaat. Ten slotte heeft hij erop gewezen dat krachtens artikel 32 van de Dublinverordening de relevante medische gegevens van de vreemdeling kunnen worden uitgewisseld met de verantwoordelijke lidstaat, zodat zij in Frankrijk verder kan worden behandeld. Gelet hierop is medisch onderzoek niet geïndiceerd en bestaat geen aanleiding het besluit uit te stellen, aldus de staatssecretaris.

3.2.    In hoger beroep heeft de vreemdeling brieven van een GZ-psycholoog van I-Psy van 11 september 2017 en 19 januari 2018 overgelegd.

    In de brief van 11 september 2017 staat dat de vreemdeling heeft verklaard een sterke angst te ervaren voor een overdracht aan Frankrijk, dat zij enkele weken geleden een suïcidepoging heeft ondernomen en dat zij eenmaal een overdosis medicatie heeft willen nemen, maar door een kennis is tegengehouden. Samenvattend lijkt sprake van een PTSS en een matige depressie. De onzekerheid over haar verblijfsstatus kan de klachten in stand houden dan wel doen verergeren, waarbij het risico op suïcide aanwezig blijft, aldus de GZ-psycholoog.

    In de brief van 19 januari 2018 staat dat de behandeling van de vreemdeling inmiddels is gestart. Het is van belang dat er continuïteit in de behandeling is, teneinde een vermindering van de klachten te bewerkstelligen. De huidige behandelaar spreekt de moedertaal van de vreemdeling. Het risico bestaat dat bij dreiging van uitzetting of terugkeer naar Frankrijk de klachten verergeren, evenals de suïcidale gedachten. De vreemdeling heeft thans een stabiel steunsysteem van enkele vrienden, dat kan voorkomen dat zij totaal geïsoleerd raakt, aldus de GZ-psycholoog.

3.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980), volgt uit het arrest C.K. dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Of dit het geval is, moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

3.4.    Gelet hierop heeft de staatssecretaris in het besluit van 28 juli 2017 ten onrechte volstaan met de motivering dat de vraag of de vreemdeling kan reizen pas bij een daadwerkelijke overdracht aan de orde is en dat haar medische gegevens kunnen worden uitgewisseld met Frankrijk. De vreemdeling moet het besluit om haar ondanks haar gezondheidstoestand aan Frankrijk over te dragen en de vraag of eventuele door de staatssecretaris te nemen voorzorgsmaatregelen volstaan, kunnen laten toetsen in de procedure over het overdrachtsbesluit en niet pas in een procedure tegen de feitelijke overdracht.

3.5.    Zoals de Afdeling eveneens in haar uitspraak van 3 november 2017 heeft overwogen, valt nooit met zekerheid vast te stellen of een asielzoeker uitvoering zal geven aan suïcidale gedachten. Het risico dat dit zich voordoet, kan slechts worden ingeschat. Die inschatting vergt een medische beoordeling die de staatssecretaris niet zelfstandig kan maken.

    In dit geval heeft de vreemdeling al in de zienswijze te kennen gegeven dat zij liever zelfmoord zou plegen dan terugkeren naar Frankrijk en dat zij haar behandelaar zou vragen in hoeverre een overdracht aan die lidstaat de behandeling zou frustreren dan wel zelfs een volledig averechts effect zou hebben op het verloop ervan. Hoewel zij voorafgaand aan het besluit nog geen medische documenten kon overleggen waaruit bleek dat een overdracht aan Frankrijk aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor haar gezondheidstoestand zou hebben, bleek uit de brief van de GZ-psycholoog van 12 juli 2017 voldoende duidelijk dat haar psychische klachten ernstig waren. De door de vreemdeling in hoger beroep overgelegde brieven van de GZ-psycholoog bevestigen de ernst van haar gezondheidssituatie en wijzen erop dat een overdracht aan Frankrijk aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor haar gezondheidstoestand zou kunnen hebben.

    Onder deze omstandigheden had de staatssecretaris, alvorens een overdrachtsbesluit te nemen, de vreemdeling de gelegenheid moeten geven nadere medische gegevens over te leggen. Indien deze gegevens daartoe aanleiding gaven, had hij nader medisch advies moeten inwinnen over de weerslag van een overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling en over eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen als bedoeld in punt 77 van het arrest C.K. Volgens punt 76 van het arrest C.K. staat het immers aan de autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling weg te nemen.

3.6.    Gelet op hetgeen onder 3.4. en 3.5. is overwogen, heeft de staatssecretaris het besluit van 28 juli 2017 onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

4.    Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

5.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 juli 2017 komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 augustus 2017 in zaak nr. NL17.6023;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 juli 2017, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

551.