Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:559

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201808716/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e actualisatie" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808716/2/R2.

Datum uitspraak: 21 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de Vereniging het Groene Hart Brabant, gevestigd te Boxtel,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e actualisatie" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de Vereniging beroep ingesteld. De Vereniging heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 januari 2019, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J.W.P. Lubberding en mr. J.M. van Gorp, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied van Sint-Michielsgestel dat in 2010 is vastgesteld. Voor een aantal locaties in het buitengebied wordt in het voorliggende plan een nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het verzoek van de Vereniging is gericht op schorsing van de plandelen die het bouwen van zogenoemde ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk maakt en tegen de planregeling voor parapluhooibergen.

3.    Voor zover de raad betoogt dat het beroep van de Vereniging één dag te laat is ingesteld, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is en reeds daarom het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het vastgestelde plan heeft van 21 september 2018 tot en met 1 november 2018 ter inzage gelegen. Het beroepschrift van de Vereniging is op 2 november 2018 bij de Afdeling ingekomen. Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb begint in dit geval de beroepstermijn één dag na de terinzagelegging en eindigde die termijn dus op 2 november 2018. Gelet hierop heeft de Vereniging tijdig beroep ingesteld en bestaat in zoverre geen reden om het verzoek af te wijzen.

4.    De Vereniging voert aan dat voor de ruimte-voor-ruimte woningen reeds in een eerder stadium planologische medewerking is toegezegd door het gemeentebestuur. Daardoor was de raad gehouden om die woningen in het voorliggende plan op te nemen en ontbreekt het mede daardoor aan een deugdelijke motivering dat die nieuwe woningen ook uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar zijn.

4.1.    Namens de raad is ter zitting toegelicht dat bij verzoeken om een ruimte-voor-ruimte woning in de eerste fase op ambtelijk niveau slechts wordt bezien of het initiatief haalbaar lijkt en bijvoorbeeld niet op voorhand afstuit op beleidsmatige bezwaren. Indien het initiatief haalbaar lijkt, moeten in de tweede fase leges worden betaald en vindt nader onderzoek plaats naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief. Daarna wordt door het college van burgemeester en wethouders besloten of aan de raad wordt voorgesteld om aan het initiatief mee te werken door middel van een herziening van het plan, maar dat dit besluit uiteindelijk door de raad wordt genomen. Daarbij is ter zitting de stelling van de Vereniging weersproken dat door de raad niet kritisch naar verzoeken om ruimte-voor-ruimte woningen zou worden gekeken. In dit verband wijst de raad erop dat bij de voorbereiding van het voorliggende plan slechts aan 7 van de 28 verzoeken om een ruimte-voor-ruimte woning medewerking is verleend.

4.2.    De voorzieningenrechter overweegt dat bij initiatieven voor ruimtelijke ontwikkelingen het niet ongebruikelijk is dat door het gemeentebestuur wordt meegedeeld of daaraan in beginsel wel of geen planologische medewerking kan worden verleend. Anders dan de Vereniging stelt, betekent een eventuele positieve houding ten opzichte van een initiatief niet dat de raad niet vrij is om uiteindelijk anders te besluiten. Vooralsnog volgt de voorzieningenrechter de Vereniging ook niet in het betoog dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ruimte-voor-ruimte woningen die in het plan zijn voorzien onvoldoende is onderbouwd, aangezien voor elke locatie een afzonderlijke bijlage bij de plantoelichting is gevoegd waarin een uitvoerige ruimtelijke onderbouwing is opgenomen.

5.    De Vereniging betoogt dat de ruimte-voor-ruimte regeling zoals die is opgenomen in artikel 6.8 en artikel 7.8 van de 'Verordening ruimte Noord-Brabant' (hierna: de Verordening), door de raad niet juist is toegepast. Kort samengevat leidt volgens de Vereniging het mogelijk maken van nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen in het plan tot verdere verstening van het buitengebied en vindt daarbij ten onrechte geen ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats. Deze beroepsgrond heeft de Vereniging toegespitst op negen plandelen, maar de voorzieningenrechter ziet - nu het betoog telkens vergelijkbaar is - geen noodzaak om deze percelen afzonderlijk te bespreken, afgezien van het plandeel dat ziet op het ongenummerde perceel op de hoek van de Zandstraat en Moleneind.

5.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat voor alle ruimtelijke ontwikkelingen waarin het plan voorziet, waaronder de ruimte-voor-ruimte woningen, uitvoerige ruimtelijke onderbouwingen zijn opgenomen in 17 bijlagen bij de plantoelichting. Daarin is voor elke locatie onder andere beoordeeld of de beoogde ontwikkeling voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de Verordening. Daarbij heeft de raad naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter met juistheid erop gewezen dat de vereiste ruimtelijke kwaliteitswinst bij ruimte-voor-ruimte woningen reeds elders in het buitengebied is behaald, omdat daar de bedrijfsgebouwen van gestaakte veehouderijen zijn afgebroken. Anders dan de Vereniging betoogt, hoeven de ruimte-voor-ruimte woningen zelf niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een ruimtelijke kwaliteitswinst. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op het laatste lid van zowel artikel 6.8 als artikel 7.8, waarin is bepaald dat artikel 3.2 van de Verordening - dat ziet op kwaliteitsverbetering van het landschap - niet van toepassing is op ruimte¬-voor-ruimte woningen. Dat toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling ertoe kan leiden dat in sommige gevallen bebouwing plaatsvindt van nu nog onbebouwde gronden in een bebouwingsconcentratie is inherent aan deze regeling, die daartoe de mogelijkheid biedt. Vooralsnog volgt de voorzieningenrechter de Vereniging dan ook niet in haar betoog dat de raad de ruimte-voor-ruimte regeling in zoverre onjuist heeft toegepast in het plan.

5.2.    Wat betreft de locatie op de hoek van de Zandstraat en Moleneind in Den Dungen, waar twee ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk worden gemaakt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Aan de omstandigheid dat in een eerdere procedure over het bestemmingsplan voor de eerste herziening van het buitengebied, ECLI:NL:RVS:2016:2331 (overweging 35.1), over het mogelijk maken van een andere ruimte-voor-ruimte woning aan de Zandstraat door de raad is meegedeeld dat dit een logische afronding van de kern van Den Dungen was, komt geen doorslaggevende betekenis toe. In dit verband heeft de raad gesteld dat in het verleden niet is toegezegd dat geen nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen meer zouden kunnen worden gerealiseerd in de bebouwingsconcentratie rondom de Zandstraat. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat die andere woning in de eerdere procedure tot het bebouwingslint van Den Dungen behoort en de voorliggende locatie tot het buitengebied en derhalve die eerdere stellingname nog steeds juist is.

    Daargelaten de vraag of de in het voorliggende plan opgenomen locatie op de hoek van de Zandstraat en Moleneind tot het bebouwingslint van Den Dungen behoort, overweegt de voorzieningenrechter dat door de Vereniging niet is weersproken dat dit bestreden plandeel binnen een bebouwingsconcentratie ligt als bedoeld in de Verordening. Derhalve is het niet in strijd met de Verordening om op deze locatie eveneens twee ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk te maken. De voorzieningenrechter volgt de Vereniging derhalve niet in haar betoog dat op dit punt de Verordening voor deze locatie door de raad onjuist is toegepast. Overigens is in de ruimtelijke onderbouwing die voor deze locatie is opgesteld ook bezien of de beoogde ontwikkeling uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is.

    Voorts verwacht de voorzieningenrechter niet dat door de Afdeling in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat dit plandeel in strijd is met de gemeentelijke 'Structuurvisie Buitengebied' uit 2011. In deze structuurvisie is door middel van zogenoemde 'landschapsvensters' op een kaart aangegeven welke gebieden onbebouwd dienen te blijven vanwege de bestaande zichtlijnen. Het perceel op de hoek van de Zandstraat en Moleneind ligt niet binnen een dergelijk landschapsvenster, zodat het toestaan van bebouwing in het plan op deze locatie niet in strijd is met die structuurvisie.

6.    De Vereniging betoogt dat de regeling in het plan voor parapluhooibergen tot ongewenste extra bebouwing in het buitengebied zal leiden. De raad heeft het oprichten van dergelijke hooibergen mogelijk gemaakt in het plan, omdat het behoud en het opnieuw mogen oprichten ervan cultuurhistorisch gezien van belang is. Daarbij geldt ingevolge de planregels dat die hooibergen niet meetellen voor de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en dat die hooibergen ook buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd.

    De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de bestreden planregeling voor parapluhooibergen te schorsen in afwachting van de bodemzaak. Hierbij is van belang dat deze hooibergen uitsluitend zijn toegestaan als daarvoor een specifieke aanduiding in de verbeelding is opgenomen. Deze hooibergen zijn dus niet overal toegestaan. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat ongeveer 30 tot 35 van die aanduidingen in de verbeelding zijn opgenomen, waarvan in 8 tot 10 gevallen voor bestaande parapluhooibergen. Het plan maakt derhalve ongeveer 20 tot 25 nieuwe parapluhooibergen mogelijk in het hele buitengebied van Sint-Michielsgestel. Ingevolge de planregels mag een parapluhooiberg een oppervlakte van maximaal 49 m2 hebben en mogen die niet worden uitgebreid. Gelet op het beperkte aantal hooibergen dat in het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt en gezien de beperkingen wat betreft de maatvoering en constructie die zijn opgenomen in de planregels, verwacht de voorzieningenrechter niet dat in de bodemzaak de Afdeling zal oordelen dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot vaststelling van de regeling voor parapluhooibergen.

7.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding om in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek wordt afgewezen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Vreugdenhil

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019

571.