Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
201806247/1/V3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen zijn feitelijke uitzetting gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2019/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806247/1/V3.

Datum uitspraak: 19 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 juli 2018 in zaak nr. 18/2078 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen zijn feitelijke uitzetting gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat, voor zover thans van belang, de aangevallen uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank ten onrechte is gedaan en ondertekend door een andere rechter dan de rechter die het beroep ter zitting heeft behandeld. Hij heeft geen toestemming gegeven de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid te vervangen door een andere rechter zonder dat een nieuwe behandeling ter zitting plaatsvindt, aldus de vreemdeling.

1.1.    De uitspraak van een enkelvoudige kamer dient, gelet op de artikelen 8:69, eerste lid, 8:77, eerste lid, aanhef en onder d, 8:77, derde lid, en 8:11, tweede lid, van de Awb, in onderlinge samenhang bezien, in beginsel te worden gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als partijen zijn ingelicht over de vervanging van deze rechter door een andere rechter en niet, in overeenstemming met artikel 8:57, eerste lid, van de Awb, hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht opnieuw ter zitting te worden gehoord (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8394).

1.2.    In het dossier bevindt zich de uitnodigingsbrief van de rechtbank van 24 mei 2018, waarin is vermeld dat mr. E. Hoekstra de rechter is die de zaak op 14 juni 2018 op de zitting zal behandelen. De uitspraak van 3 juli 2018 is echter gedaan en ondertekend door mr. G. Laman, rechter, en mr. P.C.J. Lindeijer, griffier.

    Er is geen proces-verbaal van de zitting van 14 juni 2018 in het dossier aanwezig, waaruit blijkt wie de rechter ter zitting is geweest. Weliswaar bevinden zich in het dossier handgeschreven aantekeningen van hetgeen ter zitting is voorgevallen, maar deze aantekeningen vermelden niet de naam van de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Bij brief van 7 december 2018 heeft de Afdeling de rechtbank verzocht om toezending van een proces-verbaal van de zitting van 14 juni 2018. Hierover heeft de Afdeling herhaaldelijk schriftelijk en telefonisch bij de rechtbank gerappelleerd. De rechtbank heeft op 8 januari 2019 telefonisch meegedeeld dat de griffier niet meer over de zittingsaantekeningen beschikt en daarom geen proces-verbaal van de zitting kan opstellen. Op 18 januari 2019 heeft de rechtbank desgevraagd telefonisch meegedeeld dat zij niet weet welke rechter de behandeling ter zitting heeft geleid.

1.3.    Gezien het voorgaande gaat de Afdeling ervan uit dat de uitspraak is gedaan en ondertekend door een andere rechter dan de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt voorts niet dat de rechtbank de vreemdeling heeft geïnformeerd dat mr. E. Hoekstra werd vervangen door mr. G. Laman, en hij daarom het recht heeft opnieuw ter zitting te worden gehoord indien hij verklaart dat hij daarvan gebruik wil maken. De uitspraak is dan ook in strijd met de onder 1.1 genoemde wettelijke bepalingen.

    De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Wat de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft, gelet op het vorenstaande, geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 juli 2018 in zaak nr. 18/2078;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019

551-839.