Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
201706116/1/V2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706116/1/V2.

Datum uitspraak: 19 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 juni 2017 in zaak nr. 16/19580 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft.

Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. van der Toorn, advocaat te Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven, voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

    Aanleiding

1.    Het asielrelaas van de vreemdeling houdt in dat hij in Afghanistan door [persoon A] is ontvoerd, dat deze hem toen heeft gedwongen om als Bacha Bazi voor hem te werken, dat hij vervolgens is teruggebracht naar zijn huis en dat hij daarna vijf maanden lang elke donderdag werd opgehaald om een nacht bij [persoon A] te verblijven. Bij [persoon A] moest hij als Bacha Bazi dansen. Daarbij werd hij gedrogeerd en seksueel misbruikt. Na vijf maanden moest hij een week lang bij [persoon A] blijven. Toen hij na die week terugkeerde naar huis heeft hij aan zijn moeder en grootvader, in bijzijn van meerdere buurtgenoten, opgebiecht dat hij een Bacha Bazi is. De buurtgenoten van de vreemdeling wilden hem vervolgens stenigen. Toen zij zich voor zijn woning hadden verzameld is de vreemdeling met hulp van zijn moeder ontsnapt naar zijn tante.

    De staatssecretaris acht het asielrelaas ongeloofwaardig. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling tegenstrijdig, vaag en bevreemdingwekkend verklaard over onder meer de ontvoering door [persoon A], over de gang van zaken rondom het gestelde misbruik en over de wijze waarop hij met hulp van zijn moeder uit zijn woning is ontsnapt. Het relaas van de vreemdeling past verder op een veelheid van punten niet in hetgeen over Bacha Bazi bekend is, aldus de staatssecretaris.

Oordeel rechtbank

2.    De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de staatssecretaris er niet ten onrechte op heeft gewezen dat het relaas van de vreemdeling niet strookt met algemene informatie over Bacha Bazi in Afghanistan. Zij heeft het standpunt van de staatssecretaris niettemin ondeugdelijk gemotiveerd geacht. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat in het rapport van het nader gehoor van 13 november 2015 staat dat de vreemdeling bij het doen van zijn vrije relaas begon te stotteren. Verder heeft de staatssecretaris zich bij het horen en/of het beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, onvoldoende rekenschap gegeven van de medische beperkingen die naar voren komen in het door de vreemdeling overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 1 mei 2017. Deze beperkingen hebben volgens het iMMO ten tijde van het nader gehoor zeker geïnterfereerd met het vermogen van de vreemdeling om te verklaren.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    In het eerste deel van de grief voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank, in aanmerking genomen het advies van 5 oktober 2015 van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (hierna: het FMMU-advies) en de wijze waarop het nader gehoor is verlopen, te vergaande conclusies heeft verbonden aan de omstandigheid dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor heeft gestotterd. Die omstandigheid is onvoldoende om niet langer uit te gaan van de verklaringen die de vreemdeling tijdens het nader gehoor heeft uitgebracht, aldus de staatssecretaris.

3.1.    In de uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, overwogen dat als uitgangspunt geldt dat de staatssecretaris en de bestuursrechter van de door de vreemdeling tijdens de gehoren afgelegde verklaringen mogen uitgaan. Daarvoor is wel onder meer vereist dat de gehoorambtenaar tijdens de gehoren rekening houdt met voor het horen relevante beperkingen zoals weergegeven in het in de desbetreffende zaak uitgebrachte FMMU-advies. Ook moet de gehoorambtenaar tijdens het horen alert blijven op signalen dat de vreemdeling niet in staat is zijn asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden. Verder is vereist dat uit de verslagen van de gehoren niet blijkt dat de vreemdeling onmiskenbaar niet in staat is geweest zijn asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden.

3.2.    In het FMMU-advies staat dat de vreemdeling kan worden gehoord en dat uit de bij hem geconstateerde medische klachten geen beperkingen voortvloeien die relevant zijn voor het horen of het beslissen.

    Voorafgaand aan het nader gehoor heeft de gehoormedewerker de vreemdeling gevraagd of hij in staat is het gehoor te laten plaatsvinden. Hierop heeft de vreemdeling bevestigend geantwoord. Verder heeft de gehoormedewerker de vreemdeling erop gewezen dat hij te kennen moet geven wanneer hij behoefte heeft aan een pauze. Van deze mogelijkheid heeft de vreemdeling tijdens het gehoor geen gebruik gemaakt. In het rapport van het nader gehoor wordt verder geen melding gemaakt van bijzonderheden, zoals bijvoorbeeld een emotionele reactie van de vreemdeling. Volgens het rapport van het nader gehoor heeft de gehoormedewerker de vreemdeling na afloop van het gehoor verder gevraagd of hij opmerkingen heeft over de manier waarop het gesprek is verlopen, en heeft de vreemdeling hierop ontkennend geantwoord. Ook de gemachtigde en de voogd van de vreemdeling, die aanwezig waren bij het gehoor, hebben tijdens het gehoor geen opmerkingen gemaakt over de wijze waarop het gehoor is verlopen. De gemachtigde heeft dit ook niet gedaan in de correcties en aanvullingen op het rapport van dat gehoor. In het licht van hetgeen in zoverre naar voren komt over het verloop van het nader gehoor, is de omstandigheid dat de vreemdeling tijdens het vrije relaas heeft gestotterd, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de vreemdeling onmiskenbaar niet in staat was zijn asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden. Die omstandigheid betekent daarom niet dat de staatssecretaris zich bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ten onrechte heeft gebaseerd op de verklaringen die de vreemdeling tijdens het nader gehoor heeft afgelegd.

    Het eerste deel van de grief slaagt.

4.    In het tweede deel van de grief betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de conclusie van het iMMO over het vermogen om te verklaren, geen afbreuk doet aan de tegenwerping dat de verklaringen van de vreemdeling op een aantal punten niet stroken met in openbare bronnen neergelegde informatie over Bacha Bazi.

4.1.    In voormelde uitspraak van 27 juni 2018 heeft de Afdeling verder onder meer overwogen dat, wanneer een vreemdeling een iMMO-rapport heeft ingebracht waarin op concludente en inzichtelijke wijze wordt gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, de staatssecretaris de conclusie uit dit rapport moet betrekken bij zijn beoordeling. De staatssecretaris kan niet aan deze conclusie voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Hiervoor is echter wel vereist dat uit het rapport blijkt dat de conclusie van het iMMO niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Als de staatssecretaris geen medisch deskundige inschakelt, en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie dus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, dient hij nader te motiveren waarom dit volgens hem het geval is. Daarbij geldt dat de conclusie van het iMMO over het vermogen van een vreemdeling om te verklaren, ziet op het vermogen om over details te verklaren. Verder hoeft deze conclusie van het iMMO de staatssecretaris er niet van te weerhouden elementen van een asielrelaas die op zichzelf onwaarschijnlijk zijn, ongeloofwaardig te achten.

4.2.    De staatssecretaris klaagt terecht dat dit laatste ook geldt voor elementen van een asielrelaas die niet stroken met algemene informatie die relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas, zoals in het geval van de vreemdeling algemene informatie over Bacha Bazi. De tegenwerping dat de verklaringen van de vreemdeling op een aantal punten niet overeenkomen met die informatie, wordt daarom niet aangetast door het door de vreemdeling overgelegde iMMO-rapport. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het tweede deel van de grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

6.    De vreemdeling heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond is, niet-ontvankelijk is of wordt ingetrokken. Nu het hoger beroep van de staatssecretaris, gelet op het voorgaande, kennelijk gegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.

Conclusie hoger beroepen

7.    De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 3 augustus 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Het beroep

8.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Volgens de vreemdeling heeft hij, anders dan de staatssecretaris stelt, niet tegenstrijdig, vaag en bevreemdingwekkend verklaard. Daar komt bij dat in het door hem overgelegde iMMO-rapport staat dat hij ten tijde van het nader gehoor last had van medische beperkingen die zeker hebben geïnterfereerd met zijn vermogen om te verklaren. De motivering van de staatssecretaris houdt ook om die reden geen stand, aldus de vreemdeling.

8.1.    Anders dan de vreemdeling aanvoert heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat bevreemdingwekkend is dat [persoon A] zelf naar de garage is gegaan waar de vreemdeling werkte, en hem daar zelf heeft ontvoerd. De vreemdeling heeft immers verklaard dat [persoon A] een machtige, hooggeplaatste politiefunctionaris is met connecties bij de Taliban, zodat het voor de hand had gelegen dat hij de vreemdeling door anderen zou hebben laten ontvoeren, bijvoorbeeld door [persoon B] en [persoon C], die beiden in dezelfde garage werkten en handlangers waren van [persoon A]. De stelling van de vreemdeling dat [persoon A] hem zelf heeft ontvoerd omdat hij hem wilde overhalen om vrijwillig mee te gaan, is niet te rijmen met de verklaring van de vreemdeling dat [persoon A] hem na aankomst in zijn huis direct met een pistool heeft bedreigd toen de vreemdeling vertelde dat hij naar huis wilde. Die stelling doet daarom niet af aan het standpunt van de staatssecretaris.

    In aanmerking genomen dat de vreemdeling stelt dat hij na de eerste ontvoering gedurende vijf maanden elke donderdag vanuit zijn eigen huis naar [persoon A] werd gebracht, heeft de staatssecretaris, anders dan de vreemdeling betoogt, niet ten onrechte in zijn nadeel meegewogen dat hij tijdens het nader gehoor niet heeft kunnen verklaren naar welke plaats hij elke donderdag werd gebracht. De stelling van de vreemdeling dat hij werd gedrogeerd als hij werd meegenomen en dat hij niet naar buiten mocht kijken terwijl hij werd vervoerd, doet niet af aan het standpunt van de staatssecretaris. Die stelling strookt immers niet met het feit dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor wel heeft kunnen verklaren dat zij richting Zardalu reden en dat zij tijdens de rit ook de rivier van Zardalu moesten oversteken. De stelling van de vreemdeling strookt verder ook niet met de in het beroepschrift gegeven aanvullende verklaring dat hij werd gebracht naar de plaats Barlah.

    In aanmerking genomen dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij gedurende zijn wekelijkse verblijf bij [persoon A] werd gedrogeerd en seksueel werd misbruikt, en in aanmerking genomen dat hij heeft verklaard dat hij wekelijks naar huis werd teruggebracht in een toestand dat hij zo misselijk was dat hij niet kon zien waar hij was, heeft de staatssecretaris, ander dan de vreemdeling betoogt, niet ten onrechte bevreemdingwekkend geacht dat de moeder en de grootvader van de vreemdeling vijf maanden lang niet hebben gemerkt dat er iets aan de hand was met de vreemdeling. Dat [persoon B] en [persoon C] tegen de moeder van de vreemdeling hebben gezegd dat hij elke donderdag bij [persoon C] ging studeren en logeren, doet hieraan niet af. Dat neemt immers niet weg dat de vreemdeling vijf maanden lang wekelijks thuiskwam in een toestand dat hij zo misselijk was dat hij niet goed kon zien, zonder dat zijn moeder of grootvader hiervan iets hebben gemerkt, en dat de impact van het seksueel misbruik op de vreemdeling gedurende al die tijd ook onopgemerkt is gebleven.

    Anders dan de vreemdeling verder aanvoert heeft de staatssecretaris niet ten onrechte bevreemdingwekkend geacht dat de vreemdeling, nadat hij op een gegeven moment een hele week gedwongen bij [persoon A] had verbleven, aan zijn moeder en grootvader heeft bekend dat hij een Bacha Bazi is. De vreemdeling heeft dat daarvoor immers vijf maanden lang stilgehouden uit angst voor represailles van [persoon A], terwijl [persoon A] ten tijde van de bekentenis nog steeds een bedreiging vormde. Daar komt bij dat [persoon B] en [persoon C], handlangers van [persoon A], erbij waren toen hij de bekentenis deed. Daarnaast waren ook alle buurtgenoten die zich in het huis van de vreemdeling bevonden getuige van de bekentenis. Ook dit bracht grote risico's met zich, nu die buurtgenoten volgens de vreemdeling zeer vijandig stonden tegenover Bacha Bazi. De gevaren die kennelijk kleefden aan de bekentenis zijn dusdanig groot, dat de staatssecretaris de vreemdeling niet ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn stelling dat hij zich tot die bekentenis gedwongen voelde omdat zijn moeder en zijn grootvader hem hebben geslagen.

8.2.    De in het iMMO-rapport neergelegde conclusie dat de vreemdeling ten tijde van het nader gehoor medische beperkingen had die zeker hebben geïnterfereerd met zijn vermogen om te verklaren, doet, in aanmerking genomen het hiervoor onder 4.1. weergegeven toetsingskader, geen afbreuk aan de hiervoor besproken tegenwerpingen. Hiervoor is redengevend dat de conclusie dat de vreemdeling niet in staat is gedetailleerd te verklaren over het seksueel misbruik, mede is gebaseerd op de aanname van het iMMO dat dit seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, zoals door de vreemdeling is verklaard. In zoverre is de conclusie van het iMMO niet inzichtelijk. De staatssecretaris heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de conclusie van het iMMO voor het overige niet in de weg staat aan het ongeloofwaardig achten van elementen van het asielrelaas die op zichzelf onwaarschijnlijk zijn, zoals de gestelde ontvoering door [persoon A], het maandenlang onopgemerkt blijven van het drogeren en het seksueel misbruik door [persoon A] en de bekentenis van de vreemdeling. Voorts geeft de conclusie van het iMMO-rapport geen verklaring voor het feit dat de vreemdeling niet weet naar welke plaats hij elke donderdag werd vervoerd. Die tegenwerping ziet immers niet op details maar op de hoofdlijnen van het asielrelaas.

8.3.    Met de hiervoor besproken argumenten heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Hierbij weegt de Afdeling mee dat de vreemdeling in zijn beroepschrift niet meer heeft gereageerd op de tegenwerping dat hij bevreemdingwekkend heeft verklaard over de wijze waarop hij met hulp van zijn moeder is ontsnapt aan de buurtgenoten die zich voor zijn woning hadden verzameld om hem te stenigen.

    De beroepsgrond faalt.

9.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek heeft verleend.

9.1.    In het door Bureau Medische Advisering uitgebrachte advies van 24 juni 2016 staat dat de vreemdeling medisch wordt behandeld, maar dat het stopzetten van deze behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De vreemdeling heeft weliswaar een verklaring van I-Psy Almere van 16 oktober 2018 overgelegd, maar daarin staat niet dat bij het stopzetten van de medische behandeling wél een medische noodsituatie zal ontstaan.

    De beroepsgrond faalt.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 juni 2017 in zaak nr. 16/19580;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Fernandez

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019

753.