Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:546

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804119/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:3831, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om een aanvulling van zijn standplaatsvergunning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804119/1/A3.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2018 in zaak nr. 17/6197 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om een aanvulling van zijn standplaatsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.B. Craanen, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, en het college, vertegenwoordigd door ing. S. Hardeveld Kleuver, J.A. Nieters en M. Jawad, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende] ter zitting gehoord.

Overwegingen

Juridisch kader

1.    De relevante bepalingen van de Marktverordening Teylingen 2007 en de Lijst artikelengroepen (branchering) voor de weekmarkten in Sassenheim en Voorhout, voor zover van belang, zijn vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] heeft sinds 2013 een vergunning voor een vaste standplaats op de weekmarkt in Sassenheim voor de verkoop van olijven.

Sinds de ingebruikname van de standplaats verkoopt hij echter ook onder meer tapas, ongebrande noten, sauzen, olijfolie, zuidvruchten, kruiden, Turkse en Libanese broden en salades. Hij heeft een verzoek bij het college ingediend om in de vergunning de vermelding van het te verkopen product ‘olijven’ aan te vullen met zijn feitelijke productaanbod, met name de door hem verkochte noten.

    Het college heeft aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat uit de bij besluit van 25 oktober 2016 vastgestelde, op 15 december 2016 in werking getreden Lijst artikelengroepen (branchering) voor de weekmarkten in Sassenheim en Voorhout (hierna: de brancheringslijst) volgt dat er op de markt één standplaats is voor ‘olijven' (buitenlandse salades, feta, olijven, etc.) en één standplaats voor ‘noten en zuidvruchten' (alle bewerkte en voor snackgebruik bedoelde soorten, bewerkt en onbewerkt, inclusief zoutjes). De vergunning voor de laatstgenoemde standplaats is reeds aan derdebelanghebbende verleend. Noten zijn geen branche-overschrijdende artikelen die tot het kernassortiment van diverse hoofdbranches behoren. [appellant] komt niet in aanmerking voor de verzochte aanvulling van zijn vergunning, aldus het college.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank met het oordeel dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld, heeft miskend dat hij al sinds de aanvang van de exploitatie van de standplaats zijn gehele huidige assortiment voert en dat de aan hem afgegeven standplaatsvergunning daar ook op ziet. Zijn productaanbod is in 2013 tot stand gekomen in overleg met de toenmalige marktmeester en met toepassing van de 10%-afwijkingsregel, een ongeschreven, in de praktijk toegepaste regel dat 10% van het assortiment mag bestaan uit ondergeschikte producten die niet vallen binnen de branchering waarvoor een standplaatsvergunning is verleend. Er was destijds geen beleid of brancheringslijst voor de indeling van de markt. Met het op 15 december 2016 in werking getreden brancheringbesluit is niet beoogd verandering in het bestaande productaanbod op de markt te brengen. Het college heeft zijn verzoek om vermelding van zijn totale productaanbod in de vergunning daarom ten onrechte als een verzoek om branche-uitbreiding aangemerkt.

    De door hem aangeboden onbewerkte noten komen veel voor in de mediterrane keuken en vormen een passende aanvulling op zijn overige assortiment, te meer omdat ze ook worden verwerkt in de door hem verkochte salades, tapas en smeersels. Deze noten verschillen van het assortiment van derdebelanghebbende, dat voornamelijk bestaat uit gezouten en gebrande noten, die veeleer als ongezonde snack zijn aan te merken. Derdebelanghebbende en hij hebben met hun assortiment dan ook niet dezelfde klantenkring. Bovendien kunnen onbewerkte noten tot het kernassortiment van zowel de aan derdebelanghebbende vergunde branche ‘noten en verduurzaamde zuidvruchten’ als de aan hem vergunde branche 'buitenlandse delicatessen’ behoren. Het zijn branche-overschrijdende artikelen, als bedoeld in het advies van de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (hierna: de CVAH) ‘Brancheren, maar dan?’ uit 2006, waarop het brancheringbesluit en de bestreden besluitvorming blijkens een e-mail van het college van 26 april 2017 mede zijn gebaseerd.

    De rechtbank heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verkoop van noten niet past binnen de 10%-afwijkingsregel. De rechtbank heeft hierbij ten onrechte van belang geacht dat, zoals de marktmeester ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard, bijna de helft van de kraam met noten is gevuld en dat hij ook nog Turks brood verkoopt, wat onder de branchering 'brood, koek en banket' valt. De 10%-afwijkingsregel ziet echter op het productaanbod en niet op de omzet. Bij een inventarisatie van zijn productaanbod die in het kader van een handhavingstraject heeft plaatsgehad, is vastgesteld dat het aanbod bestaat uit 168 producten, waarvan de broden en noten in totaal 15 producten uitmaken. Hiermee wordt binnen de marge van de 10%-afwijkingsregel gebleven, aldus [appellant].

Beoordeling door de Afdeling

3.1.    Zowel in de standplaatsvergunning van [appellant] van 3 januari 2013 als in de wegens een verandering van de rechtsvorm van zijn bedrijf aangepaste standplaatsvergunning van 12 juni 2013 staat vermeld dat de vergunning wordt verleend voor de verkoop van olijven.

    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] sinds de aanvang van de exploitatie van de standplaats ook andere producten dan olijven verkoopt niet meebrengt dat die producten binnen de vergunning vallen. Niet gebleken is dat op enig moment door of namens het college aan [appellant] is toegezegd dat hij op grond van de vergunning ook producten zoals noten mag verkopen. Integendeel, hij is er op gewezen dat dit hem niet is toegestaan. Uit het verslag van een informeel overleg tussen het college en [appellant] op 23 mei 2017 volgt dat [appellant] daar heeft verklaard dat de voormalige marktmeester aan hem heeft meegedeeld dat de verkoop van noten niet onder het bereik van de aan hem verleende standplaatsvergunning valt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] om in de standplaatsvergunning ook andere door hem aangeboden producten te vermelden terecht als een verzoek om uitbreiding van de aan hem vergunde branche heeft aangemerkt.

    Op 15 december 2016 is het brancheringbesluit in werking getreden. De daarin opgenomen brancheringslijst is in overleg met de marktondernemers vastgesteld en gebaseerd op de op dat moment verleende standplaatsvergunningen. Uit de brancheringslijst volgt dat er op de markt maximaal één standplaats is voor de branche ‘buitenlandse delicatessen’ (buitenlandse salades, feta, olijven, etc.) en maximaal één standplaats voor de branche ‘noten en (verduurzaamde) zuidvruchten' (alle gewerkte en voor snackgebruik bedoelde soorten, bewerkt en onbewerkt, incl. zoutjes). De standplaatsvergunning voor de eerstgenoemde branche is aan [appellant] verleend en die voor de laatstgenoemde branche aan derdebelanghebbende. Uit de brancheringslijst blijkt wat [appellant] op grond van de aan hem verleende standplaatsvergunning mag aanbieden.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat noten niet onder de branchering vallen waarvoor aan [appellant] vergunning is verleend. Zoals het college terecht heeft opgemerkt, volgt uit het feit dat in de brancheringslijst aparte branches zijn opgenomen voor buitenlandse delicatessen enerzijds en voor noten

- bewerkt en onbewerkt - anderzijds, dat noten geen branche-overstijgende producten als bedoeld in het door de CVAH in 2006 gepubliceerde advies zijn, die tot het kernassortiment van de aan [appellant] vergunde branche 'buitenlandse delicatessen’ kunnen behoren.

    Het college heeft uiteengezet dat op grond van de 10%-afwijkingsregel wordt gedoogd dat producten worden aangeboden die niet onder de standplaatsvergunning vallen of waarvan niet met zekerheid kan worden gezegd of deze onder de vergunning vallen. Zoals het college terecht naar voren heeft gebracht, is de 10%-afwijkingsregel slechts relevant in een handhavingstraject en dient deze niet als toetsingskader voor de aanvraag om aanpassing van de standplaatsvergunning, zodat de afwijkingsregel [appellant] niet kan baten bij zijn verzoek om branche-uitbreiding.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

598.

Marktverordening Teylingen 2007

Artikel 2 Inrichting van de markt; branche-indeling

[-]

2. Het college kan voor de markt vaststellen:

a. een lijst met artikelengroepen of branches;

b. een maximumaantal standplaatsen per branche.

Artikel 7 Inhoud vaste standplaatsvergunning

1. Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:

[-]

d. het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;

[-].

Lijst artikelengroepen (branchering) voor de weekmarkten in Sassenheim en Voorhout

Artikelengroepen en maximaal aantal standplaatsen per branche weekmarkt Sassenheim

[-]

6

[-]

15