Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201803726/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:2754, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft de minister het verzoek van [appellant] om inzage in dan wel afgifte van het screeningsdossier van de voormalige pleegouders van zijn zoon [naam zoon] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2019/23
Module Privacy & AVG 2019/2497
Module Privacy & AVG 2019/2709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803726/1/A3.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Landgraaf,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 maart 2018 in zaak nr. 17/159 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft de minister het verzoek van [appellant] om inzage in dan wel afgifte van het screeningsdossier van de voormalige pleegouders van zijn zoon [naam zoon] afgewezen.

Bij besluit van 5 december 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.W.J. Houben, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H. Werger, werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, zijn verschenen.

Overwegingen

Verzoek om inzage of afgifte van het screeningsdossier

1.    [zoon], geboren op [geboortedatum], heeft van 6 juni 2014 tot en met 3 april 2015 verbleven in een pleeggezin. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar concrete voorbeelden, dat zijn zoon slecht is behandeld in het pleeggezin en dat is gebleken dat de pleegouders niet geschikt waren. Pas na veel meldingen zijn met spoed alle kinderen uit dit pleeggezin verwijderd. [appellant] betwijfelt of, voorafgaand aan de plaatsing van [zoon] in dit gezin, wel de benodigde screening heeft plaatsgevonden en zo ja, of deze screening wel zorgvuldig is geweest. Daarom heeft hij verzocht om inzage in dan wel afgifte van het screeningsdossier van de voormalige pleegouders van zijn [zoon].

Afwijzing van het verzoek

2.    In het besluit van 24 juni 2016 staat dat [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) recht heeft op verstrekking van informatie die op hem of zijn zoon betrekking heeft. Hierin staat verder dat de minister het screeningsdossier nauwkeurig bestudeerd heeft en heeft geconcludeerd dat hierin geen informatie over [appellant] of zijn zoon voorkomt. Daarom heeft de minister het verzoek afgewezen. De minister heeft deze afwijzing bij het besluit op bezwaar gehandhaafd.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft als volgt overwogen:

"Gebleken is dat eiser kennis wil nemen van de inhoud van het screeningsdossier van de voormalige pleegouders van zijn zoon. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de Wbp - eiser niet in aanmerking komt voor deze gegevens, want gegevens over deze pleegouders zijn geen stukken hem betreffende. Verweerder mag het gevraagde screeningsrapport, welk rapport alleen gaat over anderen, niet aan eiser verstrekken. Eiser kan alleen maar gegevens inzien, waarin hijzelf dan wel zijn (minderjarige) zoon voorkomen. Dat is hier niet het geval. "

Het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt primair dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp. Volgens [appellant] gaat het om een verzoek op grond van artikel 7.3.10 in samenhang met 7.3.2 van de Jeugdwet. Subsidiair voert [appellant] aan dat zijn zoon tien maanden in het pleeggezin heeft verbleven zodat het screeningsdossier van de pleegouders ook "hem betreffende" gegevens in de zin van artikel 35 van de Wbp zijn.

4.1.    Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij wil controleren of de vereiste zorgvuldigheid is betracht bij de screening van dit pleeggezin en zodat hij te weten komt wat er met zijn zoon is gebeurd omdat deze nog ernstige psychische gevolgen ervaart en daarvoor onder behandeling is bij een psychiater. Ter zitting is in dit verband ook gesproken over andere mogelijkheden tot beperkte informatievoorziening over deze onderwerpen door de Raad voor de Kinderbescherming, zo nodig met inschakeling van de behandelend psychiater van de zoon. De Raad voor de Kinderbescherming verklaarde zich bereid daarover met [appellant] in gesprek te treden.

    De Afdeling merkt daarover op dat deze mogelijkheden tot een voor [appellant] bevredigend resultaat zouden kunnen leiden, maar in deze zaak niet ter beoordeling voor liggen. Het oordeel hierover is derhalve beperkt tot de toepassing van de genoemde wettelijke bepalingen uit de Jeugdwet en de Wbp.

Het wettelijke kader

5.     Op 25 mei 2018 is de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming in werking getreden. Ingevolge artikel 51 van deze wet is de Wbp toen ingetrokken. In dit geding dient evenwel nog te worden getoetst aan de bepalingen uit de Wbp zoals die luidden ten tijde van het besluit van 5 december 2016.

6.    Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan deel uit.

Beoordeling van het hoger beroep: de Jeugdwet

7.    Een verzoek op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dient, in samenhang bezien met artikel 7.3.1, te worden gericht aan een jeugdhulpverlener dan wel een gecertificeerde instelling. [appellant] heeft zijn verzoek gericht aan de Raad voor de Kinderbescherming die namens de minister heeft besloten op het verzoek. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek van [appellant] aan de Raad voor de Kinderbescherming terecht is opgevat als een verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp, reeds omdat de door [appellant] genoemde artikelen niet van toepassing zijn op de Raad voor de Kinderbescherming.

    Het betoog faalt.

Beoordeling van het hoger beroep: artikel 35 van de Wbp

8.    Het betoog van [appellant] dat het gevraagde screeningsdossier persoonsgegevens in de zin van de Wbp bevat over de zoon van [appellant] omdat deze tien maanden bij de betreffende pleegouders heeft gewoond, faalt. In het besluit van 24 juni 2016 staat de algemene werkwijze beschreven bij de screening van beoogde pleegouders. Hierbij staan ook de gegevens beschreven die in een screeningsdossier worden opgenomen. Hieruit volgt dat een screeningsdossier informatie bevat over de beoogde pleegouders. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp moeten alle gegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon als persoonsgegevens worden beschouwd (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50). Gegevens van pleegouders verschaffen informatie over identificeerbare natuurlijke personen, namelijk de pleegouders en zijn daarom hen betreffende persoonsgegevens. Deze gegevens verschaffen geen informatie over het beoogde pleegkind, zoals in dit geval [zoon], en zijn daarom geen hem betreffende persoonsgegevens in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wbp. Dat hij tien maanden bij deze pleegouders heeft gewoond, maakt niet dat deze gegevens daarmee hem betreffende gegevens zijn geworden.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

317.

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

[…]

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Artikel 45

Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 gelden voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Jeugdwet

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

- gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

- jeugdhulp:

1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,

met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;

- jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent;

Artikel 7.3.1

1. Hetgeen in deze paragraaf, met uitzondering van de artikelen 7.3.4, 7.3.5, 7.3.6 en 7.3.16, is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpverlener is van overeenkomstige toepassing op de medewerker van de gecertificeerde instelling, met dien verstande dat voor «jeugdhulp» of «verlening van jeugdhulp» wordt gelezen «uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering».

Artikel 7.3.10

De jeugdhulpverlener verstrekt aan de betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier, of delen daarvan. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De jeugdhulpverlener kan voor de verstrekking van het afschrift een vergoeding verlangen overeenkomstig artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens.