Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201710291/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het college het verzoek van TIS om aanwijzing als inzamelaar van textiel afgewezen. Daarbij heeft het college TIS gemaand om de kledingcontainer op het perceel Nijverheidsweg 5b te Aalten, vóór 1 juni 2017 te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710291/1/A1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Textiel Inzamel Service, gevestigd te Renkum, (hierna: TIS),

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het college het verzoek van TIS om aanwijzing als inzamelaar van textiel afgewezen. Daarbij heeft het college TIS gemaand om de kledingcontainer op het perceel Nijverheidsweg 5b te Aalten, vóór 1 juni 2017 te verwijderen.

Bij besluit van 10 oktober 2017 heeft het college het door TIS hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft TIS beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201709533/1/A1 ter zitting behandeld op 5 september 2018, waar TIS, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door J. ten Klooster, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

    1.    TIS heeft bij de Christelijke Muziekschool De Eendracht aan de Nijverheidsweg 5B een kledingcontainer geplaatst, waarin leden of bezoekers van de Eendracht gebruikte kleding en schoeisel kunnen deponeren. Het college heeft in maart en april 2017 TIS gesommeerd deze container te verwijderen, omdat zonder een daartoe vereiste vergunning of aanwijzing, als bedoeld in de Afvalstoffenverordening, textiel wordt ingezameld. Vervolgens heeft TIS bij brief van 26 april 2017 het college verzocht om te worden aangewezen als inzamelaar van textiel.

    2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afvalstoffenverordening 2017 gemeente Aalten is het voor anderen dan de inzameldienst verboden om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders.

    Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder f, wordt textiel afzonderlijk ingezameld. Ingevolge artikel 8, derde lid, moet textiel afzonderlijk worden aangeboden.

    Ingevolge artikel 2 dient de Afvalstoffenverordening het belang van het beschermen van het milieu, inclusief een doelmatig beheer van afvalstoffen.

    Bij de aanwijzing van inzamelaars met toepassing van artikel 4 komt het college beleidsruimte toe.

    3.     Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet meer in geschil dat sprake is van het inzamelen van afvalstoffen, waarvoor een aanwijzing als inzamelaar als bedoeld in de Afvalstoffenverordening is vereist.

    TIS betoogt - kort samengevat - dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen zich verzet tegen de aanwijzing. Niet duidelijk is wat de toetsingscriteria zijn; er is geen gemeentelijk beleid. De door TIS gehanteerde inzamelmethode is efficiënt en effectief en gaat niet ten koste van andere inzamelaars. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande inzamelstructuur door de gevraagde aanwijzing wordt aangetast, aldus TIS.

    3.1.    Het college heeft de vergunning geweigerd omdat - kort samengevat - de inwoners van Aalten voldoende mogelijkheden hebben om het textiel af te geven, de beleidsdoelen met de bestaande inzamelstructuur ruimschoots worden gehaald en de inzamelmethode van TIS, die alleen is gericht op herdraagbare kleding, niet doelmatig is.

    3.2.    Het college heeft, naast de beleidsdoelen voor scheiding van huishoudelijk afval en het gemiddelde aantal kilogram restafval per inwoner, geen beleidscriteria vastgesteld, waaraan verzoeken om een aanwijzing als inzamelaar worden getoetst. Dit enkele feit maakt - anders dan TIS stelt - echter niet dat het besluit van 17 oktober 2017 ondeugdelijk is gemotiveerd of onzorgvuldig is voorbereid.

    In de huidige inzamelstructuur zijn door het college drie inzamelaars aangewezen voor de inzameling van textiel. Deze inzamelaars beheren in de gemeente 26 textielcontainers. Daarnaast hebben de inwoners van Aalten de mogelijkheid textiel af te geven bij tweedehandskleding- en kringloopwinkels en bij de huis-aan-huis-inzameling die vier maal per jaar plaatsvindt. De beleidsdoelen van het college houden in dat in 2020 75% van het huishoudelijk afval gescheiden wordt ingezameld en het restafval per inwoner maximaal 55 kg bedraagt. Deze doelen worden naar verwachting met de huidige inzamelstructuur ruimschoots gehaald. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwijzing van een extra inzamelaar uit een oogpunt van doelmatig beheer van afvalstoffen niet nodig is. Het college heeft bij zijn afweging verder in aanmerking kunnen nemen dat TIS zich alleen richt op het inzamelen van herdraagbare kleding. Het aanwijzen van TIS als inzamelaar zou betekenen dat de meest waardevolle stroom (de herdraagbare kleding) voor een deel uit het totale aanbod wordt gehaald, waardoor de huidige inzamelaars, die verplicht zijn om alle textiel in te nemen, worden benadeeld.

    Onder deze omstandigheden en gelet op de beleidsruimte die het college bij de aanwijzing van inzamelaars toekomt, heeft het college het verzoek van TIS om aanwijzing in redelijkheid kunnen afwijzen.

    Het betoog faalt.    

    4.    Voor zover het beroep mede is gericht tegen de aanschrijving om de kledingcontainer te verwijderen, overweegt de Afdeling dat TIS geen omstandigheden heeft aangevoerd, op grond waarvan het college van handhaving had behoren af te zien.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

190.