Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201701653/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1355, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 12 december 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Willeskop ten noorden van 64-68" te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701653/3/R2.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Montfoort,

2.    [appellant sub 2], wonend te Montfoort, en anderen,

en

1.    de raad van de gemeente Montfoort,

2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort,

verweerders,

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1355, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 12 december 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Willeskop ten noorden van 64-68" te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 september 2018 heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het bestemmingsplan "Willeskop ten noorden van 64-68" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben zienswijzen naar voren gebracht over het besluit van 25 september 2018.

De raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.    Gelet op overweging 8 van de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover dat is ingesteld door [persoon].

Bestemmingsplan

De tussenuitspraak

2.    In overweging 50 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet heeft onderzocht of het parkeren in geval van grote evenementen in de directe omgeving kan worden opgevangen en niet leidt tot parkeeroverlast en dit heeft doorgeschoven. Gelet op het feit dat het aantal dagen dat grote evenementen kunnen plaatsvinden niet is gelimiteerd en het aantal bezoekers niet is beperkt en dat gelet op de verleende licentie aannemelijk is dat dergelijke evenementen zullen plaatsvinden, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt of het mogelijk maken van grote evenementen in het plan uit het oogpunt van parkeerbelasting in de omgeving in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

     In overweging 51 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat abusievelijk op de verbeelding de aanduiding "parkeerterrein" ten onrechte niet is toegekend aan de gronden in het noordoosten van het plangebied langs de binnenrijbaan. De op deze locatie voorziene parkeerplaatsen zijn in aanmerking genomen bij het totale aantal van 31 parkeerplaatsen. De Afdeling heeft geoordeeld dat het plan in zoverre derhalve iets anders regelt dan is beoogd.

     In overweging 63 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het plan niet beschikt over een definitie van daghoreca. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013 gaat niet op omdat die zaak betrekking had op daghoreca gerelateerd aan een winkelcentrum. Ter zitting is namens WSR aangegeven dat de manege op avonden tot circa 22.00 uur is geopend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet hierop onvoldoende gemotiveerd dat de vrees van omwonenden voor onaanvaardbare overlast ten gevolge van de horeca ongegrond is.

2.1.    Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om alsnog door middel van een uit te voeren verkeersonderzoek inzichtelijk te maken en te motiveren of de planregeling uit het oogpunt van parkeerbelasting in geval (grote) evenementen plaatsvinden in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft een gewijzigde planregeling vast te stellen.

     Tevens heeft de Afdeling de raad opgedragen de aanduiding "parkeerterrein" toe te kennen aan de gronden in het noordoosten van het plangebied langs de binnenrijbaan.

     Ten slotte heeft de Afdeling de raad opgedragen voor de daghoreca alsnog een definitie op te nemen in de planregels dan wel te motiveren waarom de vrees van omwonenden voor onaanvaardbare overlast ten gevolge van de horeca ongegrond is.

Toetsingskader

3.    De relevante regelgeving en planregels waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen staan in de bijlage.

Het besluit van 12 december 2016

4.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 50, 51 en 63 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 12 december 2016 is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wetbestuursrecht (hierna: de Awb). De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen zijn gegrond. Het besluit van 12 december 2016 dient te worden vernietigd.

Het herstelbesluit

5.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het besluit van 25 september 2018 het plan opnieuw, gewijzigd, vastgesteld. De wijzigingen houden ten eerste in dat op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-tijdelijk parkeerterrein" is toegevoegd en artikel 3, lid 3.3.2 van de planregels is gewijzigd en daaraan onderdeel c is toegevoegd. Daarin is opgenomen dat het realiseren van tijdelijke parkeerplaatsen ten behoeve van evenementen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-tijdelijk parkeerterrein". Hiermee is aldus de raad voorzien in een planregeling waarbij in geval van (grote) hippische evenementen kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Ter onderbouwing dat dit mogelijk is op eigen terrein is een aanvullend verkeersonderzoek uitgevoerd door SVA Adviseurs van 26 juli 2018 (bijlage 11 van de plantoelichting).

     Voorts heeft de raad bij het besluit van 25 september 2018 op de verbeelding aan de gronden langs de binnenrijbaan in het noordoosten van het plangebied de aanduiding "parkeerterrein" toegekend.

     Verder heeft de raad bij het besluit van 25 september 2018 "daghoreca" geschrapt uit artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels. In artikel 1.32 is de definitie van "kantine" gewijzigd en omschreven als een ondergeschikte vorm van horeca, als onderdeel van de lokale bedrijfsvoering waar leden en bezoekers kunnen pauzeren en consumpties kunnen kopen. Tevens is daarin bepaald dat uitbating van de kantine niet is toegestaan als zelfstandig horecabedrijf en in de nachtperiode van

23.00-07.00 uur.

     Ten slotte heeft de raad bij het besluit van 25 september 2018 geconstateerd dat abusievelijk de aanduiding "parkeerterrein" niet geheel is toegekend aan de gronden die voorzien in een parkeerstrook langs de entree. In aanvulling op de wijzigingen die zijn doorgevoerd ten gevolge van de tussenuitspraak heeft de raad deze omissie hersteld met het herstelbesluit. De verbeelding is hierop aangepast.

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen tegen het herstelbesluit

6.    De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen worden, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het herstelbesluit.

7.    [appellant sub 1] en anderen betogen in hun zienswijze dat het plangebied niet op een veilige wijze kan worden ontsloten en daarom geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zij voeren daartoe aan dat de raad is uitgegaan van een aantal onjuiste aannames. [appellant sub 2] en anderen wijzen op hun eerder aangedragen beroepsgronden. Verder betogen [appellant sub 2] en anderen dat niet wordt voldaan aan de wateropgaaf omdat meer dan 50% van de oppervlakte wordt verhard zonder watercompensatie.

     In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat de gronden die [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd falen voor zover die betrekking hebben op het verkeer en de ontsluiting (overweging 44 en 45) en de watercompensatie (overweging 53 t/m 59).

     Niet kan worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de opdracht die is gegeven in de tussenuitspraak, een appellant nieuwe argumenten kan aanvoeren dan wel beroepsgronden kan herhalen ten einde te bewerkstellingen dat de rechter terugkomt op een in de eerdere uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Nu het herstelbesluit op deze punten niet is gewijzigd dienen de betogen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen voor zover zij op voornoemde aspecten betrekking hebben buiten inhoudelijke bespreking te blijven.

8.    Voor zover [appellant sub 1] en anderen in hun zienswijze betogen dat zij niet voldoende in de gelegenheid zijn geweest om het herstelbesluit inclusief de juiste verbeelding te kunnen raadplegen, overweegt de Afdeling als volgt. Het herstelbesluit is op 9 oktober 2018 overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gepubliceerd in de Staatscourant en op zowel de website www.ruimtelijkeplannen.nl als de gemeentelijke website geplaatst. Tevens zijn [appellant sub 1] en anderen op dezelfde dag in overeenstemming met artikel 3:43, eerste lid, van de Awb per brief op de hoogte gesteld van het herstelbesluit en de wijze van inzage van de stukken. Het betoog faalt.

9.    [appellant sub 1] en anderen betogen in hun zienswijze dat het plangebied in het herstelbesluit is verkleind en dat daardoor de verbeelding en de parkeeronderzoeken niet (meer) kloppen. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de bedrijfswoning in het herstelbesluit is komen te vervallen en de paardenboxen zijn voorzien aan de oostzijde van de manegehal en niet, zoals in het in 2015 vastgestelde bestemmingsplan, aan de westzijde. Als gevolg hiervan is de afstand tussen de paardenboxen en het bedrijf van Bolk, een van de appellanten, te klein en wordt niet meer aan de wettelijke richtafstand voldaan en is geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

     De Afdeling stelt het volgende vast. Blijkens de verbeelding bij het herstelbesluit is de omvang van het plangebied niet gewijzigd ten opzichte van het besluit van 12 december 2016, blijft het mogelijk om een bedrijfswoning op dezelfde locatie als voorzien in het besluit van 12 december 2016 te realiseren en is evenals in het besluit van 12 december 2016 en niet zoals [appellant sub 2] en anderen stellen dat uit 2015, voorzien in de komst van de paardenstallen aan de oostzijde van de manegehal. De betogen missen derhalve feitelijke grondslag.

10.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de overloop van parkeren op de verbeelding in geval van grote hippische evenementen niet is toegestaan.

     Op de verbeelding behorende bij het herstelbesluit zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als "Sport-Manege". Tevens is aan een gedeelte van de gronden de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-tijdelijk parkeerterrein" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels zijn de voor "Sport-Manege" aangewezen gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-tijdelijk parkeerterrein" bestemd voor een tijdelijk parkeerterrein ten behoeve van evenementen als bedoeld in artikel 1.33 van de planregels. Voorts staat in de specifieke gebruiksregels die zijn opgenomen in artikel 3, lid 3.3.2, onder c, van de planregels dat het realiseren van tijdelijke parkeerplaatsen ten behoeve van evenementen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-tijdelijk parkeerterrein". Het betoog faalt.

11.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat wanneer van de tijdelijke parkeerplaatsen zoals die zijn mogelijk gemaakt in het herstelbesluit gebruik zal worden gemaakt, deze zullen worden voorzien van enige vorm van verharding. Appellant wijst erop dat op grond van artikel 33.c van de planregels (lees artikel 3, lid 3.3.1, sub c) het aanbrengen van extra verharding niet is toegestaan, omdat daarmee het maximale percentage van 50% aan verharding van de oppervlakte van het bestemmingsvlak wordt overschreden.

     Ingevolge artikel 3, lid 3.3.1, aanhef en onder c, van de planregels wordt tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming in elk geval gerekend het aanbrengen van verharding voor zover dit meer dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak betreft. In tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 1] en anderen betogen, staat niet reeds vast dat met de realisatie van de tijdelijke parkeerplaatsen ten behoeve van evenementen zal worden voorzien in enig vorm van verharding. De raad heeft gesteld dat de West Stichtse Ruiters hebben aangegeven dat bij evenementen op gras zal worden geparkeerd. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk. Voor zover artikel 3, lid 3.3.1, onder c, van de planregels in de toekomst zal worden overtreden betreft dit een handhavingskwestie die thans niet aan de orde is. Het betoog faalt.

12.    Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen tegen het herstelbesluit ongegrond.

Omgevingsvergunning

13.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat aangezien het bestemmingsplan bepalend kan zijn voor de vraag of de omgevingsvergunning terecht is verleend, de beroepsgronden die tegen het desbetreffende besluit zijn gericht, pas in de einduitspraak zullen worden besproken.

13.1.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de bij het besluit van 13 januari 2017 door het college verleende omgevingsvergunning in strijd met het plan is verleend. Zij voeren daartoe aan dat er permanente parkeerplaatsen zijn vergund buiten gronden met de aanduiding "parkeerterrein" op gronden in het noordoosten van het plangebied langs de binnenrijbaan.

13.2.    De Afdeling stelt vast dat een omgevingsvergunning is gevraagd voor het bouwen van een manege met beheerderswoning en bijbehorende voorzieningen. Op de tekening behorende bij de omgevingsvergunning zijn de permanente parkeerplaatsen ook opgenomen op de gronden in het noordoosten van het plangebied langs de binnenrijbaan.

13.3.    De Afdeling is van oordeel dat de omgevingsvergunning niet in overeenstemming is met het bij besluit van 12 december 2016 vastgestelde bestemmingsplan "Willeskop ten noorden van 64-68" omdat, zoals in de tussenuitspraak is overwogen, abusievelijk op de verbeelding de aanduiding "parkeerterrein" ten onrechte niet is toegekend aan de gronden in het noordoosten van het plangebied langs de binnenrijbaan.

13.4.    Het beroep is gegrond, en het besluit van 13 januari 2017 moet worden vernietigd.

13.5.    De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit tot verlening van de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. De Afdeling is van oordeel dat de omgevingsvergunning in overeenstemming met het plan dat is vastgesteld bij het herstelbesluit is verleend omdat op de verbeelding alsnog de aanduiding "parkeerterrein" is toegekend aan de gronden in het noordoosten van het plangebied langs de binnenrijbaan. Gelet hierop zou het college niet tot een ander besluit zijn gekomen wanneer op grond van het herstelbesluit tot verlening van omgevingsvergunning zou zijn gekomen. De Afdeling ziet daarin aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Proceskosten

14.    De raad en het college dienen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen voor zover dat is ingesteld door [persoon] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, tegen het besluit van het de raad van Montfoort van 12 december 2016 waarbij het bestemmingsplan "Willekop ten noorden van 64-68" is vastgesteld en het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Montfoort van 13 januari 2017 waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een manege met beheerderswoning en bijbehorende voorzieningen gegrond;

III.    vernietigt het besluit van 12 december 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Willekop ten noorden van 64-68";

IV.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, tegen het besluit van de raad van Montfoort van 25 september 2018 waarbij het bestemmingsplan "Willekop ten noorden van 64-68" gewijzigd is vastgesteld ongegrond;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Montfoort van 13 januari 2017 waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een manege met beheerderswoning en bijbehorende voorzieningen geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Montfoort en het college van burgemeester en wethouders van Montfoort tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizend vierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Montfoort en het college van burgemeester en wethouders van Montfoort aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) en aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage € 333,00 (zegge: driehonderd drieëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat in beide gevallen bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Helder    w.g. Ouwehand

Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

224.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.8, derde lid, luidt:

"De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. […] In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen […] 3:43, 3:44 […] van toepassing."

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2 luidt:

"Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen."

Artikel 3:46 luidt:

"Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering."

Artikel 3:43, eerste lid, luidt:

"Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. […]"    

Artikel 6:19 luidt:

"1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

Planregels behorende bij het besluit van 25 september 2018

Artikel 1.32 kantine

"Een ondergeschikte vorm van horeca, als onderdeel van de lokale bedrijfsvoering waar leden en bezoekers kunnen pauzeren en consumpties kunnen kopen. Uitbating van de kantine is niet toegestaan

a. als zelfstandig horecabedrijf;

b. in de nachtperiode, van 23.00-07.00 uur."

1.33 manege

"Een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, horeca (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen, waarbij de te houden evenementen uitsluitend gericht mogen zijn op de hoofdactiviteit van de manege (te weten, het lesgeven in paardrijden en het houden van paarden en pony's); overige evenementen zijn niet toegestaan."

Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, luidt als volgt:

"De voor 'Sport - Manege' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

j. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk parkeerterrein': een tijdelijk parkeerterrein ten behoeve van evenementen als bedoeld in art. 1.33."

Artikel 3, lid 3.3.1., luidt als volgt:

"Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:

a. het in gebruik nemen en gebruik van gronden en bouwwerken als niet aan alle volgende voorwaarden is voldaan:1. de watercompensatie bedraagt tenminste 15% van het te verharden oppervlak;

2. watercompensatie wordt gerealiseerd voordat de verharding plaatsvindt;

3. watercompensatie vindt plaats in hetzelfde peilgebied als de verharding;

4. de landschappelijke inpassing (zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de toelichting en op de inrichtingstekening is aangegeven) gelijktijdig wordt gerealiseerd met de nieuwe bebouwing;

b. het realiseren van lichtmasten ter plaatse van de aanduidingen: 'specifieke bouwaanduiding - buitenrijbaan' en de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - paddocks en de 'specifieke bouwaanduiding - stapmolen en longeercirkel;

c. het aanbrengen van verharding voor zover dit meer dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak betreft.

d. het realiseren van emissiepunten op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1."

Artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels luidt als volgt:

"Parkeren binnen het plangebied

Met betrekking tot het gebruik van gronden ten behoeve van parkeren geldt het volgende:

a. er moet binnen het plangebied in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien;

b. het realiseren van permanente parkeerplaatsen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';

c. het realiseren van tijdelijke parkeerplaatsen ten behoeve van evenementen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - tijdelijk parkeerterrein'."