Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201805927/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2787, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 mei 2017 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om toevoeging in een asielzaak afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805927/1/A2.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 juni 2018 in zaak nr. 18/484 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2017 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om toevoeging in een asielzaak afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 1 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets en mr. C.W Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. De gemachtigde van [appellant] heeft een toevoeging gekregen onder het kenmerk 1HN4220 voor het verlenen van rechtsbijstand tijdens de behandeling van de asielaanvraag in de Dublinprocedure. Vervolgens heeft hij een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in de algemene asielprocedure.

Besluiten

2.    Bij het besluit van 5 mei 2017, gehandhaafd bij het besluit van 16 januari 2018, heeft de raad de gevraagde toevoeging geweigerd. De raad heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat de te verrichten werkzaamheden vallen onder toevoeging kenmerk 1HN4220. Volgens de raad gaat het om één rechtsbelang dan wel belangen die zo met elkaar samenhangen dat geen sprake is van een zelfstandig rechtsbelang. Met beide beroepen wordt beoogd om een verblijfsvergunning asiel te verkrijgen.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang, namelijk het verkrijgen van een Nederlandse verblijfsvergunning. In dit belang is het voorkomen van overdracht naar een ander land inbegrepen. Er is ook sprake van behandeling door eenzelfde instantie. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] kan worden toegegeven dat de asielprocedure en de Dublinprocedure twee verschillende procedures zijn, ieder met rechtsbescherming in twee instanties. Ook het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan deze procedures is verschillend. Het feitencomplex in de Dublinprocedure is minder omvattend dan het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de asielprocedure. Bij de Dublinprocedure gaat het louter om de vraag welk land de verantwoordelijkheid heeft over de asielzoeker. Dit betekent echter niet dat de asielprocedure een aparte toevoeging verdient. Als na de afdoening van de Dublinprocedure rechtsbijstand wordt verleend ten behoeve van een asielprocedure, dan merkt de raad de toevoeging aan als een toevoeging ten behoeve van de asielprocedure. Deze toevoeging heeft een hoger tarief. De uren die zijn gemaakt ten behoeve van de Dublinprocedure tellen mee in de hoeveelheid uren die de advocaat van [appellant] ter beschikking staan ten behoeve van de asielprocedure. Gelet op deze verklaring van de raad is de rechtbank van oordeel dat een aparte toevoeging niet nodig is.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij de Dublinprocedure en de asielprocedure sprake is van hetzelfde rechtsbelang. In de eerste procedure gaat het om voorkomen van overdracht en in de tweede procedure het verkrijgen van vergunning tot verblijf als vluchteling. Asielmotieven spelen in een Dublinprocedure geen rol net zomin als in een eventuele aanvraag asiel doorreis door een ander Dublinland bij de inhoudelijke toets van asielmotieven een rol speelt. Het begrip "belang" kan volgens [appellant] worden gedefinieerd als "de (feitelijke) omstandigheid dat er voor een persoon een mogelijk voordeel is verbonden aan een door het recht geregelde maatschappelijke verhouding." Ook volgens deze definitie moet worden geoordeeld dat het belang van het voorkomen van overdracht een ander belang is dan het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Verder heeft de rechtbank ten onrechte betekenis gehecht aan de omstandigheid dat sprake is van behandeling door dezelfde instantie.

    [appellant] voert voorts aan dat uit de Kenniswijzer, hoofdstuk 2, paragraaf 2.2 volgt dat sprake is van twee verschillende rechtsbelangen, nu beide beslissingen (overdracht of verblijfsvergunning) ieder afzonderlijk zelfstandige betekenis hebben. Voorts volgt daaruit dat als er daadwerkelijk sprake is van een afgescheiden inhoudelijke rechtsgang in de procedure, een aparte toevoeging kan worden verstrekt. De rechtbank oordeelt terecht dat er sprake is van twee verschillende procedures, waarmee ook vaststaat dat sprake is van een afgescheiden inhoudelijke rechtsgang. Dat er dan sprake is van behandeling door dezelfde instantie is niet van belang, aldus [appellant].

    [appellant] voert verder aan dat de rechtbank zich ten onrechte heeft afgevraagd of de tweede procedure nog wel een aparte vergoeding verdient. De rechtbank miskent hiermee het bestaan van het forfaitaire stelsel. Het toevoegings- en vergoedingenstelstel voor de algemene asielprocedure is geregeld in artikel 5a, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr), met daarin een indeling in drie fases zoals genoemd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000. De Dublinprocedure wordt in het Vb 2000 echter apart genoemd, omdat daarvoor een andere procedure geldt. Voor die procedure geldt ook een andere vergoeding, zoals genoemd in artikel 5a, vierde lid van het Bvr. Er is daarom duidelijk sprake van een structuur waarbij een vergoeding wordt verstrekt voor werkzaamheden in de Dublinprocedure, en een aparte vergoeding voor de verschillende fases van de algemene asielprocedure. Dit rechtvaardigt dan ook dat twee verschillende toevoegingen worden afgegeven. Door te bepalen dat de werkzaamheden voor de Dublinprocedure opgaan in de algemene asielprocedure wordt dit forfaitaire stelsel miskend, aldus [appellant].

4.1.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

4.2.    Uit artikel 5a van het Bvr volgt dat een rechtzoekende aanspraak heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand voor een procedure in het kader van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het betoog van [appellant] komt er in essentie op neer dat in het kader van de aanvraag twee procedures kunnen worden gevoerd, die elk een eigen karakter hebben en dat daarom voor elk van die procedures afzonderlijk aanspraak bestaat op vergoeding van de rechtsbijstand. Het standpunt van de raad komt er op neer dat er sprake is van één rechtsbelang met als beoogd resultaat het verkrijgen van een Nederlandse verblijfsvergunning asiel.

4.3.    Uit de omschrijving van artikel 1, onder b, onderdeel 2 van het Bvr volgt dat de procedure vanaf de indiening van de aanvraag tot en met één van de eindbeslissingen van de minister, genoemd in artikel 28, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), moet worden aangemerkt als één procedure. Hieruit volgt dat voor de toepassing van het Bvr de Dublinprocedure en de asielprocedure als één procedure moeten worden aangemerkt. De raad heeft hieruit terecht afgeleid dat het rechtsbelang kan worden omschreven als het verkrijgen van een Nederlandse asielvergunning. Het gaat om het verkrijgen van bescherming tegen vervolging in het land van herkomst. Een onderzoek dat plaatsvindt in het kader van een beoordeling als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 maakt deel uit van de voorbereiding van zodanige beslissing op de aanvraag. Indien dit onderzoek niet leidt tot een beslissing tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag wordt de procedure niet beëindigd, maar wordt de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag voortgezet volgens de in het Vb 2000 gegeven regels. Daarbij maakt het geen verschil of de minister aanvankelijk het vermoeden had dat de aanvraag niet in behandeling zou worden genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000 en om die reden eerst de in artikel 3.109c van het Vb 2000 geregelde procedure is gevolgd. Daarmee wordt het rechtsbelang, het verkrijgen van een bescherming tegen vervolging in het land van herkomst, niet gewijzigd. Dat ingevolge het Vb 2000 de Dublinprocedure en de algemene asielprocedure als twee procedures worden aangemerkt, betekent niet dat voor de toepassing van het Bvr moet worden uitgegaan van twee verschillende rechtsbelangen. Uit artikel 5a, vierde lid, van het Bvr kan evenmin worden afgeleid dat de Dublinprocedure enerzijds en de algemene (en eventueel de verlengde) asielprocedure anderzijds voor de toepassing van het Bvr 2000 als twee verschillende rechtsbelangen moeten worden aangemerkt. Het eerste lid van artikel 5a Bvr bevat regels over de hoogte van de vergoeding, indien de daarin genoemde procedurestappen zijn doorlopen, met een maximum van 12 punten. Het vierde lid stelt een vergoeding in afwijking van het eerste lid vast op vier punten, in het geval de minister de eindbeslissing heeft genomen om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

    Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank door zich af te vragen of de Dublinprocedure een aparte toevoeging verdient, niet het forfaitaire stelsel van het Bvr miskend. De Afdeling vat deze vraag op als een inleidende vraag op het oordeel dat in de regelgeving geen aparte aanspraak bestaat op vergoeding voor de Dublinprocedure.

4.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Lodder

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

17.

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 24, eerste lid

Het bestuur beslist op de aanvraag om een toevoeging ten behoeve van:

a. rechtsbijstand door een advocaat;

b. […];

c. […].

Artikel 28, eerste lid

Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag:

a. […];

b. betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging;

c. […];

d. […].

Artikel 32

De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Artikel 1, aanhef en onder b, onderdeel 2

In dit besluit wordt verstaan onder:

b. procedure:

2. de behandeling door de Minister voor Immigratie en Asiel van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000, waaronder mede wordt begrepen de aan de aanvraag voorafgaande termijn, bedoeld in artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Artikel 5

1. Aan een procedure wordt het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

2. Indien de procedure is beëindigd voordat de in artikel 1 bedoelde instantie uitspraak of tussenuitspraak heeft gedaan of een beslissing heeft genomen dan wel voordat de rechtsbijstandverlener een zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 heeft bijgewoond, zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Indien ten tijde van de beëindiging van de procedure uitsluitend een bestuursrechtelijke uitspraak over de proceskosten is gedaan, zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

4. In de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn de overige bepalingen van deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 5a

1. In afwijking van artikel 5, wordt aan een procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 een vergoeding toegekend van:

a. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in artikel 3.109 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde termijn tot en met het in artikel 3.113, derde lid, van dat besluit bedoelde ter kennis brengen van een afschrift van het verslag nader gehoor;

b. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde verstrekking van nadere gegevens tot en met het in artikel 3.114, eerste lid, van dat besluit bedoelde uitreiken of toezenden van het schriftelijk voornemen tot afwijzen;

c. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in artikel 3.114, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde zienswijze tot en met de in artikel 3.114, zesde lid, van dat besluit bedoelde bekendmaking van de beschikking.

2. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.116, eerste lid, onderdeel a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een aanvullende vergoeding wordt toegekend van twee punten.

3. De vergoeding op grond van het eerste lid wordt telkens met twee punten verlaagd, indien de in de onderdelen a, b of c van dat lid bedoelde rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk is verleend in de vorm van rechtshulp door een ander dan de toegevoegde rechtsbijstandverlener.

4. Indien de procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt beëindigd door de aanvraag niet in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onderdelen a, b, c of e van de Vreemdelingenwet 2000 wordt in afwijking van artikel 5, eerste en derde tot en met vijfde lid een vergoeding van vier punten toegekend.

5. […]

6. […]