Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201709984/4/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3061, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de uitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 27 september 2017, waarbij de raad het bestemmingsplan "Singelgrachtgarage Marnix" heeft vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709984/4/R1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Vrienden van de Singelgracht, gevestigd te Amsterdam (hierna: de stichting Singelgracht),

appellante,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3061, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de uitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van  27 september 2017, waarbij de raad het bestemmingsplan "Singelgrachtgarage Marnix" heeft vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 28 november 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Singelgrachtgarage Marnix" gewijzigd vastgesteld om daarmee het gebrek dat in de tussenuitspraak is geconstateerd te herstellen.

De stichting Singelgracht heeft beroep tegen dit besluit ingesteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan dat bij het besluit van 27 september 2017 is vastgesteld voorziet in een parkeergarage onder de Singelgracht in Amsterdam ten behoeve van minimaal 785 en maximaal 815 parkeerplaatsen. De in- en uitgang voor deze garage zal worden gerealiseerd in het Frederik Hendrikplantsoen.

Het beroep tegen het besluit van 27 september 2017

2.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat de raad het weliswaar noodzakelijk acht dat de bomenrij aan de Nassaukade behouden blijft, maar dat het plan niet in de weg staat aan een wijze van uitvoering waarbij die bomenrij niet behouden blijft. Vervolgens heeft de Afdeling in de tussenuitspraak de conclusie getrokken dat de raad ten onrechte niet publiekrechtelijk heeft geborgd dat bij realisatie van de parkeergarage de bomenrij aan de Nassaukade behouden blijft.

3.    Gelet op deze conclusie uit de tussenuitspraak ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 27 september 2017 in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep van de stichting Singelgracht is gegrond. Het besluit van 27 september 2017 dient te worden vernietigd, voor zover daarin niet is gewaarborgd dat bij realisatie van de parkeergarage de bomenrij aan de Nassaukade behouden blijft.

Het beroep tegen het besluit van 28 november 2018

4.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om het gebrek in het besluit te herstellen. Daarbij heeft de Afdeling opgemerkt dat de raad het besluit dient te wijzigen door alsnog, bijvoorbeeld bij wijze van voorwaardelijke verplichting, in de planregels te borgen dat de bomenrij aan de Nassaukade behouden blijft bij de realisatie van de parkeergarage.

5.    Om aan de opdracht uit de tussenuitspraak te voldoen, heeft de raad op de verbeelding de aanduiding "bomenrij" opgenomen ter hoogte van de Nassaukade. Verder heeft de raad in de planregels bij de bestemmingen "Groen", "Verkeer - 2" en "Water" een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

    De voorwaardelijke verplichting die behoort bij de bestemming "Groen" is neergelegd in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, sub b, van de planregels en luidt als volgt:

"Ter plaatse van de aanduiding "bomenrij" geldt het volgende: een omgevingsvergunning voor de bouw van een parkeergarage onder de Singelgracht met bijbehorende in- en uitritten, toegangsvoorzieningen en ventilatievoorzieningen zoals bedoeld onder 3.2.2 en 3.2.3 mag uitsluitend worden verleend als de bomen die zijn aangeduid als "te behouden bomen langs de Nassaukade met nummer" zoals aangegeven op Bijlage 4 Bomenrij Nassaukade niet hoeven te worden gekapt of verplaatst als gevolg van de bouw van de parkeergarage."

    De voorwaardelijke verplichting die behoort bij de bestemming "Verkeer - 2" is neergelegd in artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.2, sub d, van de planregels en luidt als volgt:

"Ter plaatse van de aanduiding "bomenrij" geldt het volgende: een omgevingsvergunning voor de bouw van een parkeergarage onder de Singelgracht met bijbehorende in- en uitritten, toegangsvoorzieningen en ventilatievoorzieningen mag uitsluitend worden verleend als de bomen die zijn aangeduid als "te behouden bomen langs de Nassaukade met nummer" zoals aangegeven op Bijlage 4 Bomenrij Nassaukade niet hoeven te worden gekapt of verplaatst als gevolg van de bouw van de parkeergarage."

    De voorwaardelijke verplichting die behoort bij de bestemming "Water" is neergelegd in artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, sub b, van de planregels en luidt als volgt:

"Ter plaatse van de aanduiding "bomenrij" geldt het volgende: een omgevingsvergunning voor de bouw van een parkeergarage onder de Singelgracht met bijbehorende in- en uitritten, toegangsvoorzieningen en ventilatievoorzieningen zoals bedoeld onder 6.2.2 sub a en d en 6.2.3 sub a en b mag uitsluitend worden verleend als de bomen die zijn aangeduid als "te behouden bomen langs de Nassaukade met nummer" zoals aangegeven op Bijlage 4 Bomenrij Nassaukade niet hoeven te worden gekapt of verplaatst als gevolg van de bouw van de parkeergarage."

6.    Het besluit van 28 november 2018 is een besluit tot wijziging van het oorspronkelijke bestreden besluit en is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van de stichting Singelgracht is van rechtswege gericht tegen het besluit van 28 november 2018. De Afdeling zal wat de stichting Singelgracht in haar beroepschrift tegen dat besluit naar voren heeft gebracht, aanmerken als de gronden van haar beroep van rechtswege.

7.    De stichting Singelgracht kan zich niet vinden in het gewijzigde plan. Volgens haar had de raad namelijk ook een voorwaardelijke verplichting moeten opnemen in het plan voor de bescherming van de bomenrij aan de Marnixkade.

8.    De Afdeling stelt vast dat de raad met het herstelbesluit heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Deze heeft immers betrekking op borging in het plan van het behoud van de bomenrij aan de Nassaukade bij realisatie van de parkeergarage. Het beroep van rechtswege van de stichting Singelgracht is niet gericht tegen dit onderdeel van het herstelbesluit. De stichting Singelgracht voert echter aan niet in te kunnen stemmen met de, in de ogen van de stichting te beperkte, wijze waarop de raad uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de tussenuitspraak. De raad had de keuze moeten maken om in het plan ook het behoud van de bomenrij aan de Marnixkade te borgen. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

     Uit het rapport "Analyse, visie en criteria op de inpassing van de voetgangersentrees en ventilatievoorziening", van 16 januari 2014, weergegeven als bijlage 15 van de plantoelichting, komt naar voren dat er een verschil in karakter is tussen de zogenaamde buitenzijde en de binnenzijde van de Singelgracht. De buitenzijde - de Nassaukade - heeft een duidelijk landschappelijk karakter en is behoorlijk eenduidig in vorm, gebruik en inrichting. Het profiel is breed en bestaat uit twee rijbanen, fietsstroken, een trottoir langs de gevels en locaties voor schuin parkeren aan de waterzijde. De dubbele bomenrijen bepalen het beeld van de buitenzijde. Aan de binnenzijde - ter plaatse van de Marnixkade - is blijkens het rapport sprake van een smal profiel dat is ingericht met een rijbaan, een trottoir langs de gevels en een enkele bomenrij met locaties voor langsparkeren aan de waterzijde. In het rapport wordt geconcludeerd dat, behalve door de weidsheid van de Singelgracht zelf, het karakter van de Singelgrachtzone vooral bepaald wordt door de dubbele en soms driedubbele bomenrij aan de buitenzijde.

    De Afdeling stelt vast dat de Marnixkade de binnenzijde van de Singelgracht betreft en dat daar geen dubbele, maar een enkele bomenrij aanwezig is. Aan de Nassaukade - de buitenzijde van de Singelgracht - is wel sprake van een dubbele bomenrij die bovendien (mede) bepalend is voor het karakter van de Singelgrachtzone. Gelet op deze verschillen heeft de raad, anders dan voor de bomenrij aan de Nassaukade, in redelijkheid geen ruimtelijke noodzaak aanwezig hoeven achten om een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen met het oog op het behouden van de bomenrij aan de Marnixkade.

    Het betoog faalt.

9.    Het beroep van rechtswege van de stichting Singelgracht tegen het besluit van 28 november 2018 is ongegrond.

Proceskosten

10.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. In dit verband wijst de Afdeling op het volgende.

    De stichting Singelgracht heeft in het proceskostenformulier dat zij heeft ingediend melding gemaakt van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door [persoon]. De Afdeling merkt hierover op dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) niet de mogelijkheid tot het toekennen biedt van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de proceshandelingen die in de bijlage van het Bpb zijn opgesomd. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkene(n) zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling. De Afdeling stelt vast dat [persoon] het oorspronkelijke beroepschrift, en overigens ook het tweede beroepschrift, niet heeft ingediend. Er kan geen vergoeding worden toegekend voor het beroepschrift dat de stichting Singelgracht zelf heeft ingediend, ook al zou dat met behulp van [persoon] zijn opgesteld.

    Verder heeft de stichting Singelgracht in het proceskostenformulier dat zij heeft ingediend verzocht om de reiskosten voor het bijwonen van de zitting te vergoeden voor drie personen. De Afdeling overweegt hierover dat in de regel slechts de reiskosten van één van de vertegenwoordigers in aanmerking komen voor vergoeding. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat in dit geval een uitzondering daarop moet worden gemaakt. Dit betekent dat de raad slechts de reiskosten van één van hen hoeft te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van de Stichting Vrienden van de Singelgracht tegen het besluit van 27 september 2017, waarbij de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Singelgrachtgarage Marnix" heeft vastgesteld, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 27 september 2017, waarbij de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Singelgrachtgarage Marnix" heeft vastgesteld, voor zover daarin niet is gewaarborgd dat bij realisatie van de parkeergarage de bomenrij aan de Nassaukade behouden blijft;

III.    verklaart het beroep van de Stichting Vrienden van de Singelgracht tegen het besluit van 28 november 2018, waarbij de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Singelgrachtgarage Marnix" gewijzigd heeft vastgesteld, ongegrond;

IV.     veroordeelt de raad van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van bij de Stichting Vrienden van de Singelgracht in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 29,57 (zegge: negenentwintig euro en zevenenvijftig cent);

V.     gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam aan de Stichting Vrienden van de Singelgracht het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Helder    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

418.