Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201802295/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Houthaven" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802295/1/R1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en anderen, wonend te Amsterdam,

2.    Erfgoedvereniging Bond Heemschut, gevestigd te Amsterdam,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Houthaven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en anderen en Erfgoedvereniging Bond Heemschut beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Vereniging Woonschepen Eigenaren Houthavens heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2018, waar [appellant sub 1A] en anderen, bij monde van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D], bijgestaan door [gemachtigde], Erfgoedvereniging Bond Heemschut, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. F. Arents en drs. J. Kamps, zijn verschenen. Voorts is Vereniging Woonschepen Eigenaren Houthavens, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan is een partiële herziening van het bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden", vastgesteld bij besluit van 23 april 2013. Vanwege bouwplannen nabij de Houthaven zijn in 2010 26 woonschepen tijdelijk verplaatst van de Houthaven naar de Oude Houthaven. Het plan "Spaarndammers en Zeehelden" voorziet niet in vaste ligplaatsen voor deze woonschepen, mede omdat destijds het idee was dat de verplaatsing van de woonschepen naar de Oude Houthaven tijdelijk zou zijn.

2.    Het onderhavige plan voorziet erin dat er alsnog vaste ligplaatsen in de Oude Houthaven worden gerealiseerd. Het gaat daarbij om 33 ligplaatsen voor woonschepen, pleziervaartuigen en één passagiersvaartuig.

3.    [appellant sub 1A] en anderen wonen nabij de Oude Houthaven en richten zich tegen de bestemming "Water". Zij vrezen onder meer voor een aantasting van de cultuurhistorische waarden van de Oude Houthaven. Erfgoedvereniging Bond Heemschut richt zich eveneens tegen het plandeel met de bestemming "Water" en voert onder meer aan dat de woonschepen die de in dit plan bestemde ligplaatsen innemen in de Oude Houthaven, niet voldoen aan de eisen uit de nota "Welstand op het water" (hierna: de welstandsnota), door de raad vastgesteld op 18 juli 2018.

Ontvankelijkheid

4.    De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1A] en anderen gedeeltelijk niet ontvankelijk is, omdat een deel van de indieners niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Daartoe stelt de raad dat hun woningen op een aanzienlijke afstand van het plangebied zijn gelegen, dan wel dat zij uitsluitend werken in de omliggende panden en derhalve geen van anderen te onderscheiden belang hebben.

4.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt als volgt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken".

    Artikel 8:1 van de Awb luidt als volgt:

"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter".

4.2.    De Afdeling stelt voorop dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat diegenen die in de bijlage bij het beroepschrift zijn genoemd en in de nabijheid van het plangebied werken, maar niet wonen, aangemerkt kunnen worden als ondersteuners van het beroep van [appellant sub 1A] en anderen en niet als mede-ondertekenaars van het beroep. De vraag of deze personen als belanghebbenden kunnen worden beschouwd, kan daarom onbesproken blijven.

    [appellant sub 1E], [appellant sub 1F] en [appellant sub 1G], die wonen aan onderscheidenlijk [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], behoren tot de partij die is aangeduid als [appellant sub 1A] en anderen. Zij wonen op een locatie op een afstand van ongeveer 400 m van het plangebied of meer. Niet is gebleken dat vanaf hun percelen zicht bestaat op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, is de genoemde afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Verder is bij de behandeling van de beroepen naar voren gekomen dat appellanten [appellant H] en [appellant I], die eveneens behoren tot de partij die is aangeduid als [appellant sub 1A] en anderen, niet woonachtig zijn in de nabijheid van het plangebied, maar eigenaren zijn van tweemasters die in het verleden in de Oude Houthaven hebben gelegen.

    [appellant sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant H] en [appellant I] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks het voorgaande een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De conclusie is derhalve dat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 1A] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant H] en [appellant I], is niet-ontvankelijk.

    De overige appellanten die behoren tot de partij die is aangeduid als [appellant sub 1A] en anderen wonen op een kortere afstand van het plangebied dan deze natuurlijke personen en zijn naar het oordeel van de Afdeling belanghebbende bij het besluit. Dit betekent dat wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Procedurele beroepsgronden

Behandeling zienswijze

6.    [appellant sub 1A] en anderen voeren aan dat de raad de naar voren gebrachte zienswijzen onvoldoende heeft behandeld. Erfgoedvereniging Bond Heemschut voert aan dat de door haar naar voren gebrachte zienswijze op meerdere punten, waaronder het betoog dat de woonschepen niet voldoen aan de welstandseisen, onbeantwoord is gebleven.

6.1.    De zienswijzen van [appellant sub 1A] en anderen en de Erfgoedvereniging Bond Heemschut zijn samengevat en van commentaar voorzien in de nota van zienswijzen. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Het betoog faalt.

Participatie

7.    [appellant sub 1A] en anderen voeren aan dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onvoldoende mogelijkheden zijn geboden tot participatie. Volgens [appellant sub 1A] en anderen zijn de aanpassingen die zijn gedaan als gevolg van de participatie marginaal, aangezien de aanpassingen niet strekken tot behoud van de cultuurhistorische waarden van de Oude Houthaven. In dit verband voeren [appellant sub 1A] en anderen aan dat burgerinitiatieven, zoals het Goud voor Hout-plan, vooruitlopend op de participatie, evenmin in behandeling zijn genomen.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de regels in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) is verlopen. Het bieden van mogelijkheden voor participatie maakt geen deel uit van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Het onvoldoende bieden van mogelijkheden voor participatie in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1A] en anderen dat burgerinitiatieven ten onrechte niet in behandeling zijn genomen, overweegt de Afdeling dat in het kader van de procedure tot vaststelling van het plan de mogelijkheid van burgerinitiatieven als zodanig niet aan de orde is. In dit verband ligt enkel ter toetsing voor of de raad de in de Wro en de Awb voorgeschreven procedure voor het vaststellen van een bestemmingsplan heeft nageleefd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1A] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan tot stand is gekomen in strijd met de procedurele regels die de Wro en de Awb geven voor het vaststellen van een bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

Bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden"

8.    [appellant sub 1A] en anderen voeren aan dat de naar voren gebrachte zienswijzen tegen het voorheen geldende bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden" niet inhoudelijk zijn behandeld. In dit verband betogen zij dat het verzoek van de 26 eigenaren van woonschepen om een vaste ligplaats te krijgen in de Oude Houthaven in de procedure van het bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden" meegenomen had moeten worden, en dat het verzoek in dat geval zou zijn afgewezen. Voorts betogen [appellant sub 1A] en anderen dat het bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden" - waar het plangebied deel van uit heeft gemaakt - zeer recent is vastgesteld en onherroepelijk is geworden en derhalve zwaarwegende argumenten aanwezig dienen te zijn om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor dit plangebied. Volgens hen ontbreken die zwaarwegende argumenten.

8.1.    De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen de keuze maken voor een andere planologische invulling van een gebied, die binnen de planperiode kan worden gerealiseerd.

    Uit de stukken is gebleken dat bij de beslissing om de ligplaatsen voor de woonschepen in het bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden" niet als zodanig te bestemmen, tevens een rol heeft gespeeld dat het Havenbedrijf Amsterdam in de Oude Houthaven de steigers nodig zei te hebben voor ligplaatsen voor binnenvaartschepen, charterschepen en dienstvaartuigen. De woonschepen uit de Houthaven zijn gelet daarop slechts tijdelijk verplaatst naar de Oude Houthaven. Het tijdelijke verblijf van de woonschepen in de Oude Houthaven is als gevolg van de crisis en de vertraging in de bouw herhaaldelijk verlengd, waarna verzocht is om de ligplaatsen voor de woonschepen als zodanig te bestemmen. Na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden" heeft het Havenbedrijf Amsterdam aangegeven de Oude Houthaven niet langer geschikt te achten voor ligplaatsen voor de binnenvaart en chartervaart. Dit in verband met de steeds groter wordende binnenvaartschepen alsook het gewijzigde karakter van de Oude Houthaven naar woongebied. De omstandigheid dat het bestemmingsplan "Spaarndammers en Zeehelden" nog maar recent was vastgesteld, staat niet aan deze handelwijze van de raad in de weg. Hierbij betrekt de Afdeling dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat reeds betrekkelijk kort na het vaststellen van een bestemmingsplan een nieuw plan wordt opgesteld. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1A] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om een nieuw plan vast te stellen voor het plangebied.

    Het betoog faalt.

Inhoudelijke beroepsgronden

Cultuurhistorische waarden

9.    [appellant sub 1A] en anderen en Erfgoedvereniging Bond Heemschut voeren aan dat het plan leidt tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden van de Oude Houthaven, zoals omschreven in het zogenoemde Goud voor Hout-plan. In dit verband betogen zij dat het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam (hierna: het BMA) heeft aangegeven dat de Oude Houthaven belangrijke cultuurhistorische waarden heeft. Volgens [appellant sub 1A] en anderen worden de cultuurhistorische waarden gevormd door de samenhang tussen de bouwwerken en het open water waar vracht- en charterschepen afmeerplaatsen hebben en kunnen manoeuvreren. Voorts betogen zij dat het plan is vastgesteld in strijd met het zogenoemde startdocument van 4 november 2014 en niet berust op een deugdelijke motivering. Erfgoedvereniging Bond Heemschut betoogt dat in de gemeentelijke cultuurhistorische analyse een advies over de verhouding tussen drijvende en varende schepen ontbreekt en de raad ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt bij welk aantal ligplaatsen voor woonschepen de cultuurhistorische waarden worden aangetast.

    Daarnaast staat volgens [appellant sub 1A] en anderen en Erfgoedvereniging Bond Heemschut niet vast dat kan worden voldaan aan het strengste welstandsniveau dat voor de Oude Houthaven is voorgeschreven op grond van de welstandsnota. In dit verband betogen zij dat de welstandsnota ten onrechte niet in procedure is gebracht alvorens het voorontwerpbestemmingsplan Oude Houthaven ter inzage werd gelegd. Voorts voeren zij aan dat de woonschepen onder het overgangsrecht van de welstandsnota vallen en daarom niet hoeven te voldoen aan de eisen in de welstandsnota, waardoor de intentie van de gemeente om voor de Oude Houthaven een streng welstandsregime te laten gelden, teniet wordt gedaan.

9.1.    Ingevolge artikel 1, lid 1.48, van de planregels wordt onder "woonschip" verstaan:

"een woonboot die herkenbaar is als een (van origine varend) schip en die al naar gelang het type schip, in elk geval is voorzien van originele kenmerken zoals een stuurhut, een roer, gangboorden, een luikenkap, een mast en zwaarden en die hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, inclusief ruimten ten behoeve van praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis."

    Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d tot en met f, van de planregels luidt:

"De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

d. ligplaatsen voor 7 woonschepen en pleziervaartuigen;

e. ligplaatsen voor 26 woonschepen en pleziervaartuigen uitsluitend ten behoeve van woonschipbewoners afkomstig uit de Houthaven, dan wel hun rechtsopvolgers;

f. ligplaats voor één passagiersvaartuig;[…]"

    Artikel 3, lid 3.3, onder a, b en onder c, van de planregels luidt:

"a. Het bevoegd gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het in lid 3.1 bepaalde, teneinde de lengte van de steigers met ten hoogste tien procent te vergroten.

b. Het bevoegd gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het in lid 3.1 bepaalde, teneinde aan het eind één van de steigers een steigerplein te realiseren van ten hoogste 150m2.

c. Het bevoegd gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het in lid 3.1 bepaalde, teneinde de breedte van de steigers met ten hoogste twintig procent te vergroten."

    Artikel 3, lid 3.5, van de planregels luidt:

"a. Het bevoegd gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het in lid 3.1 bepaalde, door ter plaatse tevens ligplaatsen toe te staan voor bedrijfsvaartuigen en passagiersvaartuigen zonder op- of afstapmogelijkheid.

b. Het bevoegd gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het in lid 3.1 bepaalde, door ter plaatse tevens ligplaatsen toe te staan voor woonschepen, mits het totaal aantal woonschepen niet meer wordt dan 33."

9.2.    In paragraaf 4.7.2 van de plantoelichting is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de in de Oude Houthaven aanwezige cultuurhistorische waarden. Hierin staat dat de cultuurhistorische waarden in het plangebied niet worden aangetast, in aanmerking genomen dat binnen het plangebied geen ligplaatsen zijn voorzien voor binnenvaartschepen die voor een korte duur aanmeren. Voorts wijst de raad erop dat het BMA heeft aangegeven dat er bezien vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen bezwaar tegen bestaat om binnen het plangebied te voorzien in permanente ligplaatsen voor woonschepen. Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat de binnen het plan voorziene steigers en woonschepen geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarden, teminder nu een deel van de thans bewoonde woonschepen in het verleden vracht van en naar de Oude Houthaven vervoerden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de cultuurhistorische waarden mede zijn geborgd, doordat op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d en onder e, en artikel 3, lid 3.5, onder b, van de planregels maximale aantallen ligplaatsen voor woonschepen gelden. Door middel van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.3, van de planregels kan uitsluitend de lengte en de breedte van de steigers worden vergroot en kan aan het eind van één van de steigers een zogenoemd steigerplein worden gerealiseerd. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1A] en anderen dat de cultuurhistorische waarden worden gevormd door het open water, heeft de raad toegelicht dat één van de steigers bestemd blijft voor de binnenvaart en gelet op artikel 1, lid 1.48, van de planregels, slechts van origine varende woonschepen zijn toegestaan en woonvaartuigen, woonarken en drijvende- of waterwoningen binnen het plangebied zijn uitgesloten. Om meer levendigheid binnen het plangebied te brengen worden met gebruikmaking van artikel 3, lid 3.5, onder a, van de planregels woonschepen die terugkeren naar de Houthaven vervangen door bedrijfsvaartuigen en passagiersvaartuigen. Wat betreft het betoog van Erfgoedvereniging Bond Heemschut dat de verhouding tussen drijvende en varende schepen ten onrechte niet inzichtelijk is gemaakt, heeft de raad toegelicht dat er nooit meer dan 34 schepen zijn toegestaan binnen het plangebied, zodat een beoordeling bij welk groter aantal woonschepen de cultuurhistorische waarden worden aangetast niet nodig is.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet tot een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische waarden in en om het plangebied zal leiden. Hierbij neemt de Afdeling in ogenschouw dat het BMA, in de brief van 1 maart 2016, heeft geconstateerd dat een hoeveelheid van 34 ligplaatsen geen verschil maakt voor de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied, aangezien met een zodanig beperkt aantal woonschepen en daarbij behorende omvang van steigers het water en het havenkarakter goed zichtbaar blijven. De omstandigheid dat de brief van BMA enigszins summier is, maakt niet dat de raad zijn standpunt niet mede daarop heeft mogen baseren.

    Ten aanzien van het betoog dat de woonschepen binnen het plangebied niet voldoen aan het op grond van de welstandsnota geldende strengste welstandniveau, overweegt de Afdeling als volgt. De Oude Houthaven is gelegen in een gebied dat in de welstandsnota is aangeduid als "stadshaven" en waarvoor het welstandsniveau "bijzonder" geldt. In de welstandsnota wordt opgemerkt dat het in dat geval gaat om woonschepen die zijn afgemeerd aan kades. Verder staat in de welstandsnota dat de woonschepen een bijdrage moeten leveren aan het beeld van de openbare ruimte en terughoudendheid is geboden voor zover het gaat om oevervoorzieningen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat mede gelet op de definitie van "woonschepen" in artikel 1, lid 1.48, van de planregels rekening is gehouden met de welstandseisen uit de welstandsnota. Voorts heeft de raad toegelicht dat er geen verplichting bestaat om bij strijdigheid van de bestaande woonschepen met de welstandsnota de woonschepen alsnog in overeenstemming met de welstandsnota te brengen. De raad heeft toegelicht dat de uiterlijke kwaliteit van nieuwe woonschepen wordt geborgd, doordat de welstandeisen uit de welstandsnota toegepast moeten worden bij de aanvraag om dergelijke omgevingsvergunningen. Bestaande woonschepen worden niet achteraf getoetst aan de welstandsnota, maar pas bij nieuwe aanvragen om omgevingsvergunningen voor het verbouwen van bestaande woonschepen of nieuwe woonschepen. In dit verband heeft de raad toegelicht dat bij nieuwe omgevingsvergunningen voor woonschepen de welstandseisen uit de welstandsnota reeds zijn toegepast en de welstandsnota voorziet in een regeling om op te treden tegen welstandsexcessen. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat er een invulling mogelijk is die voldoet aan het strengste welstandsniveau van de welstandsnota. Dat dit uitzondering lijdt voor bestaande legale situaties, hangt ermee samen dat een bestemmingsplan, voor zover hier van belang, gelet op de bepalingen van de Wro en het Bro niet kan bewerkstelligen dat vergunde situaties niet langer legaal zijn. Dat de welstandsnota niet in procedure is gebracht voordat het plan ter inzage werd gelegd, maakt dat niet anders.

    Het betoog faalt.

Alternatieven

10.    [appellant sub 1A] en anderen voeren aan dat de door omwonenden aangedragen alternatieven om een open en bedrijvige Oude Houthaven te realiseren waarbij de helft van het totaal aan woonschepen permanent ligplaats krijgt en de andere helft naar de Houthaven of een andere locatie terugkeert, ten onrechte niet door de raad zijn behandeld. Volgens [appellant sub 1A] en anderen blijft bij dit alternatief binnen de Oude Houthaven ruimte over voor het aanmeren van een charterschip en worden de maritieme waarden niet aangetast. Voorts voorziet het door de raad vastgestelde plan volgens hen ten onrechte niet in ligplaatsen voor charterschepen en berust het besluit van de raad om niet te voorzien in een ligplaats voor charterschepen niet op een deugdelijke motivering. Volgens [appellant sub 1A] en anderen kunnen woonschepen ook overlast veroorzaken en is overlast niet zonder meer een reden om geen planologische medewerking te verlenen, maar reden om handhavend op te treden.

10.1.    De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft toegelicht dat de alternatieven in beschouwing zijn genomen, aan de bestemmingen in het bestemmingsplan Oude Houthaven geen aanmerkelijke bezwaren kleven en de alternatieven niet tot een gelijkwaardig resultaat leiden. Voorts heeft de raad toegelicht dat de aangedragen alternatieven niet gevolgd kunnen worden, aangezien een gedwongen terugkeer van de woonschepen naar de Houthaven of een andere locatie na een dergelijke lange periode mede gelet op de rechtszekerheid van de bewoners van de woonschepen bezwaarlijk wordt bevonden. De Afdeling stelt vast dat de raad de door [appellant sub 1A] en anderen voorgestelde alternatieven bij de vaststelling van het besluit heeft betrokken. Gelet op de gegeven toelichting heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid niet voor de aangedragen alternatieven hoeven kiezen. Wat betreft het betoog dat het plan ten onrechte niet voorziet in ligplaatsen voor charterschepen die behoren tot de zogenoemde Bruine Vloot, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorzien in ligplaatsen voor dergelijke schepen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Hierbij betrekt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de aanwezigheid van een ligplaats voor charterschepen in het verleden overlast tot gevolg heeft gehad, onder andere in de vorm van geluidoverlast. De raad mocht zich mede gelet op de aard van de overlast op het standpunt stellen dat het de voorkeur verdient binnen het plangebied niet in een ligplaats voor charterschepen te voorzien. Elders in de Oude Houthaven, namelijk aan de Pontsteiger, is overigens wel een ligplaats voor de "Bruine Vloot" gecreëerd. Het betoog faalt.

Conclusie

11.    De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en anderen, voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant H] en [appellant I], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en anderen voor het overige en het beroep van Erfgoedvereniging Bond Heemschut ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Helder    w.g. Sparreboom

voorzitter    griffier   

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

195-889.