Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201801774/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:487, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen de koelprocessor op het achtererf van het pand aan de [locatie] in Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801774/1/A1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2018 in zaak nr. 17/3286 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen de koelprocessor op het achtererf van het pand aan de [locatie] in Den Haag.

Bij besluit van 23 maart 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gezamenlijk met zaak nr. 201801171/1/A3, behandeld op 20 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.F.P. Larive-Bonsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [exploitant] van [bedrijf], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [exploitant] exploiteert op het adres [locatie] [bedrijf]. [appellant] woont boven de onderneming. Bij brief van 6 juni 2016 heeft [appellant] het college verzocht om handhaving van het bestemmingsplan. Volgens [appellant] is de op het perceel onder zijn balkon aanwezige koelprocessor, die wordt gebruikt voor extra stroomvoorziening voor de apparatuur in de koffie- en ijssalon, niet toegestaan ingevolge het bestemmingsplan. [appellant] stelt dat zijn woon- en leefklimaat ernstig wordt aangetast door de geluidsoverlast die hij ondervindt van de koelprocessor en van de overige bedrijfsactiviteiten. Het college heeft dit verzoek om handhaving afgewezen. Het college heeft aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een overtreding van de planregels van het bestemmingsplan en dat het college daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Volgens het college laat de op het perceel rustende bestemming het gebruik voor horecadoeleinden toe, zowel in het pand als op het achtererf.

2.    De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek bij de aangevallen uitspraak in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het bestemmingsplan noch de daarbij behorende toelichting aanknopingspunten bieden voor de wijze waarop het begrip "begane grond" dient te worden uitgelegd en dat het college daarom aansluiting mocht zoeken bij de omschrijving van dit begrip in het ‘Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal’ (hierna: Dikke Van Dale). Omdat volgens de Dikke Van Dale onder "begane grond" wordt verstaan: de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet alleen op het bouwvlak, maar op het gehele perceel de functie "horeca" in de categorie licht van de staat van horeca-categorieën is toegestaan. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat het terras aan de zijkant van het pand in strijd is met de bestemming "Verkeer", heeft de rechtbank overwogen dat dit niet is gebleken. Volledigheidshalve merkt de rechtbank in dit verband op dat aan de zijde van de Van Nijenrodestraat zich voor het bouwvlak op het perceel een strook grond bevindt, waarop ook de aanduiding "h≤1" rust.

3.    Ingevolge het ter plaatse geleden bestemmingsplan "Benoordenhout" rust op het perceel de bestemming "Wonen" met de nadere functieaanduiding "horeca tot en met horecacategorie 1".

    Artikel 17.1 van de planregels luidt:

"De voor "Wonen-1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, één en ander met de daarbij behorende hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, aan-huis-gebonden bedrijven, aan-huis-gebonden beroepen, wegen, parkeerplaatsen, groen, water en overige voorzieningen."

    Artikel 17.4, onder d, luidt:

"ter plaatse van de aanduiding "h≤1" is op de begane grond tevens de functie "horeca" toegestaan in de categorie licht van de staat van horeca-categorieën;"

    Artikel 1.21 luidt: "In deze regels wordt verstaan onder bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van een onderbouw, kap of kapverdieping."

Omvang van het verzoek om handhaving

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn handhavingsverzoek ten onrechte heeft beperkt tot een verzoek om handhaving van het bestemmingsplan. Hij voert hiertoe aan dat hij ook heeft verzocht om handhaving van de geluidsnormen en om een integraal onderzoek naar de geluidsoverlast van de activiteiten en de apparatuur van de koffie- en ijssalon.

4.1.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het in de brief van 6 juni 2016 vervatte verzoek van [appellant] ook betrekking heeft op handhaving van de geluidsnormen en op het verrichten van een integraal onderzoek naar geluidsoverlast vanwege de bedrijfsactiviteiten van de koffie- en ijssalon. Gelet op de bewoordingen van het handhavingsverzoek kan dit niet anders worden begrepen dan een verzoek om op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het perceel. Het onderwerp van de brief van 6 juni 2016 is 'verzoek om handhaving bestemmingsplan' en in deze brief heeft [appellant] nadrukkelijk verzocht om handhaving van het bestemmingsplan. [appellant] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de op het achtererf aanwezige en in werking zijnde koelprocessor in strijd is met het bestemmingsplan, dat aan dit gedeelte van het perceel uitsluitend een woonfunctie heeft toegekend. Weliswaar heeft [appellant] ter onderbouwing van zijn verzoek te kennen gegeven dat hij door overtreding van de planregels geluidsoverlast ondervindt en verwijst hij daarbij tevens naar reeds eerder uitgevoerde geluidsonderzoeken van de Omgevingsdienst Haaglanden, maar dat betekent niet dat het handhavingsverzoek de door [appellant] gestelde strekking heeft.

Uit het handhavingsverzoek blijkt daarentegen juist dat [appellant] de eerdere geluidsonderzoeken alleen vermeldt, omdat hierin volgens hem ten onrechte niet het planologisch toetsingskader is gehanteerd, hetgeen het college volgens hem daarom alsnog dient te doen.

    Het betoog faalt.

Bevoegdheid handhaving

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de gronden rondom het op het perceel aanwezige pand plaats vindt in strijd met de daarop rustende bestemming. Hiertoe voert hij aan dat horeca-activiteiten ingevolge het bestemmingsplan uitsluitend zijn toegestaan op de begane grond en dat dit volgens het woordenboek van Van Dale de benedenverdieping is. Omdat het begrip verdieping en bouwlaag synoniemen van elkaar zijn, moet volgens [appellant] worden aangesloten bij de omschrijving van het begrip bouwlaag in het bestemmingsplan, hetgeen betekent dat dit een gedeelte van een gebouw is. Horeca-activiteiten mogen daarom niet buiten het pand plaats vinden, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat de exploitatie van een terras aan de zijkant van het pand in strijd is met de op dat deel van het perceel rustende bestemming "Verkeer-Verblijfsstraat" en dat de horecabestemming aan de achterzijde van het pand evenmin exploitatie van een terras toestaat.

5.1.    Bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en de plantoelichting voor de wijze waarop het begrip "begane grond" als bedoeld in artikel 17.4, onder d, van de planregels dient te worden uitgelegd, kon het college voor de betekenis van dit begrip aansluiting zoeken bij hetgeen in het algemeen gangbare spraakgebruik daaronder wordt verstaan. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college daarbij niet de betekenis zoals deze in de Dikke Van Dale is gegeven, mocht betrekken. Volgens de Dikke Van Dale wordt onder begane grond verstaan: "a. de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging" en "b. bouwkunde het gedeelte van een gebouw dat gelijk is met de natuurlijke oppervlakte van een terrein = parterre." Nu de aanduiding "h≤1" blijkens de verbeelding op het gehele perceel rust en niet alleen op het bouwvlak, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het begrip "begane grond" beperkt dient te worden uitgelegd in die zin dat het alleen ziet op de begane grond van een gebouw. Die uitleg zou immers betekenen dat de op het perceel rustende functie-aanduiding "h≤1" zonder betekenis is, voor zover die rust op gronden buiten het bouwvlak. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat op het gehele perceel de functie "horeca" in de categorie licht van de staat van horeca-categorieën is toegestaan. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de in verband met de exploitatie van de koffie- en ijssalon geplaatste koelcompressor binnen het bestemmingsplan past. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat op het achtererf een terras ten behoeve van de koffie- en ijssalon planologisch is toegestaan. Hetgeen [appellant] in dit kader heeft aangevoerd over de aanvaardbaarheid van een terras ziet op de verlening van een terrasvergunning ingevolge de APV en kan in deze procedure geen rol spelen, zodat de Afdeling niet toekomt aan bespreking daarvan. Dat de planwetgever bij het mogelijk maken van de horecafunctie op het perceel ten onrechte niet heeft onderzocht of voor de omwonenden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kon worden gegarandeerd, zoals [appellant] ter zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht, kan in deze procedure evenmin een rol spelen en diende in bestemmingsplanprocedure aan de orde te worden gesteld.

    De rechtbank heeft terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat het terras aan de zijkant van het pand in strijd is met de aldaar geldende bestemming "Verkeer-Verblijfsstraat". De overweging van de rechtbank dat aan de zijde van de Van Nijenrodestraat voor het bouwvlak op het perceel nog een strook grond bevindt, waar ook de woonbestemming rust met de aanduiding "h≤1", heeft [appellant] niet betwist. Voor zover [appellant] ter zitting van de Afdeling er op gewezen dat ook de strook grond aan de schuine voorzijde van het pand wordt gebruikt als terras en op deze strook niet de woonbestemming rust met de aanduiding "h≤1", overweegt de Afdeling dat [appellant] deze stelling niet heeft onderbouwd met bewijsstukken en dat ook anderszins niet is gebleken van dit gebruik.

    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de gronden rondom het op het perceel aanwezige pand in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit betekent dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

6.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn belangen, faalt evenzeer. Nu geen sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan en het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, diende het de college het verzoek af te wijzen en kon het de belangen van [appellant] niet in de besluitvorming betrekken.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

604.