Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804067/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2016 heeft het college aan Euraco B.V. (thans: Excerpt B.V.; hierna: Excerpt) omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van de parkeergarage op het perceel Spaarwaterstraat 186 te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804067/1/A1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2018 in zaak nr. 17/3859 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2016 heeft het college aan Euraco B.V. (thans: Excerpt B.V.; hierna: Excerpt) omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van de parkeergarage op het perceel Spaarwaterstraat 186 te Den Haag.

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2019, gevoegd met zaak nr. 2010804096/1/A1, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen. Ter zitting is tevens Excerpt, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. Smit, advocaat te Zoetermeer, gehoord. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 10 november 2014 heeft het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) aan Excerpt omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 24 woningen op het braakliggend terrein naast en ter plaatse van de te slopen bedrijfsruimte op het perceel Spaarwaterstraat 186.

    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Bezuidenhout". Ingevolge artikel 22 van de planregels rust op het perceel de bestemming "Wonen-2". Ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de 24 woningen gold ingevolge artikel 30, onder c, van de planregels een parkeernorm van, afgerond, 28 parkeerplaatsen. In de bestaande parkeergarage op het eigen terrein waren 31 parkeerplaatsen aanwezig. Het bouwplan voldeed derhalve aan de parkeernorm.

2.    Excerpt wil 23 van de gerealiseerde 32 parkeerplaatsen in de parkeergarage verhuren aan Total Nederland N.V., welk bedrijf is gesitueerd naast het perceel. Dit gebruik staat niet ten dienste van de op de gronden rustende woonbestemming. Het gebruik is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Om het gebruik mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

    [appellant] is één van de bewoners van de woningen die in 2014 zijn vergund. Hij is het niet eens met de verlening van de vergunning en heeft daartegen rechtsmiddelen aangewend.

3.    Het college is bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen. In geschil is of het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet voorbij kan worden gegaan aan de omstandigheid dat de procedure inzake de omgevingsvergunning voor de bouw van de 24 woningen niet transparant was en Excerpt in die procedure niet de waarheid heeft gesproken.

4.1.    In deze procedure ligt de rechtmatigheid van de bij besluit van 13 oktober 2016 verleende omgevingsvergunning ter beoordeling voor. Hetgeen zich heeft afgespeeld in de eerdere procedure kan, wat daar van zij, nu niet aan de orde komen.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan zijn betoog dat de wijziging van het gebruik van de garage niet ten koste kan gaan van de in 2014 vergunde inrichting van het binnenterrein. Hij voert daartoe aan dat uit de tekst van het besluit niet blijkt dat het binnenterrein anders zal worden ingericht. Hij voert verder aan dat voor de wijziging van het gebruik van de garage de inrichting van het binnenterrein niet hoeft te worden gewijzigd.

5.1.    Anders dan [appellant] stelt, blijkt, behalve uit de bij het besluit van 13 oktober 2016 behorende tekeningen, ook uit de tekst van het besluit dat de inrichting van het binnenterrein zal worden gewijzigd. In het besluit is immers uitdrukkelijk vermeld dat op het maaiveld parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd.

    Voor zover [appellant] met zijn stelling dat het voor de wijziging van het gebruik van de garage niet nodig is de inrichting van het binnenterrein te wijzigen, beoogt te stellen dat er alternatieven zijn, overweegt de Afdeling dat het college dient te beslissen aan de hand van de aanvraag zoals die is ingediend. Het bestaan van alternatieven kan slechts tot het onthouden van planologische medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich voordoet.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de wijziging van het gebruik van de garage tot gevolg heeft dat voor de bewoners van de 24 woningen onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Hij voert daartoe aan dat er voor de bewoners geen vier parkeerplaatsen in de parkeergarage beschikbaar zullen zijn.

6.1.    Uit de bij het besluit behorende tekening van het binnenterrein blijkt dat er achttien parkeerplaatsen op het binnenterrein en zes parkeerplaatsen op het dak van de parkeergarage beschikbaar zijn voor de bewoners. Dit heeft [appellant] niet bestreden. Uit de stukken blijkt voorts dat van de 32 parkeerplaatsen er negen niet aan Total worden verhuurd. Tetteroo, de directeur van Excerpt, heeft ter zitting van de Afdeling uitdrukkelijk bevestigd dat vier van die negen parkeerplaatsen voor de bewoners beschikbaar zijn. Dat enkele parkeerplaatsen mogelijk niet gebruikt kunnen worden in verband met een lekkage, doet niet af aan het feit dat er, naast de aan Total Nederland verhuurde parkeerplaatsen, nog voldoende parkeerplaatsen voor de bewoners in de garage beschikbaar zijn.

    De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat voldoende is gewaarborgd dat ook na de wijziging van het gebruik van de parkeergarage wordt voldaan aan de parkeernorm die gold ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de 24 woningen.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in de gestelde verslechtering van het leefklimaat van omwonenden geen reden heeft hoeven zien de omgevingsvergunning te weigeren. Hij voert daartoe aan dat met de wijziging van de inrichting de bewoners van het Spaarwaterhof worden gedupeerd. Volgens [appellant] zou het binnenterrein in de oorspronkelijke situatie worden ingericht als groen hofje met privacy voor de eigenaren van de woningen. Het groene karakter gaat nu verloren. Het college laat zich alleen leiden door de belangen van Excerpt, aldus [appellant].

7.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college, mede gelet op de in het besluit opgenomen berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit, toereikend heeft gemotiveerd waarom het leefklimaat, wat betreft de gestelde verslechtering van de luchtkwaliteit en de geluidsoverlast, niet in die mate wordt aangetast dat daarin grond is gelegen de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank heeft verder overwogen dat 92 extra voertuigbewegingen per dag niet een dermate grote toename zijn dat het college daaraan meer gewicht had moeten toekennen en de vergunning had moeten weigeren. Ook in de gestelde vermindering van privacy en veiligheid van de bewoners hoefde het college, aldus de rechtbank, geen aanleiding te zien om de belangenafweging anders te laten uitvallen. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de gebruikswijziging van de parkeergarage zal leiden tot een onevenredige vermindering van privacy en veiligheid. Voorts is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de omliggende woningen als gevolg van de verleende omgevingsvergunning vermindert.

    Hoewel in de in 2014 vergunde situatie het binnenterrein zou worden ingericht als groen hofje en een dergelijke inrichting voor de bewoners van de omliggende woningen aantrekkelijker is dan een binnenterrein met parkeerplaatsen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college, gelet op de door hem gegeven motivering, in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. Hij voert daartoe aan dat de Vereniging van Eigenaren geen toestemming aan Excerpt heeft gegeven om de inrichting van het binnenterrein te wijzigen en een toegang tot het perceel van Total Nederland te realiseren.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1274, is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

    Het is niet duidelijk of de Vereniging van Eigenaren bevoegdheden heeft ten aanzien van het binnenterrein. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering in vorenbedoelde zin.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

473.