Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804181/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:1250, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2013 voor [appellant] definitief vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804181/1/A2.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 april 2018 in zaak nr. 17/4160 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2013 voor [appellant] definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2013 voor [appellant] wederom vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget over 2013 voor [appellant] definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 januari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag over 2013 voor [appellant] opnieuw vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 3 maart 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag over 2013 voor [appellant] herzien een vastgesteld op onderscheidenlijk € 945,00, nihil en € 1.701,00.

Bij besluit van 4 september 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] tegen de besluiten van 6 januari 2017 en 3 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de toeslagen over 2013 voor [appellant] vastgesteld op nihil.

Bij uitspraak van 4 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 september 2017 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2017 en het bezwaar tegen de nihilstelling van het kindgebonden budget in het besluit van 3 maart 2017 ongegrond is verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2017 niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen het besluit 3 maart 2017 voor zover vernietigd, eveneens

niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijk vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door

drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] en zijn [zoon], het kind van hem en zijn [echtgenote], hebben de Nederlandse nationaliteit. [appellant] heeft over 2013 huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft hem over 2013 geen voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget toegekend. Bij besluit van 31 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [appellant] over 2013 definitief vastgesteld op nihil. Op 8 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag wederom vastgesteld op nihil. Bij besluit van 12 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget over 2013 definitief vastgesteld op nihil. Aan vorenstaande besluitvorming heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] geen recht heeft op de toeslagen omdat zijn toeslagpartner, [echtgenote], niet rechtmatig in Nederland verblijft. Op 6 januari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] bericht dat nieuwe gegevens over 2013 zijn ontvangen en de eerdere definitieve berekening van de toeslagen aangepast. Er zijn gegevens hersteld die eerder niet goed waren verwerkt. De zorg- en huurtoeslag en het kindgebonden budget van [appellant] over 2013 zijn opnieuw vastgesteld op nihil. Nadat [appellant] tegen deze vaststelling bezwaar heeft gemaakt, heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 3 maart 2017 de zorgtoeslag over 2013 aangepast en vastgesteld op € 945,00 en de huurtoeslag over 2013 aangepast en vastgesteld op € 1.701,00. Het kindgebonden budget is niet veranderd en blijft nihil. Bij het besluit op bezwaar van 4 september 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2013 opnieuw herzien en vastgesteld op nihil. Het kindgebonden budget over 2013 is wederom niet veranderd en blijft nihil. Aan deze besluitvorming heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de toeslagpartner van [appellant], [echtgenote], in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2013 verblijfscode 98 had en deze code geen recht geeft op toeslagen.

Wettelijk kader

2.    De Wet op de zorgtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en de Wet op het kindgebonden budget zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Het toepasselijke wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Herhaalde besluitvorming

3.    De rechtbank heeft het besluit van 6 januari 2017 en het besluit van 3 maart 2017, voor zover dat laatste besluit betrekking heeft op het kindgebonden budget over 2013, als herhaalde besluiten aangemerkt, waartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Volgens de rechtbank roepen de besluiten geen andere rechtsgevolgen in het leven dan die van de besluiten van 31 juli 2015, 8 januari 2016 en 12 februari 2016 en is de onderbouwing van die besluiten gelijkluidend. De Belastingdienst/Toeslagen had het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 3 januari 2017 en het besluit van 3 maart 2017, voor zover dat laatste besluit betrekking heeft op het kindgebonden budget, niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus de rechtbank.

3.1.    [appellant] is het niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Hij wijst erop dat de hernieuwde nihilstelling is gebaseerd op nieuwe informatie die de Belastingdienst/Toeslagen heeft verkregen. Dit betekent volgens [appellant] dat er wel degelijk sprake is van besluitvorming gericht op rechtsgevolg. [appellant] betoogt dat de nieuwe informatie ook tot een andere uitkomst had kunnen leiden en hij daarom de daarop gebaseerde besluitvorming ter inhoudelijke toetsing aan de rechter moet kunnen voorleggen. Voorts is een rechtsmiddelenclausule opgenomen en heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door hem gemaakte bezwaar inhoudelijk beoordeeld.

3.2.    Zoals de rechtbank terecht, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3213, heeft overwogen, is een herhaald besluit slechts een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), indien het rechtsgevolgen in het leven roept die niet reeds door een eerder besluit teweeg waren gebracht. Nu de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 6 januari 2017, net als de besluiten van 31 juli 2015 en 12 februari 2016, de huur- en zorgtoeslag respectievelijk het kindgebonden budget over 2013 definitief heeft vastgesteld op nihil, strekte dit besluit er niet toe om nieuwe rechtsgevolgen tot stand te brengen. Dat is vermeld dat gegevens zijn hersteld die niet goed waren verwerkt, maakt dit niet anders. De enkele wijziging van de onderliggende gegevens heeft immers niet geleid tot wijziging van de grondslag van de nihilstelling, te weten het niet rechtmatige verblijf van de toeslagpartner van [appellant], [echtgenote]. Ook het besluit van 3 maart 2017, voor zover dat betrekking heeft op het kindgebonden budget, strekte er niet toe nieuwe rechtsgevolgen ten opzichte van het besluit van 12 februari 2016 tot stand te brengen. Voor het bepalen van het besluitkarakter is het al dan niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule niet van doorslaggevende betekenis. [appellant] wijst op analoge toepassing van de jurisprudentie inzake artikel 4:6 van de Awb, nu de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren inhoudelijk heeft behandeld. Volgens die jurisprudentie, toetst de bestuursrechter het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek als het bestuursorgaan die aanvraag of dat verzoek op inhoudelijke gronden heeft afgewezen. Nu de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren inhoudelijk heeft behandeld, had de rechtbank daarvan moeten uitgaan, aldus [appellant]. Een beslissing op een herhaalde aanvraag of een verzoek terug te komen van een besluit, is evenwel een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, ongeacht of het bestuursorgaan die aanvraag wel of niet inhoudelijk heeft behandeld. Van een beslissing op een herhaalde aanvraag of een verzoek terug te komen van een besluit is in onderhavig geval geen sprake. Dat de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren inhoudelijk heeft behandeld, laat onverlet dat de vraag of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb zijn grondslag vindt in de wet. De rechtbank toetst dit ambtshalve los van de standpunten van partijen daarover. De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, dan ook terecht geoordeeld dat het besluit van 6 januari 2017 en het besluit van 3 maart 2017, voor zover dat betrekking heeft op het kindgebonden budget, aangemerkt dienen te worden als herhaalde besluiten waartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

    Het betoog faalt.

Toepassing van artikel 21 van de Awir

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] bij besluit van 3 maart 2017 toegekende zorg- en huurtoeslag op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir bij het bestreden besluit kon herzien ten nadele van [appellant].

4.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Daartoe wijst [appellant] erop dat de Belastingdienst/Toeslagen geen gegevens heeft overgelegd op basis waarvan de toekenning van de zorg- en huurtoeslag bij besluit van 3 maart 2017 heeft plaatsgevonden. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de gegevens aangaande het verblijfsrecht van de partner van [appellant], die de Belastingdienst/Toeslagen op 24 februari 2017 heeft ontvangen en waarop de herziening bij besluit van 4 september 2017 is gebaseerd, feiten of omstandigheden betreffen waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning van 3 maart 2017 redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn.

4.2.    Uit de bijlage bij het verweerschrift blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen op 13 januari 2017 een melding uit de Basisregistratie personen (hierna: Brp) heeft ontvangen dat de verblijfstatus van de echtgenote van [appellant], [echtgenote], is gewijzigd. De dienst heeft toegelicht dat de toekenning van zorg- en huurtoeslag bij besluit van 3 maart 2017 daarop is gebaseerd. In de melding is bij "datum verblijfstatus" 18 oktober 2011 opgenomen en bij "datum einde verblijfstitel" 10 april 2017. Over de verblijfstatus is vermeld dat sprake is van rechtmatig verblijf op aanwijzing van de minister (code 43). De dienst heeft hieruit opgemaakt dat de echtgenote van [echtgenote] in 2013 rechtmatig verblijf had. Met de Belastingdienst/Toeslagen is de Afdeling van oordeel dat de datum die is opgenomen bij "datum verblijfsstatus" kan worden aangemerkt als de datum waarop de verblijfstatus is gewijzigd en niet als de begindatum van bekendheid bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), zoals [appellant] stelt. [appellant] wijst er nog op dat in een tweede melding van eveneens 13 januari 2017 bij de verblijfstatus van zijn echtgenote de datum 9 april 2010 is opgenomen en is vermeld dat geen sprake is meer van rechtmatig verblijf. Dit laat echter onverlet dat op 18 oktober 2011 alsnog rechtmatig verblijf kon zijn ontstaan. Beide meldingen staan aldus niet met elkaar op gespannen voet, zoals [appellant] betoogt. Dat uit een later overzicht van de IND zelf die de Belastingdienst/Toeslagen op 24 februari 2017 heeft ontvangen iets anders over de verblijfstatus van de echtgenote van [appellant] blijkt, doet aan het vorenstaande niet af, nu de meldingen van 13 januari 2017 uit de Brp afkomstig zijn en de dienst daarvan, gelet op artikel 1.7, eerste lid, van de Wet Basisregistratie personen, in beginsel moet uitgaan.

    Uit het besluit van 3 maart 2017 blijkt dat daarin gegevens zijn verwerkt tot en met 6 februari 2017. Tevens blijkt uit de stukken bij dat besluit dat voor de berekening van de zorg- en huurtoeslag rekening wordt gehouden met het geschatte inkomen van [echtgenote]. Bij het bestreden besluit van 4 september 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de toegekende zorg- en huurtoeslag herzien en vastgesteld op nihil. Hieraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat uit het door de IND op 24 februari 2017 verstrekte overzicht blijkt dat de echtgenote van [appellant], [echtgenote], in 2013 geen rechtmatig verblijf had. De Belastingdienst/Toeslagen heeft verklaard dat hij hiermee bij de toekenning van de zorg- en huurtoeslag geen rekening heeft kunnen houden omdat het besluit van 3 maart 2017 reeds voor het bekend worden van dat overzicht in het systeem is opgenomen. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat op het moment dat een besluit is genomen, dit besluit in het systeem wordt klaargezet ter verzending. Besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen worden vervolgens voorzien van een dagtekening. Omdat de besluiten in blokken worden verzonden, wordt de dagtekening van dat besluit op een latere datum gesteld dan de datum waarop het besluit zal worden verzonden. Zo wordt voorkomen dat een besluit later wordt verzonden dan de datum die er op vermeld is. Voor de aanvang van termijnen wordt uitgegaan van de dagtekening van het besluit. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is deze uitvoeringspraktijk noodzakelijk in verband met de verwerking van de grote hoeveelheid van besluiten. De Afdeling acht deze uitvoeringspraktijk aanvaardbaar. Gelet op deze uitvoeringspraktijk en nu uit het besluit van 3 maart 2017 blijkt dat daarin gegevens zijn verwerkt tot en met 6 februari 2017, betroffen de in het door de IND op 24 februari 2017 verstrekte overzicht gegevens waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning van de zorg- en huurtoeslag aan [appellant] redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Nu de nieuwe gegevens niet eerder dan een week voor verzending van het besluit bekend zijn geworden, kan aan de Belastingdienst/Toeslagen in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat bij dat besluit niet alsnog rekening is gehouden met die gegevens. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen de toegekende zorg- en huurtoeslag in het bestreden besluit kon herzien op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir.

    Het betoog faalt.

Het (door)koppelingsbeginsel

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond bestaat voor het oordeel dat voor het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus dat uit artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat.

5.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank hiermee niet heeft onderkend dat de toeslagen worden toegekend voor betalingsverplichtingen (premie, huur en kosten voor kinderen) die onafhankelijk zijn van de omstandigheid of de toeslagpartner al dan niet rechtmatig in Nederland verblijft. Zijn echtgenote profiteert niet van de toeslagen, aldus [appellant]. Zo is de zorgtoeslag alleen aan hem toegekend. Ook zijn de huurkosten en de kosten van hun kind niet afhankelijk van de aanwezigheid van zijn echtgenote. Verder heeft de rechtbank miskend dat hij niet alleen het bewonen van de huurwoning zal moeten opeisen (en zijn echtgenote de woning zal moeten verlaten) maar dat hij ook feitelijk van haar zal moeten scheiden om voor de gevraagde toeslagen in aanmerking te komen.

5.2.    Gelet op overweging 3.2 is thans alleen nog aan de orde het recht op zorg- en huurtoeslag over 2013.

    Niet in geschil is dat de echtgenote van [appellant] in de relevante periode geen rechtmatig verblijf had.

    Toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir leidt tot een onderscheid tussen enerzijds een Nederlander die samenwoont met een Nederlandse partner of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), en anderzijds een Nederlander, zoals [appellant], die samenwoont met een vreemdeling die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikt.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788) verbiedt artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd, dat wil zeggen, dat voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Dit doet zich voor, indien dat onderscheid geen legitiem doel dient of er geen redelijke, proportionele verhouding is tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt beoogd te realiseren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3470).

5.3.    In artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 is het koppelingsbeginsel neergelegd. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland (Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 1-2). Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt (Kamerstukken II 1995/96, 24 233, nr. 6, blz. 3-4). Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awir (Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, blz. 44), heeft de wetgever het koppelingsbeginsel niet alleen van toepassing geacht op de in artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 bedoelde situatie dat een vreemdeling zelf om verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen verzoekt, maar ook op de in artikel 9, tweede en derde lid, van de Awir genoemde gevallen, waarin een Nederlander een tegemoetkoming aanvraagt en deze een partner dan wel een medebewoner heeft die in Nederland geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. In die gevallen wordt ook wel gesproken van het doorkoppelingsbeginsel.

    Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit zowel artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000, als artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt, bestaat volgens bestendige rechtspraak van de Afdeling in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Immers, met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Met hetgeen in artikel 9, tweede lid, van de Awir is neergelegd, is in zoverre hierop aangesloten dat deze bepaling ertoe strekt daarenboven te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw 2000 worden toegekend worden toegekend (zie bijvoorbeeld de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014).

    Met de rechtbank, ziet de Afdeling in de door [appellant] genoemde omstandigheden dat zijn echtgenote niet profiteert van de toeslagen, dat zij de huurwoning zou moeten verlaten en hij feitelijk van haar zal moeten scheiden om toeslagen te kunnen ontvangen, geen aanleiding voor het oordeel dat voor het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus dat uit artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. In de periode waar het om gaat was [appellant] gehuwd en woonde hij samen met zijn echtgenote die geen rechtmatig verblijf had. Dit niet rechtmatige verblijf is in deze procedure uitgangspunt en leidend. Voor [appellant] gelden wat betreft zijn aanspraak op tegemoetkomingen dezelfde regels als voor ieder ander met een (toeslag)partner die geen rechtmatig verblijf heeft. [appellant] stelt op zichzelf terecht dat bijvoorbeeld de zorgtoeslag bedoeld is als tegemoetkoming in de kosten van zijn zorgverzekering. Maar, anders dan hij stelt, is het in een situatie als hier aan de orde niet uitgesloten dat de echtgenote profiteert van de tegemoetkomingen. Zij leeft immers samen met haar echtgenoot en kind in dezelfde woning. De door [appellant] genoemde omstandigheden zijn dan ook niet anders dan die waarop de bestendige jurisprudentie van de Afdeling ziet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1943). De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld geen aanleiding te zien van deze rechtspraak af te wijken. Toepassing van het (door)koppelingsbeginsel is dan ook objectief bezien niet ongerechtvaardigd tegenover [appellant].

    Dit betoog faalt.

De vraag naar zeer bijzondere omstandigheden

6.    De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat [appellant] niet voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het onthouden van toeslagen aan [appellant] in strijd is met artikel 14 van het EVRM op grond waarvan artikel 9, tweede lid, van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten.

6.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank door aldus te overwegen heeft miskend dat de problemen van zijn [zoon] die uit de door hem ingediende brieven van de kinderpsychiater en de orthopedagoog van 18 augustus 2014 onderscheidenlijk 6 maart 2015 blijken reeds langer bestaan. Ook waren in 2013 reeds gezondheidsproblemen van [appellant] zelf aanwezig. Het gaat hier om zeer ernstige psychische problematiek waarvan de Belastingdienst/Toeslagen ten tijde van het bestreden besluit op de hoogte was.

6.2.    De hiervoor weergegeven hogerberoepsgronden zien op de vraag of de uitsluiting van de in geding zijnde tegemoetkomingen door de toepassing van het (door)koppelingsbeginsel in een redelijke, proportionele verhouding tot het hiervoor, onder 5.3., omschreven legitieme doel staat. De onthouding van de tegemoetkomingen aan [appellant] kan onder zeer bijzondere, dat wil zeggen erg bezwarende, omstandigheden in een concreet geval in strijd zijn met het discriminatieverbod van artikel 14, gelezen in verbinding met artikel 8 van het EVRM. In zo’n geval moet artikel 9, tweede lid, van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing worden gelaten.

6.3.    [appellant] heeft zijn eigen gezondheidsproblemen niet onderbouwd. De brief van de huisarts H. Bakker van 24 juni 2015 waar hij op wijst, is niet door hem overgelegd.

    Volgens de door [appellant] overgelegde brief van 18 augustus 2014 van een psychiater van het Regionaal Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie is zijn zoon daar eind 2014 aangemeld toen hij 18 maanden oud was. In het daarin opgenomen verslag van de intake is vermeld dat het kind van [appellant] en zijn echtgenote een ontwikkelingsachterstand heeft, een vermoeden van autisme bestaat en zijn gedrag zou kunnen wijzen op een forse hechtingsproblematiek. Er is gestart met een behandeling maar het feit dat de moeder met hem naar een asielzoekerscentrum zal moeten gaan omdat vader niet alleen voor het kind kan zorgen vanwege de borstvoeding die het kind nog krijgt en de posttraumatische stressstoornis waaraan de vader lijdt, zal die behandeling niet ten goede komen, aldus de psychiater.

    Een overgelegd verslag van 6 maart 2015 van een orthopedagoog van Sherpa Consult heeft betrekking op de eerste periode vanaf 1 oktober 2014 dat het kind van [appellant] een kindercentrum bezoekt. Volgens dit verslag is het voor goede hechting en veiligheid belangrijk dat het kind niet gescheiden wordt van zijn ouders. Indien hij wel gescheiden zal worden van één van zijn ouders, ontwikkelt hij mogelijk een reactieve hechtingsstoornis die een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van persoonlijkheidsstoornissen. Verder staat in het verslag dat wanneer er iets in de gezinssituatie verandert, dit van invloed zal zijn op de voorspelbaarheid en structuur waar hij baat bij heeft, en dus nadelige gevolgen kan hebben voor zijn ontwikkeling.

6.4.    In deze zaak gaat het om het recht op tegemoetkomingen over het jaar 2013. Weliswaar dateren die hiervoor opgenomen verklaringen van na het hier relevante toeslagjaar, maar niet uitgesloten is dat de vermelde problemen van zijn zoon het resultaat zijn van een proces dat al is begonnen in de jaren voorafgaand aan de opstelling van de verklaringen.

6.5.    Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden staat voorop dat de echtgenote van [appellant] in 2013 geen rechtmatig verblijf had en de hiervoor uit de verklaringen afgeleide problematiek van zijn zoon in die periode niet heeft geleid tot rechtmatig verblijf van de echtgenote van [appellant]. Gezien de ratio van het doorkoppelingsbeginsel is van belang dat verstrekking van tegemoetkomingen aan [appellant] kan bijdragen aan de voortzetting van het wederrechtelijke verblijf van zijn echtgenote in Nederland en daarmee het vreemdelingenbeleid frustreert. Alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden geoordeeld dat de onthouding van tegemoetkomingen aan [appellant] in strijd is met het discriminatieverbod, zoals weergegeven onder overweging 6.2.

    De Afdeling onderkent dat de uit de in overweging 6.3. genoemde verslagen blijkende omstandigheden voor de zoon van [appellant] ernstig zijn. Deze leiden er echter niet toe dat het onder 5.2. vermelde onderscheid niet gerechtvaardigd is te achten en [appellant], hoewel deze omstandigheden niet tot een rechtmatig verblijf van zijn echtgenote hebben geleid, toch recht zou hebben op de eerdergenoemde tegemoetkomingen. [appellant] en zijn kind blijven, nu zij de Nederlandse nationaliteit hebben, van medische, sociale en psychische zorg verzekerd ongeacht de situatie van de echtgenote van [appellant]. Verder is van belang dat de verstrekking van huurtoeslag en zorgtoeslag niet tot doel hebben het waarborgen van het bestaansminimum.

    De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten.

6.6.    Dit betekent dat het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het discriminatieverbod heeft gehandeld, faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

343.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Grondwet

Artikel 94

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

[…]

Wet Basisregistratie personen

Artikel 1.7

1. Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

[…]

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 1

1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.

[…]

Artikel 9

[…]

2. Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming.

3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming ingeval een medebewoner een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

[…].

Artikel 21 van de Awir

1. De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

[…]

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 10

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

[…].