Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201803498/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:1151, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee nieuwe vleeskalverstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverstallen, het plaatsen van twee dichte mestzakken, het oprichten en in werking hebben van een inrichting en het aanleggen van een nieuwe inrit op het perceel [locatie] te Wâlterswâld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803498/1/A1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wâlterswâld, gemeente Dantumadiel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2018 in zaak nr. 17/403 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee nieuwe vleeskalverstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverstallen, het plaatsen van twee dichte mestzakken, het oprichten en in werking hebben van een inrichting en het aanleggen van een nieuwe inrit op het perceel [locatie] te Wâlterswâld.

Bij uitspraak van 14 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A], het college, vertegenwoordigd door mr. K. Arends, L. van der Stege, W. Osinga en L. Sijtsma, en [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde B], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [vergunninghouder] wil op het perceel een vleeskalverhouderij uitbreiden, onder meer door het bouwen van twee nieuwe stallen en het renoveren van twee bestaande stallen. [appellant] woont tegenover de kalverhouderij en vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Nieuwe gronden ter zitting

2.    Voor het eerst ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] betoogd dat de vergunning die op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend niet op alle activiteiten van de inrichting betrekking heeft en dat voor die activiteiten daarom alsnog een aanvraag om een vergunning moet worden gedaan die moet aanhaken bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning. Ook heeft hij ter zitting voor het eerst betoogd dat onduidelijk is of de omgevingsvergunning is verleend voor mestzakken of mestbassins. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

Indieningsvereisten

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag niet voldoet aan de indieningsvereisten van de Regeling omgevingsrecht, omdat op een aantal punten informatie ontbreekt die nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag.

3.1.    In beroep heeft [appellant] uitsluitend betoogd dat de berekeningen met betrekking tot geur, geluid en fijnstof niet kunnen worden geverifieerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de emissiepunthoogtes in de berekeningen van elkaar verschillen en aldus niet duidelijk is wat de juiste hoogtes zijn. Voorts heeft hij aangevoerd dat in de aanvraag informatie ontbreekt over de ligging van de emissiepunten en de doorsnede van de ventilatiekanalen. Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant] zijn betoog voor zover het betrekking heeft op fijnstof ingetrokken. Dit betekent dat in hoger beroep uitsluitend voorligt het betoog dat de berekeningen met betrekking tot geluid en geur niet verifieerbaar zijn, omdat informatie ontbreekt over de hoogte en ligging van de emissiepunten en de doorsnede van de ventilatiekanalen. De overige gronden met betrekking tot het ontbreken van informatie voert [appellant] voor het eerst in hoger beroep aan. Anders dan hij stelt, betreft het nieuwe gronden en niet slechts een uitdieping van eerder aangevoerde gronden. Voorts betreft het gedeeltelijk gronden die hij in beroep uitdrukkelijk heeft ingetrokken. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven. De stelling van [appellant] dat de intrekking van de gronden bij de rechtbank is gebaseerd op desinformatie van het college, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft geen omstandigheden gesteld die niet aan hem zijn toe te rekenen op grond waarvan sprake was van dwaling of bedrog.

3.2.    Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, staat in het akoestisch rapport en de geurberekening wat de gehanteerde hoogte van de emissiepunten is. Ook is daarin vermeld welke coördinaten zijn gehanteerd voor de verschillende emissiepunten en bronnen. Uit het akoestisch rapport en de als bijlage gevoegde informatiebladen blijkt verder welke ventilatoren worden gebruikt en hoe groot deze zijn. In de geurberekening staat wat de doorsnede van de ventilatoren is. Gelet hierop heeft de rechtbank in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de berekeningen met betrekking tot geluid en geur niet verifieerbaar zijn. Daarbij is nog van belang dat het college overtuigend heeft toegelicht dat eventuele verschillen tussen het akoestisch rapport en de geurberekening worden veroorzaakt door het verschil in modellering.

    Het betoog faalt.

Bestemmingsplan

4.    Het project is in strijd met het bestemmingsplan "Bûtengebiet Dantumadiel". [appellant] betoogt dat het college geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan had mogen verlenen, omdat niet wordt voldaan aan de eisen die artikel 8.8 van de planregels aan wijziging van de bestemming "Agrarisch - Woudenlandschap" stelt.

4.1.    Artikel 8.8 van de planregels bepaalt dat het college het bestemmingsplan en de bestemming "Agrarisch - Woudenlandschap" kan wijzigen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel vermelde eisen. Dat artikel is hier echter niet van toepassing, omdat het college geen gebruik heeft gemaakt van de daarin neergelegde wijzigingsbevoegdheid. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet. Aangezien het college geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8.8 neergelegde wijzigingsbevoegdheid, hoeft het project niet te voldoen aan de in dat artikel gestelde eisen. Het college hoefde daarom ook niet te motiveren of en, zo ja, waarom van die eisen wordt afgeweken.

    Het betoog faalt.

Verordening Romte

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van uitbreiding van een agrarisch bouwperceel als bedoeld in artikel 6.1.3 van de Verordening Romte Fryslân 2014, maar van een nieuw agrarisch bouwperceel. Daartoe voert hij onder verwijzing naar de definitie van "Nieuw gebruik" in artikel 1.66 aan dat het gebruik van gronden wordt gewijzigd, omdat daarop de bestemming "Agrarisch - Woudenlandschap" rust en die bestemming het oprichten van het bedrijf niet toestaat.

5.1.    In artikel 1.66 van de Verordening wordt onder "Nieuw gebruik" verstaan:

"het veranderen van gebruik van grond of bebouwing, anders dan het vervangen van bestaand gebruik door gebruik van gelijke aard, omvang en karakter."

    Artikel 6.1.3, eerste lid, luidt:

"In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwperceel voor een niet grondgebonden veehouderij een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha, met dien verstande dat in geval op het bouwperceel bedrijfsactiviteiten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, van een extra oppervlak tot maximaal 0,5 ha mag worden uitgegaan."

5.2.    Op de gronden waarop de kalverhouderij is beoogd, rust deels de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" en deels de bestemming "Agrarisch - Woudenlandschap". Op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ligt een bouwvlak waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd. De twee bestaande stallen liggen in dat bouwvlak. De aanvraag voorziet erin dat de kalverhouderij kan uitbreiden op de aansluitende gronden met de bestemming "Agrarisch - Woudenlandschap", onder meer door de bouw van twee nieuwe stallen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aanvraag aldus voorziet in een uitbreiding van het bouwperceel. Dat de betreffende gronden een andere bestemming hebben en het gebruik van die gronden wordt gewijzigd, maakt niet dat geen sprake is van een uitbreiding. Artikel 6.1.3 van de Verordening bepaalt niet dat slechts sprake is van een uitbreiding als het gebruik van de gronden niet wordt gewijzigd. Een dergelijke eis ligt ook niet voor de hand, omdat, zoals het college terecht heeft opgemerkt, een uitbreiding van het bouwperceel altijd leidt tot een wijziging van het gebruik zoals [appellant] dat bedoelt.

    Het betoog faalt.

6.    Aangezien geen sprake is van het realiseren van een nieuw agrarisch bouwperceel als bedoeld in artikel 6.1.1 van de Verordening, zijn de eisen die dat artikel stelt niet van toepassing. Het betoog van [appellant] dat niet aan die eisen wordt voldaan, faalt dan ook.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de oppervlakte van het bouwperceel na uitbreiding 1,49 ha bedraagt. Volgens hem is die oppervlakte groter dan 1,5 ha, zodat niet met toepassing van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening medewerking aan het project kan worden verleend. Volgens hem zijn de grenzen van het bedrijf waarvan de rechtbank en het college uitgaan niet logisch. Voorts zijn er tegenstrijdigheden in tekeningen die onderdeel uitmaken van de vergunning, aldus [appellant].

7.1.    In artikel 1.2 van de Verordening wordt onder "Agrarisch bouwperceel" verstaan:

"een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan, zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing, verharding en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegelaten."

7.2.    In de toelichting bij de Verordening wordt over het begrip "Agrarisch bouwperceel" vermeld:

"Volgens de begripsomschrijving liggen binnen het agrarisch bouwperceel de bebouwing (waaronder bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en silo's) en de verharding van het agrarisch bedrijf. Beplanting niet. Uitgangspunt is echter dat de gemeente bij de begrenzing van een agrarisch bouwperceel uitgaat van logische grenzen. Dit kan soms betekenen dat ook een beplantingssingel bij een bedrijf in het bouwperceel wordt opgenomen. Wij vinden het van belang dat de verharding en voorzieningen (zoals silo's) ten behoeve van het bedrijf binnen het agrarisch bouwperceel komen te liggen. De verharding betreft in ieder geval de verharding rondom de bedrijfsgebouwen (de manoeuvreerruimte voor landbouwvoertuigen). Erfverharding ten behoeve van de bedrijfswoning evenals de tuin behoeven daar niet onder te vallen, net zo min als de toegangsweg/ landbouwweg naar een bedrijf. Bij voorzieningen gaat het om (bouw)werken zoals silo's die logistiek en functioneel bij de concentratie van bedrijfsgebouwen op het erf horen. Waar het om gaat is dat de gemeente de begrenzing van een agrarisch bouwperceel baseert op zorgvuldig maatwerk en daarbij deze aspecten betrekt."

7.3.    Op de tekening van 23 december 2014, die als bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, is de kalverhouderij ingetekend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college aan de hand van die tekening op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de oppervlakte van het bouwperceel na uitbreiding 1,49 ha bedraagt en dat dus op grond van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening medewerking aan de aangevraagde uitbreiding van de kalverhouderij kan worden verleend. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de grenzen waarvan de rechtbank en het college zijn uitgegaan in strijd zijn met artikel 1.2 van de Verordening. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college ter zitting heeft verklaard dat er geen aangevraagde verhardingen of voorzieningen buiten die grenzen zijn gelegen. Voorts bestaan er geen tegenstrijdigheden in de twee door [appellant] bedoelde tekeningen. De tekening die als bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, is de tekening die het aangevraagde bouwperceel aangeeft. De andere tekening is als figuur 1 bij het akoestisch onderzoek gevoegd. Die tekening is niet bedoeld om de exacte indeling en situering van het bouwperceel weer te geven.

    Het betoog faalt.

8.    Aangezien de uitbreiding van de kalverhouderij niet meer dan 1,5 ha bedraagt, is artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening, dat betrekking heeft op uitbreidingen die groter zijn dan 1,5 ha, niet van toepassing. Het betoog van [appellant] dat niet aan de daarin gestelde eisen wordt voldaan, faalt dan ook.

Geur

9.    In hoger beroep voert [appellant] een aantal betogen aan ten aanzien van het aspect geur. Zo betoogt hij dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat de kalverhouderij buiten de bebouwde kom is gelegen en dat er een aantal fouten in de geurberekening zit. Deze gronden voert [appellant] voor het eerst in hoger beroep aan. Anders dan hij stelt, betreft het nieuwe gronden en niet slechts een uitdieping van eerder aangevoerde gronden. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

Brijvoer

10.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de inrichting geen brijvoer wordt bereid. Daartoe voert hij aan dat in de voerkeuken menging plaatsvindt met wei en vetten. Dit zijn brijvoerproducten, aldus [appellant].

10.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de kalveren geen brijvoer krijgen. In de aanvraag is dit ook uitdrukkelijk vermeld. De kalveren krijgen blijkens de aanvraag en de daarop door het college en [vergunninghouder] gegeven toelichting een kunstmelk die bestaat uit melkpoeder dat wordt gemengd met wei en vetten. De enkele omstandigheid dat wei en vetten ook kunnen worden gebruikt voor het maken van brijvoer, maakt niet dat de kunstmelk als brijvoer moet worden aangemerkt.

    Het betoog faalt.

Geluid

11.    [appellant] betoogt tevergeefs dat geen voorschrift is gesteld om te waarborgen dat het verkeer zich via de nieuwe toegangsweg naar de kalverhouderij zal begeven. De rechtbank heeft overwogen dat het gebruik van de westelijke in- en uitrit is aangewezen, omdat dit in het akoestisch rapport van WNP raadgevende ingenieurs is opgenomen en dat rapport onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. [appellant] heeft niet aangevoerd dat en waarom die overweging onjuist zou zijn.

12.    De betogen over het verkeer buiten de inrichting, de aanvoer en opslag van mest en het mixen van mest heeft [appellant] ter zitting bij de rechtbank ingetrokken. Deze betogen kunnen in hoger beroep niet alsnog worden aangevoerd.

13.    Over tonaal geluid en laagfrequent geluid van de ventilatoren heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de geluidbelasting van de ventilatoren, onder meer aan de hand van informatie van de fabrikant, en dat niet is gebleken dat deze een tonaal geluid of laagfrequent geluid produceren. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat deze overweging onjuist is. Voorts geeft ook de stelling dat mogelijk andere geluidsbronnen een tonaal geluid produceren geen aanleiding voor het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

Overige gronden

14.    De overige gronden, zoals die over nadere voorschriften, de houtkachel, de bodem, externe veiligheid en de kwaliteitscriteria, voert [appellant] voor het eerst in hoger beroep aan. Anders dan hij stelt, betreft het nieuwe gronden en niet slechts een uitdieping van eerder aangevoerde gronden. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

Inschakelen StAB

15.    [appellant] heeft de Afdeling verzocht om aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) een deskundigenbericht te vragen. Daarvoor ziet de Afdeling geen aanleiding. Voor een goede beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden is een deskundigenbericht van de StAB niet nodig.

Conclusie

16.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Van Roessel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

457.