Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804390/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:1377, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2016 heeft de minister [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 34.200,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804390/1/A3.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 april 2018 in zaak nr. 17/3212 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 heeft de minister [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 34.200,00.

Bij besluit van 27 juli 2017 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2017 vernietigd, de bestuurlijke boete op € 30.600,00 vastgesteld en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Winsum, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De minister heeft [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 34.200,00. Naar aanleiding van diverse inspecties en de daarop volgende onderzoeken, waarvan op 5 oktober 2016 een boeterapport is opgemaakt, heeft de minister [appellant] gevraagd ten aanzien van negen personen gegevens over het aantal gewerkte uren, verstrekte loon en het daarbij behorende vakantiegeld over te leggen. [appellant] heeft dit niet gedaan omdat hij naar eigen zeggen geen werkgever van deze personen is en daarom niet verplicht is die gegevens aan de minister te geven. De minister kon daardoor niet nagaan welke beloning deze personen van [appellant] kregen voor de door hen verrichte arbeid. Daarom heeft [appellant] volgens de minister de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wmm) overtreden.

    Bij het besluit op bezwaar heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [appellant] wel als werkgever kan worden aangemerkt en dat hij daarom bevoegd was om hem een bestuurlijke boete op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden, die blijken uit het boeterapport, de minister heeft mogen aannemen dat [appellant] werkgever is. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd waarom de verklaringen uit het boeterapport ongeloofwaardig of tegenstrijdig zijn. Omdat de minister ten aanzien van drie werknemers de arbeidsduur verkeerd heeft berekend, heeft de rechtbank de bestuurlijke boete vastgesteld op € 30.600,00.

Het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister heeft mogen aannemen dat hij werkgever was van de betrokken personen. Om die reden komt de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte tot de conclusie dat de minister bevoegd was hem een bestuurlijke boete op te leggen.

Wettelijk kader

4.    Artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmm luidt: ‘Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever desgevraagd niet of niet tijdig aan de toezichthouder verstrekken van:

a. een opgave als bedoeld in artikel 626 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel andere bescheiden waaruit de in dat artikel voorgeschreven gegevens blijken.’

    Artikel 18b, derde lid, van de Wmm luidt: ‘Voor de toepassing van het tweede lid wordt als werkgever aangemerkt degene in of ten behoeve van wiens onderneming, bedrijf of inrichting een persoon arbeid verricht of heeft verricht of waarvan op grond van feiten en omstandigheden naar redelijk vermoeden een persoon arbeid verricht of heeft verricht. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt in dat geval voor de toepassing van het tweede lid aangemerkt als werknemer. Hetgeen in de eerste zin is bepaald geldt behoudens tegenbewijs.’

Beoordeling hoger beroep

5.    De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat [appellant] als werkgever aangemerkt kan worden. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de uitspraak van de rechtbank op dat punt onjuist zou zijn. Er is daarom geen aanleiding te oordelen dat de rechtbank ten onrechte [appellant] heeft aangemerkt als werkgever. De minister was derhalve bevoegd om [appellant] een bestuurlijke boete op te leggen.

    Het betoog faalt.

6.    Op 6 november 2018 is de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018 in werking getreden. Op grond van deze beleidsregel bepaalt de minister de hoogte van de bestuurlijke boete. Op 24 november 2018 is de beleidsregel met terugwerkende kracht tot 6 november 2018 gewijzigd in verband met een drukfout. In deze beleidsregel zijn de boetebedragen voor een overtreding van artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmm verlaagd.

    Op grond van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dient, bij verandering van wetgeving, de voor de overtreder gunstigste bepaling te worden toegepast. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat een matiging van de bestuurlijke boete naar  € 25.500,00 passend en geboden is.

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de bestuurlijke boete op € 30.600,00 heeft gesteld en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De Afdeling zal de bestuurlijke boete stellen op € 25.500,00 en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 juli 2017.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 april 2018 in zaak nr. 17/3212, voor zover de rechtbank de bestuurlijke boete op € 30.600,00 (zegge: dertigduizend zeshonderd euro) heeft vastgesteld en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III.    bepaalt dat de bestuurlijke boete wordt gesteld op € 25.500,00 (zegge: vijfentwintigduizend vijfhonderd euro);

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 juli 2017, kenmerk: WBJA/ABWA/1.2016.2070.001;

V.    gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

176-857.