Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804319/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:1687, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2016 is op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) een tweede huisnummer toegekend aan het adres [locatie 1] te Bussum, waar [appellant] woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804319/1/A3.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bussum, gemeente Gooise Meren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2018 in zaak nr. 17/4641 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 is op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) een tweede huisnummer toegekend aan het adres [locatie 1] te Bussum, waar [appellant] woont.

Bij besluit van 29 november 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2017 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2019, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door ing. J.C. Boomsma en R.H.J. Voigt, zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch kader

1.    De relevante bepalingen van de Wet bag en de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Gooise Meren (hierna: de Verordening) zijn vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] is eigenaar van het pand aan [locatie 1] te Bussum. Hij heeft daar zijn woning en een gedeelte van het pand verhuurt hij als woning. Het college heeft in verband met de splitsing van het pand het verhuurde deel als een zelfstandig verblijfsobject in de zin van de Wet bag aangemerkt en daaraan een nieuw huisnummer, [locatie 2], toegekend. Uit het aan het besluit ten grondslag gelegde Rapport huisnummering van 1 mei 2017 volgt dat een medewerker van de afdeling WOZ van de gemeente Gooise Meren bij de bag-beheerder van de gemeente een verzoek om toekenning van het tweede huisnummer heeft gedaan, omdat op het adres twee zelfstandige wooneenheden met elk een eigen opgang, douche, toilet en keuken aanwezig zijn, en dat vervolgens bij onderzoek door de bag-beheerder is gebleken dat in de basisregistratie personen twee personen op het adres staan ingeschreven en de huurster heeft verklaard dat haar woonruimte een zelfstandig verblijfsobject is.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het Rapport huisnummering onvoldoende blijkt wat de feitelijke situatie in het pand is en of zich daar twee verblijfsobjecten in de zin van de Wet bag bevinden en dat het besluit van 29 november 2017 daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet van een deugdelijke motivering is voorzien. Zij heeft het besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. Op grond van de door [appellant] ter zitting gegeven beschrijving van de indeling van het pand heeft de rechtbank voldoende informatie aanwezig geacht om te kunnen beoordelen of daar twee verblijfsobjecten aanwezig zijn. [appellant] woont in het souterrain en de huurster woont op de begane grond en de eerste etage van het pand. De wooneenheden hebben ieder een eigen keuken, badkamer en toilet en zijn daarom in functioneel opzicht zelfstandig. Voorts hebben beide wooneenheden een eigen, vanaf de openbare weg bereikbare toegang en kunnen beide zelfstandig onderwerp van goederenrechtelijke rechtshandelingen zijn. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van twee verblijfsobjecten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag, en heeft terecht het tweede huisnummer toegekend, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 14 juli 2016 onbevoegd is genomen door de bag-beheerder gemeente Gooise Meren, omdat deze in ieder geval op dat moment niet het mandaat had om het besluit te nemen. Voorts is het besluit ten onrechte gericht aan [persoon] en niet aan [appellant], en ontbreekt in het besluit een rechtsmiddelenclausule. Bovendien heeft het college het signaal dat aanleiding is geweest om de situatie in het pand te onderzoeken, onrechtmatig verkregen.

In het gehele pand is slechts één aansluiting aanwezig voor gas, elektriciteit, water, tv en internet. Het pand moet daarom als één verblijfsobject worden aangemerkt. Het toekennen van een tweede huisnummer is in strijd met het bestemmingsplan, aldus [appellant].

Beoordeling door de Afdeling

4.1.    Uit de bij besluit van I7 januari 2017 vastgestelde Mandaatlijst bevoegdheden college van burgemeester en wethouders gemeente Gooise Meren blijkt dat het Hoofd afdeling Facilitaire Zaken, Informatie en Automatisering bevoegd is namens het college besluiten te nemen op grond van artikel 3 van de Verordening. Derhalve is het besluit van 29 november 2017 bevoegd door deze functionaris genomen, zodat, voor zover het besluit van 14 juli 2016 al onbevoegd zou zijn genomen, dat eventuele gebrek met het besluit op bezwaar is hersteld. De omstandigheid dat in het besluit van 14 juli 2016 ten onrechte een rechtsmiddelenclausule ontbrak, maakt niet dat het besluit daardoor voor vernietiging in aanmerking komt. Het college heeft vanwege het ontbreken van die clausule besloten tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding bij het daartegen gemaakte bezwaar. De onjuiste tenaamstelling van het besluit van 14 juli 2016 heeft niet tot gevolg dat het besluit geen rechtskracht heeft, reeds omdat het besluit [appellant] heeft bereikt en er geen twijfel over heeft bestaan dat het besluit aan hem is gericht. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

    Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] bevestigd dat zowel het door hem bewoonde souterrain als de door de huurster gehuurde etages over een eigen keuken, badkamer en toilet beschikken en dat beide woongedeelten een eigen toegang hebben die vanaf de openbare weg bereikbaar is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de woongedeelten in functioneel opzicht zelfstandig zijn en afzonderlijk onderwerp van goederenrechtelijke rechtshandelingen kunnen zijn, en daarom twee verblijfsobjecten in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag zijn, zodat het college terecht een tweede huisnummer heeft toegekend.

De stelling van [appellant] dat er geen afzonderlijke gas-, elektriciteit- water-, tv- en internetaansluitingen ten behoeve van beide wooneenheden aanwezig zijn, en zijn betoog dat de toekenning van het tweede huisnummer in strijd is met het bestemmingsplan, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot haar oordeel is gekomen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:60, volgt dat het gebruik van een enkele aansluiting op voornoemde voorzieningen voor beide wooneenheden niet afdoet aan hun functionele zelfstandigheid, zodat die omstandigheid bij de afbakening van verblijfsobjecten niet bepalend is. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1980, dat uit het stelsel van de Wet bag voortvloeit dat het bestemmingsplan voor de afbakening van verblijfsobjecten geen relevant aspect is.

    De door [appellant] aangevoerde onregelmatigheden voorafgaand aan het besluit tot toekenning van het tweede huisnummer en zijn stelling dat door het besluit de verstandhouding met de huurster is verslechterd en de verkoop van het pand zal worden bemoeilijkt, daargelaten wat hiervan zij, maken niet dat het besluit onrechtmatig is.

    In reactie op het door [appellant] ter zitting bij de Afdeling gestelde, dat ten onrechte niet is onderzocht of in andere panden aan De Dennen meer verblijfsobjecten aanwezig zijn, heeft de gemachtigde van het college uiteengezet dat hiernaar onderzoek is gedaan, maar er geen aanwijzingen zijn dat die panden meer dan één verblijfsobject bevatten.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd voor zover aangevallen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

598.

Wet basisregistraties adressen en gebouwen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[-]

l. nummeraanduiding: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats;

[-]

q. verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor

woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is;

[-].

Artikel 6

1. De gemeenteraad deelt het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen in, stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

[-]

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven ten aanzien van de indeling, de vaststelling en de toekenning, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen regels worden gegeven ten aanzien van de afbakening, bedoeld in het derde lid.

Verordening naamgeving en nummering (adressen) Gooise Meren

Artikel 1

In deze verordening (en de daarop berustende bepalingen) wordt verstaan onder:

[-]

f. nummeraanduiding: door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie;

[-]

l. verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is;

[-].

Artikel 3

[-]

2. Het college kent binnen het grondgebied van de gemeente nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

3. Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

[-].