Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201803616/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:3414, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2014 heeft het college een bedrag van € 2.250,00 aan dwangsommen ingevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/428
Gst. 2019/87 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803616/1/A1.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2018 in zaken nrs. 15/6334, 15/6370, 15/7164 en 16/1344 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2014 heeft het college een bedrag van € 2.250,00 aan dwangsommen ingevorderd.

Bij besluit van 19 november 2014 heeft het college een bedrag van € 3.500,00 aan dwangsommen ingevorderd.

Bij besluit van 15 december 2014 heeft het college een bedrag van € 1.500,00 aan dwangsommen ingevorderd.

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college een bedrag van € 2.250,00 aan dwangsommen ingevorderd.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 juli 2015 heeft het college de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 31 juli 2015 en 10 februari 2016 heeft het college dwangsommen ingevorderd van € 2.000,00 respectievelijk € 4.500,00.

Bij uitspraak van 26 maart 2018 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 23 juli 2015 vernietigd, voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 19 november 2014, 15 december 2014 en 4 maart 2015 ongegrond zijn verklaard, de besluiten van 31 juli 2015 en 10 februari 2016 vernietigd, de bezwaren tegen de besluiten van 19 november 2014, 15 december 2014 en 4 maart 2015 gegrond verklaard en deze besluiten herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan mr. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, en door P. van der Vugt, deskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.L.M. van Oostrum, dr. C.K. van Mullem, G. Distelbrink, P. van der Meij en dr. A.W. Onneweer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Onder meer in de periode 13 januari 2014 tot en met 20 februari 2014 hebben continue onbemande geluidmetingen plaatsgevonden voor de achtergevel van de woning aan de [locatie 1] te Noordwijk. Deze woning ligt in de directe nabijheid van het perceel waar [appellante] zijn bedrijf exploiteert op het perceel de [locatie 2] te Noordwijk. Op het perceel worden afvalstoffen bewerkt, vindt er op- en overslag plaats van die afvalstoffen en wordt in tweedehandsvoertuigen gehandeld.

Overzicht relevante besluiten

2.    Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college aan [appellante] vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor de bewerking en op- en overslag van afvalstoffen, voornamelijk puin en metalen, en voor de handel in tweedehandsvoertuigen. Bij dit besluit heeft het college voorschriften opgelegd aan [appellante] Over geluid is, voor zover hier van belang, in artikel 8.1.2 van de voorschriften bepaald dat het maximale geluidsniveau (LAmax) op de achtergevel van de woning aan de [locatie 1] te Noordwijk, bij een beoordelingshoogte van 1,5 m tussen 7:00 uur en 19:00 uur, 60 dB(A) mag bedragen.

    Bij besluit van 27 mei 2011 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, omdat op grond van geluidsmetingen van de Omgevingsdienst West-Holland (hierna: de ODWH) was vastgesteld dat meermalen voorschrift 8.1.2 was overtreden. [appellante] is gelast binnen twee weken na de datum van het dwangsombesluit herhaling van de overtreding te voorkomen. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 2.500,00 per dag en een maximum van € 25.000,00.

    Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college de last onder dwangsom met terugwerkende kracht gewijzigd en de zinsnede "gelasten wij u herhaling van de overtreding van voorschriften 8.1.2 van uw omgevingsvergunning te voorkomen" vervangen door "gelasten wij u herhaling van de overtreding van voorschrift 8.1.2 van de omgevingsvergunning met meer dan 10 dB(A) te voorkomen".

    Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor zover hier van belang is daarbij voorschrift 8.1.2 van de vergunning van 6 oktober 2009 in die zin gewijzigd dat het toegelaten maximale geluidsniveau op de achtergevel van de woning aan de [locatie 1] en de buitenbak van de manege is verruimd tot 70 dB(A).

    Bij besluit van 1 juni 2018 heeft het college de besluiten van 27 mei 2011 en 5 maart 2013 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2014 ingetrokken.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) als deskundige aangewezen, om haar te adviseren over de door [appellante] in beroep aangevoerde geluidstechnische aspecten. De StAB heeft in haar rapport van 6 juni 2017, kort samengevat, geconcludeerd dat met het onbemande geluidsmonitoringssysteem (met twee meetpunten), waarmee de ODWH de metingen heeft verricht, de maximale geluidsniveaus in de inrichting van [appellante] op betrouwbare wijze kunnen worden vastgesteld en dat na een auditieve analyse van de geluidsopnamen eventuele stoorgeluiden zijn uit te filteren. Volgens de StAB is het dan ook aannemelijk dat de geregistreerde geluidsgebeurtenissen zijn veroorzaakt door activiteiten op het terrein van [appellante]

    Op 15 augustus 2017 heeft de StAB op verzoek van de rechtbank een nader advies uitgebracht waarin is geconcludeerd dat de door [appellante] in haar zienswijze van 27 juni 2017 gemaakte opmerkingen geen aanleiding geven om de conclusies van het advies van 6 juni 2017 aan te passen.

    De rechtbank heeft de conclusies uit het rapport van de StAB overgenomen en komt tot de conclusie dat er in de periode van 13 januari 2014 tot en met 20 februari 2014 sprake was van een overschrijding van het maximale geluidsniveau.

Het geschil in hoger beroep

4.    Gelet op de uitspraak van de rechtbank, ligt in hoger beroep nog voor of de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor vernietiging van het besluit van 23 juli 2015, voor zover dat betrekking heeft op het invorderingsbesluit van 1 mei 2014 en voor herroeping van het besluit van 1 mei 2014. Het besluit van 1 mei 2014 heeft betrekking op vermeende overtredingen in de periode van 13 januari 2014 tot en met 20 februari 2014 en ziet op een bedrag aan dwangsommen van € 2.250,00.

Bespreking van de in hoger beroep aangevoerde gronden

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat invorderingsbesluiten niet op onbemande metingen kunnen worden gebaseerd. Daartoe voert hij aan dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een invorderingsbesluit gebaseerd moet zijn op een deugdelijke en controleerbare vaststelling van feiten die moet worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker, waarbij de bevindingen op schrift moeten worden gesteld. Hieraan wordt niet voldaan bij onbemande metingen, aldus [appellante] Volgens haar is het niet relevant dat onbemand meten in overeenstemming is met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding), omdat die handleiding niets zegt over de eisen die op grond van de rechtszekerheid en de jurisprudentie van de Afdeling moeten worden gesteld aan de metingen.

5.1.    De Afdeling heeft eerder overwogen, uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3700, dat onbemand meten in het algemeen is toegestaan. In voornoemde uitspraak is voorts overwogen dat, anders dan [appellante] betoogt, onbemande metingen niet zonder meer onbetrouwbaar zijn. Op betrouwbare wijze vaststellen door welke gebeurtenis een geluidpiek is veroorzaakt, kan ook op een andere manier dan door directe waarneming door een toezichthouder. Dat betekent dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat invorderingsbesluiten niet op onbemande metingen kunnen worden gebaseerd.

    Het betoog slaagt niet. In het vervolg van deze uitspraak zal aan de hand van de gronden van [appellante] worden beoordeeld of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het invorderingsbesluit van 1 mei 2014 in dit geval kon worden gebaseerd op onbemande metingen.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het invorderingsbesluit van 1 mei 2014, in stand gelaten bij besluit van 23 juli 2015, in dit geval niet mocht worden gebaseerd op onbemande metingen, omdat de Handleiding voorschrijft dat er na iedere meetsessie een externe kalibratie van de geluidmeters moet plaatsvinden. Bij de gehanteerde geluidmeters is dat niet gebeurd, aldus [appellante]

6.1.    De Handleiding schrijft in paragraaf 3.3 voor dat de geluidmeter voor en na iedere meetserie met een akoestische ijkbron wordt gekalibreerd. Het college heeft toegelicht dat de meter en ijkbron iedere twee jaar uitgebreid worden getest en dat de geluidmeters voor plaatsing zijn gekalibreerd. Het heeft verder toegelicht dat een meetserie een lange periode kan inhouden, tot twee jaar lang. Om die reden worden de meters dagelijks intern gekalibreerd en worden zowel de meters als de ijkbron tenminste iedere twee jaar uitgebreid getest in het laboratorium, aldus het college. [appellante] heeft de door het college gegeven toelichting niet betwist. De Afdeling acht de werkwijze van het college niet in strijd met de Handleiding. Gelet op het voorgaande wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het invorderingsbesluit van 1 mei 2014 in zoverre niet mocht worden gebaseerd op onbemande metingen.

    Het betoog faalt.

7.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het invorderingsbesluit van 1 mei 2014, in stand gelaten bij besluit van 23 juli 2015, in dit geval niet mocht worden gebaseerd op onbemande metingen, omdat zij grote twijfels heeft over de uitkomsten van de onbemande meting.

    In dat verband stelt zij zich op het standpunt dat het niet duidelijk is of de geluidsimmissies die zijn gemeten bij de [locatie 1] van [appellante] afkomstig zijn, of van het nabijgelegen bedrijf van [bedrijf] Dat de waargenomen geluiden aan [bedrijf] moeten worden toegerekend, heeft er volgens [appellante] mee te maken dat aan de noordzijde van het perceel van [appellante], anders dan bij het terrein van [bedrijf], een geluidswal van 8 m hoog is geplaatst. Verder voert zij daartoe aan dat [appellante] geen brongeluid met een door de meetapparatuur gemeten hoogte kan veroorzaken. Zij verwijst in dat kader naar een door haar overgelegd rapport van Kraaij Akoestisch Adviesbureau van 19 november 2014.

7.1.    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het door [appellante] overgelegde rapport van Kraaij Akoestisch Adviesbureau van 19 november 2014 maakt dat de door de onbemande meetapparatuur geregistreerde pieken niet afkomstig kunnen zijn van het bedrijf van [appellante] Hierbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het advies van de StAB van 6 juni 2017, terecht in aanmerking genomen dat dit adviesbureau weliswaar een aantal activiteiten heeft onderzocht, maar dat geen metingen zijn verricht aan het neerzetten/leegschudden van containers, het storten van metalen in de pers, het persen van de metalen, het stoten van de grijper van de kraan tegen de pers, alsmede het opstapelen van metaal hoger dan 4 m.

    Verder is ter zitting aan de hand van een luchtfoto door het college toegelicht op welke plaatsen meetapparatuur is geïnstalleerd. Daaruit valt op te maken dat de microfoons zodanig zijn geplaatst dat eventuele geluiden van [bedrijf] niet op dezelfde wijze zijn waar te nemen als de geluiden die door [appellante] worden geproduceerd. Het college heeft verder toegelicht dat wanneer de metingen via de twee geplaatste microfoons overeenkomen, het geluid bij [appellante] vandaan komt. Wanneer deze geluiden niet overeenkomen, worden deze niet meegenomen en dienen zij niet als basis voor het vaststellen van een overtreding, aldus het college. Het college heeft verder aan de hand van een luchtfoto uit 2014 toegelicht dat ten tijde van de metingen waarop het besluit van 23 juli 2015 is gebaseerd het bedrijf van [bedrijf] nog in de opstartfase was en er nog geen metaalbewerking plaatsvond. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zijn invorderingsbesluit niet mocht baseren op onbemande metingen.

    Het betoog faalt.

Conclusie en slot

8.    Het hoger beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Kamphorst-Timmer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

776.