Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201802530/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:701, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2017 heeft het college bestuursdwang toegepast door het voertuig van [appellant] met kenteken [...] weg te slepen uit de Kattenburgerstraat te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802530/1/A2.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijdewormer, gemeente Wormerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2018 in zaak nr. 17/4265 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 heeft het college bestuursdwang toegepast door het voertuig van [appellant] met kenteken [...] weg te slepen uit de Kattenburgerstraat te Amsterdam.

Bij besluit van 21 juni 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2018, waar [appellant] is verschenen.

De Afdeling heeft het vooronderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig is geweest.

De Afdeling heeft na oproeping van partijen verder ter zitting behandeld op 7 december 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door drs. M. de Jong, zijn verschenen

Overwegingen

Relevante regelgeving

1.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    In geschil is of het college terecht opdracht heeft gegeven tot het wegslepen van de auto van [appellant] en heeft besloten de kosten daarvan op hem te verhalen.

3.    Op 10 april 2017 heeft [appellant] met zijn auto een passagier bij Pension Homeland, dat is gevestigd aan de Kattenburgerstraat te Amsterdam, afgeleverd en hem geholpen met de bagage. Bij terugkeer naar de plaats waar hij zijn auto had achtergelaten, bleek dat deze in opdracht van het college werd weggesleept.

    Aan het besluit van 10 april 2017, gehandhaafd bij het besluit van 21 juni 2017, heeft het college ten grondslag gelegd dat de auto is weggesleept wegens overtreding van het voor de Kattenburgerstraat geldende parkeerverbod. Dit verbod is aangegeven met de verkeersborden E1/E10. Verder was er volgens het college geen sprake van laden en lossen dan wel onmiddellijk uitstappen van passagiers. Het laten stilstaan van een auto gedurende de tijd dat [appellant] zijn passagiers afleverde in Pension Homeland is een vorm van parkeren. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van het gebruik maken van zijn bevoegdheid om door middel van bestuursdwang handhavend op te treden, is niet gebleken, aldus het college.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het verkeersbesluit Marineterrein Kattenburgerstraat 5 van 17 december 2015 blijkt dat door het plaatsen van verkeersbord E1 een parkeerverbod geldt voor de plaats waar [appellant] zijn auto had geplaatst. In Amsterdam wordt ervan uitgegaan dat een voertuig geparkeerd staat als er gedurende 10 minuten geen laad- of losbewegingen bij het voertuig zijn waargenomen. Nu er op 10 april 2017 tussen 20:46 uur en 20:56 uur geen laad- of losbewegingen zijn waargenomen, heeft het college kunnen concluderen dat het voertuig van [appellant] geparkeerd stond, aldus het college.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden, omdat ten onrechte is vermeld dat zijn auto op 20 april 2017 aan de Kattenburgerstraat stond geparkeerd. In de besluiten van het college van 10 april 2017 en 21 juni 2017 staat de juiste datum vermeld. Niet is gebleken dat de rechtbank de verkeerde besluiten heeft getoetst. De vermelding van de datum 20 april 2017 moet worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving, die geen gevolgen heeft voor de inhoud van de uitspraak.

6.    [appellant] betoogt verder dat het voor hem niet kenbaar was dat ter plaatse een parkeerverbod gold. Bij de ingang aan de Kattenburgerstraat die hij heeft gebruikt, zijn niet de verkeersborden E1 en E10 geplaatst. Hij heeft in hoger beroep een foto van Streetview van juni 2017 overgelegd van een poort in de gesloten bebouwing aan de Kattenburgerstraat via welke poort Pension Homeland ook is bereiken. Ter plaatse waar hij heeft geparkeerd, waren geen borden geplaatst. Bovendien stonden daar ook andere auto’s geparkeerd.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geen overtreding heeft begaan voor het eerst in hoger beroep heeft betoogd dat het parkeerverbod onvoldoende kenbaar was. Dit is geen reden om deze beroepsgrond buiten beschouwing te laten, nu de kenbaarheid van het verbod essentieel is voor de vraag of het college bevoegd was de auto van [appellant] weg te slepen en de kosten daarvan op [appellant] te verhalen.

6.2.    Bij de oorspronkelijke hoofdingang van het voormalige Marineterrein, waarop Pension Homeland is gelegen, is onder andere verkeersbord E1, met de aanduiding "zone" geplaatst waarop is aangegeven dat het verboden is te parkeren. Bij deze hoofdingang is derhalve voldoende kenbaar aangegeven dat op het voormalige Marineterrein een parkeerverbod geldt. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat hij deze ingang niet is gepasseerd, omdat hij vanuit een andere richting naar het voormalige Marineterrein is gereden. Hij heeft dat bord daarom niet kunnen zien.

    De poort op de overgelegde foto is een andere toegang, die is gesitueerd in de gevel van de gesloten bebouwing van het voormalige Marineterrein. Het betreft een smalle ingang, die echter breed genoeg is om met een personenauto in te rijden. Niet betwist is dat op 10 april 2017 geen fysieke belemmeringen aanwezig waren om via deze poort naar Pension Homeland te rijden. Op de overgelegde foto is verder te zien dat bij de poort geen verkeersborden ter aanduiding van een parkeerverbod zijn geplaatst.

    Ter zitting zijn ook oudere foto’s van Streetview van de situatie ter plaatse met partijen besproken. Op de versie van augustus 2016 is te zien dat ter aanduiding van het parkeerverbod op het voormalige Marineterrein bij de door [appellant] genoemde ingang wel een verkeersbord E1 met de aanduiding "zone" is geplaatst. Niet is duidelijk wanneer en waarom dit bord tussen augustus 2016 en juni 2017 is weggehaald. Het is mogelijk dat het bord op 10 april 2017 al was verwijderd. Gelet hierop was het voor [appellant], indien hij van deze poort gebruik heeft gemaakt om Pension Homeland te bereiken, niet voldoende kenbaar dat op het voormalige Marineterrein een parkeerverbod gold.

    Het college heeft ter zitting gesteld dat het niet voor de hand ligt dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van deze poort om Pension Homeland te bereiken. Van belang is echter dat niet valt uit te sluiten dat [appellant], zoals hij zelf aangeeft, deze route heeft genomen. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat [appellant] de door hem gestelde route niet heeft gevolgd. Onder deze omstandigheden gaat de Afdeling ervan uit dat het voor [appellant] onvoldoende kenbaar was dat voor de plaats waar hij zijn auto heeft geparkeerd een parkeerverbod gold. Er was daarom geen grond om de kosten van het wegslepen te verhalen.

6.3.    Het betoog slaagt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 juni 2017 van het college alsnog gegrond verklaren. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 10 april 2017 te herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] heeft verzocht om € 300,00 verletkosten voor het bijwonen van de zittingen bij de Afdeling en € 400,00 voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. [appellant] heeft ter zitting gesteld dat hij afspraken met cliënten van zijn praktijk voor fysiotherapie heeft moeten verzetten. De geclaimde kosten zijn gebaseerd op de door zorgverzekeraars vastgestelde vergoeding per behandeling. De hoogte van deze kosten heeft [appellant] niet met stukken onderbouwd. De Afdeling acht aannemelijk dat [appellant] verletkosten heeft gehad, maar niet is gebleken dat deze kosten zo hoog zijn als gesteld. De Afdeling zal de kosten vaststellen op € 84,00 per zitting en derhalve in totaal op € 252,00. De reiskosten worden, zoals gevraagd, vergoed voor de reis Amsterdam-Den Haag. De hoogte van de vergoeding wordt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op de grondslag van de kosten van het openbaar vervoer. Die kosten bedragen € 59,14.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2018 in zaak nr. 17/4265;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 21 juni 2017, kenmerk WU.17.0677;

V.    herroept het besluit van 10 april 2017, kenmerk 1004172046075033;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 311,14 (zegge: driehonderdelf euro en veertien cent);

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Borman    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

17.

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 170, eerste lid

1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met

a. het belang van de veiligheid op de weg, of

b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

Artikel 173

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden:

a. de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen;

b. nadere regels vastgesteld over de registratie van gegevens in geval van toepassing van artikel 170, eerste lid;

c. nadere regels vastgesteld over de berekening van de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang, en

d. de overige regels vastgesteld die voor de uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 nodig worden geacht.

2. Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval

a. de aanwijzing van de plaats, onderscheidenlijk de plaatsen, waar verwijderde voertuigen in bewaring worden gesteld, en

b. de berekening van de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang, en voorts

c. de aanwijzing van de weggedeelten en wegen, voor de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onderdeel c.

Besluit wegslepen van voertuigen

Artikel 2, aanhef en onder a

De soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zijn

a. wegen en weggedeelten waar door middel van bord E 1 van bijlage 1 bij het RVV 1990 of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, van het RVV 1990 wordt aangegeven dat het verboden is te parkeren.

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Artikel 62

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Wegsleepverordening Amsterdam 2010

Artikel 2

Als wegen en weggedeelten, bedoeld in art. 170, eerste lid, onder c, van de wet worden aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Amsterdam voorzover die behoren tot een van de in art. 2 van het besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.