Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201801931/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:319, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2017 heeft de burgemeester de sluiting gelast van coffeeshop De Apotheker voor een periode van 360 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2019/104
JOM 2019/440
JOM 2019/422
Gst. 2019/116 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801931/1/A3.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

P&P Advies en Management B.V. handelend onder de naam De Apotheker, gevestigd te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2018 in zaak nr. 17/2407 in het geding tussen:

De Apotheker

en

de burgemeester van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2017 heeft de burgemeester de sluiting gelast van coffeeshop De Apotheker voor een periode van 360 dagen.

Bij besluit van 17 juli 2017 heeft de burgemeester het door De Apotheker daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 januari 2018 heeft de rechtbank het door De Apotheker daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Apotheker hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Apotheker en de burgemeester hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2018, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.H. Hermans en B. Timmermans, is verschenen.

Overwegingen

1.    Het relevante juridische kader is opgenomen in een bijlage. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2.    In een bestuurlijke rapportage van een brigadier van de politie Oost-Brabant van 14 december 2016 is - samengevat weergegeven - het volgende opgenomen. P&P Advies en Management exploiteert op het Stratumseind te Eindhoven coffeeshop De Apotheker. Op 13 december 2016 is door de politie een opsporingsonderzoek gestart in het pand [locatie] te Nuenen, de woning van [persoon]. Op de begane grond van de woning zijn verspreid in verschillende ruimtes onder meer tassen met blokken hasj en tassen met gedroogde henneptoppen aangetroffen. Op de eerste verdieping zijn eveneens tassen met gedroogde henneptoppen aangetroffen, alsook pakketten gripzakjes. Ook op de tweede verdieping zijn gedroogde henneptoppen aangetroffen. Een eerste inventarisatie wees, aldus de rapportage, uit dat het in totaal om 95,6 kilo hennep ging en 7,25 kilo hasj. Volgens de rapportage is aannemelijk dat deze softdrugs zijn bedoeld als handelsvoorraad voor coffeeshop De Apotheker. Dat heeft [persoon], enig aandeelhouder van P&P Advies en Management, aan de politie bevestigd. Verder zijn ter plaatse een groot geldbedrag, een vuurwapen met in de houder 10 scherpe patronen, 40 stuks munitie, een stroomstootwapen en een vlindermes aangetroffen.

    In een aanvullende bestuurlijke rapportage van 23 februari 2017 is een relaas opgenomen over de aanleiding voor het opsporingsonderzoek in de woning te Nuenen.

2.1.    Bij besluit van 8 januari 2017 heeft de burgemeester van Nuenen naar aanleiding van deze bevindingen de woning te Nuenen gesloten voor een periode van vier maanden. De bevindingen uit de bestuurlijke rapportages zijn voor de burgemeester aanleiding geweest om bij besluit van 22 maart 2017 de sluiting te gelasten van coffeeshop De Apotheker voor een periode van 360 dagen.

2.2.    Bij besluit van 17 juli 2017 heeft de burgemeester het bezwaar van De Apotheker ongegrond verklaard. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het bewijs dat tijdens het onderzoek door de politie in de woning te Nuenen is aangetroffen aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Verder heeft hij gesteld op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd te zijn om de sluiting te gelasten. Er bestaat, aldus de burgemeester, een directe relatie tussen de aangetroffen softdrugs in de woning en coffeeshop De Apotheker. Dat de woning niet in Eindhoven ligt, is niet van belang, aldus de burgemeester.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft het beroep van De Apotheker ongegrond verklaard. Zij is voorbij gegaan aan het betoog van De Apotheker dat het bewijs niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd, omdat het onrechtmatig zou zijn verkregen. Verder was de burgemeester volgens de rechtbank bevoegd om over te gaan tot sluiting van de coffeeshop, omdat een directe relatie bestaat tussen de in de woning aangetroffen softdrugs en coffeeshop De Apotheker. De rechtbank heeft het beleid van de burgemeester op dit punt niet kennelijk onredelijk geacht. In de achterdeurproblematiek heeft de rechtbank verder geen aanleiding gezien voor het oordeel dat toepassing van de beleidsregels voor De Apotheker onevenredig is. Ten slotte is de rechtbank niet meegegaan in het betoog van De Apotheker dat de sluiting in haar geval een punitief karakter heeft.

Het geschil in hoger beroep

4.    De Apotheker kan zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank. In de eerste plaats betoogt zij dat het bewijs onrechtmatig is verkregen en niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de sluiting van coffeeshop De Apotheker. Ten tweede betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester niet bevoegd was over te gaan tot sluiting. Zij heeft geen overtreding gepleegd, omdat in de coffeeshop de gedoogcriteria gewoon zijn nageleefd. In de derde plaats betoogt De Apotheker dat de burgemeester zijn bevoegdheid in dit concrete geval niet had mogen gebruiken. Ten slotte voert De Apotheker aan dat de sluiting van de coffeeshop in haar situatie een punitieve sanctie is. De Afdeling zal deze gronden achtereenvolgens behandelen.

i)    Onrechtmatig verkregen bewijs

5.    De Apotheker stelt zich op het standpunt dat het binnentreden in de woning van [persoon] door de verbalisanten plaatsvond op een wijze die in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verbalisanten hadden geen machtiging voor het betreden van de woning en bovendien heeft [persoon] niet vrijwillig toestemming verleend om de woning te betreden. De Apotheker heeft een vonnis overgelegd van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 21 augustus 2018 (hierna: het vonnis), waarin is geoordeeld dat de verbalisanten de woning van [persoon] onrechtmatig hebben binnengetreden. Dat betekent, aldus dit vonnis, dat de aangetroffen hennep, wapens en munitie en hetgeen de verbalisanten in de woning hebben waargenomen niet als bewijs kunnen worden gebruikt. [persoon] is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

5.1.    In het vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de aangetroffen hennep, wapens en munitie niet als bewijs zullen worden gebruikt, omdat [persoon] de toestemming tot binnentreding van de woning niet in volledige vrijheid heeft gegeven en dat de verbalisanten de woning om die reden onrechtmatig hebben binnengetreden. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspaak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3383, overweging 9.1), betekent de omstandigheid dat bewijs in strafrechtelijke zin onrechtmatig is verkregen echter niet dat het gebruik van dat bewijs in een bestuursrechtelijke procedure niet zou zijn toegestaan. Er bestaat geen rechtsregel die ieder gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs verbiedt. In het bestuursrechtelijk geding is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan indien het is verkregen op een wijze, die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

5.2.    In de aanvullende bestuurlijke rapportage van 23 februari 2017 is een relaas opgenomen over de aanleiding van het opsporingsonderzoek in de woning van [persoon] te Nuenen. Daaruit volgt dat twee verbalisanten [persoon] op 18 december 2016 hebben achtervolgd, omdat hij met hoge snelheid in een voertuig zonder geldige APK reed. Omdat de verbalisanten hem uit het oog hadden verloren, zijn twee andere verbalisanten naar de woning van [persoon] te Nuenen gereden. Ter plaatse troffen zij [persoon] en het voertuig aan. [persoon] had geen rij- of legitimatiebewijs bij zich en hij verklaarde zijn rij- of legitimatiebewijs in de woning te willen pakken, zonder daarbij vergezeld te worden door de politie. Eén van de verbalisanten heeft toen gezegd dat één van hen zou meelopen. Als hij dit niet zou toestaan, dan zou hij worden aangehouden wegens het niet op eerste vordering overgeven van het legitimatiebewijs. Daarop verklaarde [persoon] dat hij niet aangehouden wilde worden en dat de verbalisanten daarom maar even mee naar binnen moesten lopen. Eenmaal in de woning werd door de verbalisanten een overtreding van de Opiumwet geconstateerd, aldus de aanvullende bestuurlijke rapportage.

5.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bewijs dat aan de sluiting ten grondslag is gelegd onder deze omstandigheden niet op een wijze is verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van dit bewijs onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De verbalisanten hebben de woning niet betreden met het doel deze te doorzoeken op de aanwezigheid van drugs. Aanleiding voor het bezoek aan de woning was, zoals de burgemeester ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, dat [persoon] zich eerder aan een verkeerscontrole had onttrokken en er op hoge snelheid vandoor was gegaan, waarna de achtervolging is ingezet. Omdat de met hoge snelheid rijdende auto echter uit het oog werd verloren zijn andere verbalisanten, die door mobilofoonverkeer kennis droegen van de gang van zaken, naar het adres van de kentekenhouder, [persoon], gereden. [persoon] bleek geen rij- of identiteitsbewijs bij zich te hebben en wilde deze uit de woning pakken. Dat de verbalisanten daarop hebben gezegd dat zij hem in de woning wilden vergezellen, vanwege zijn eerdere (vlucht)gedrag en dat hij anders zou worden aangehouden, is geen handelwijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat de burgemeester het bewijs niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, waarnaar De Apotheker verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak ging het om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, waarbij het doel (mede) was om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te verkrijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de situatie in dit geval.

    Het betoog faalt.

ii)    De bevoegdheid en de toepassing daarvan

6.    De Apotheker betoogt dat het gedoogbeleid zich uitsluitend richt op de inrichting en hetgeen zich in de coffeeshop afspeelt. Omdat de gedoogcriteria niet buiten de coffeeshop gelden, kan een coffeeshophouder die criteria niet buiten de coffeeshop overtreden. Daarom wordt de Opiumwet niet overtreden, in het geval dat een coffeeshophouder zijn handelsvoorraad buiten de coffeeshop aanhoudt. Volgens De Apotheker heeft de rechtbank miskend dat de burgemeester niet bevoegd is om zijn sluitingsbevoegdheid toe te passen, ingeval de handelsvoorraad op geruime afstand buiten de coffeeshop wordt aangehouden. Het beleid dat de burgemeester op dit punt voert heeft, aldus De Apotheker, een te vergaande strekking. Dat beleid heeft tot gevolg dat de exploitatie van een coffeeshop in feite onmogelijk wordt gemaakt.

    De Apotheker voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sluitingsbevoegdheid. Volgens De Apotheker volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat een externe handelsvoorraad nagenoeg direct voor verkoop vanuit de coffeeshop beschikbaar moet zijn. Die situatie doet zich hier niet voor, aldus De Apotheker. Bovendien kan het oprekken van dit criterium volgens De Apotheker grote maatschappelijke gevolgen hebben.

*Bevoegdheid

6.1.    Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

6.2.    Niet in geschil is dat in de voor het publiek toegankelijke verkoopruimte van coffeeshop De Apotheker verdovende middelen, vermeld in lijst II van de Opiumwet werden verkocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vgl. de uitspraak van 9 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2011:BP7161, overweging 2.6.1) doet zich daarmee een situatie voor als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor en is de burgemeester in beginsel bevoegd om bestuursdwang toe te passen. Het met betrekking tot coffeeshops gevoerde gedoogbeleid doet aan het bestaan van deze bevoegdheid niet af. Zulk beleid brengt slechts met zich dat toepassing van die bevoegdheid in een concreet geval, waarbij de gedoogcriteria worden nageleefd, onredelijk kan zijn en daarom achterwege moet blijven.

*Toepassing van de bevoegdheid: de Beleidsregels

6.3.    De burgemeester voert beleid dat is neergelegd in de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2016 (hierna: de Beleidsregels). Op grond van de Beleidsregels dienen coffeeshops te voldoen aan de in de Beleidsregels omschreven AHOJG-criteria. Naast de AHOJG-criteria, gelden nog twee gedoogvoorwaarden in de vorm van plus-criteria. Eén van die plus-criteria houdt in dat de handelsvoorraad van een coffeeshop niet meer dan 500 gram mag zijn. Daarbij bestaat de handelsvoorraad, aldus de Beleidsregels, niet alleen uit softdrugs in de openbare verkoopruimte, maar ook uit softdrugs die elders worden aangetroffen, indien een directe relatie bestaat met de coffeeshop. Het moet volgens de Beleidsregels gaan om elders aanwezige drugs die kennelijk voor verkoop in deze coffeeshop zijn bestemd. Indien hieraan is voldaan, zijn ook softdrugs die bijvoorbeeld elders in het pand, in een ander pand of in een auto liggen, handelsvoorraad, aldus de Beleidsregels.

6.4.    De burgemeester heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de aangetroffen softdrugs in de woning van [persoon] te Nuenen onderdeel zijn van de handelsvoorraad van coffeeshop De Apotheker en dat daarom het in de Beleidsregels neergelegde handelsvoorraadcriterium is overtreden. Om die reden dient te worden beoordeeld of de rechtbank het standpunt van de burgemeester dat het handelsvoorraadcriterium is overtreden, terecht heeft gevolgd. De Apotheker betoogt in dit kader in de eerste plaats dat het in de Beleidsregels neergelegde handelsvoorraadcriterium een te vergaande strekking heeft. In de tweede plaats betoogt De Apotheker dat in dit concrete geval de relatie tussen de in de woning aangetroffen softdrugs en de coffeeshop niet direct genoeg is, omdat de softdrugs niet direct vanuit de coffeeshop beschikbaar waren. Deze twee betogen komen hieronder aan de orde.

*Het begrip handelsvoorraad in de Beleidsregels

6.5.    In de Beleidsregels heeft de burgemeester een invulling gegeven aan het begrip handelsvoorraad. Het komt er op neer dat de burgemeester softdrugs die op andere plaatsen dan in de coffeeshop worden aangetroffen onder bepaalde voorwaarden toerekent aan de handelsvoorraad van de coffeeshop. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze invulling van het begrip handelsvoorraad een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Uit rechtspraak van de Afdeling, waarvan ook melding is gemaakt in de Beleidsregels (vgl. bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7161, overweging 2.6.2), volgt dat voor de toepassing van beleid over de uitoefening van de bevoegdheid in artikel 13b van de Opiumwet belang kan toekomen aan het feit dat een directe relatie bestaat tussen de coffeeshop en drugs die zijn aangetroffen in andere lokalen. Het is, aldus deze uitspraak, niet onredelijk dat niet slechts de in de openbare verkoopruimte van een coffeeshop aanwezige softdrugs in aanmerking worden genomen met het oog op de handelsvoorraad, maar ook elders aanwezige drugs die kennelijk voor verkoop in deze coffeeshop bestemd zijn en om die reden redelijkerwijs kunnen worden geacht te behoren tot de handelsvoorraad van deze coffeeshop. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, vindt de invulling van het begrip handelsvoorraad in de Beleidsregels, dan ook steun in de rechtspraak van de Afdeling.

*De handelsvoorraad in het concrete geval

6.6.    De rechtbank heeft de burgemeester verder terecht gevolgd in zijn standpunt dat een directe relatie bestaat tussen de in de woning te Nuenen aangetroffen softdrugs en coffeeshop De Apotheker. Zoals de rechtbank terecht bij haar oordeel heeft betrokken volgt uit de bestuurlijke rapportage dat P&P Advies en Management is gevestigd op het adres van de woning te Nuenen. Deze woning wordt bewoond door [persoon], die ook enig aandeelhouder is van P&P Advies en Management. Hij heeft verklaard dat de in de woning aangetroffen softdrugs uitsluitend waren bestemd voor coffeeshop De Apotheker. Dit betekent in essentie dat de handelsvoorraad voor de coffeeshop wordt gehouden in de woning van de exploitant van de coffeeshop. Dat die woning op 10 kilometer afstand van coffeeshop De Apotheker ligt, heeft de rechtbank in dit geval terecht niet doorslaggevend geacht voor een ander oordeel. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een directe relatie tussen de in de woning aangetroffen drugs en de beoogde verkoop daarvan in de coffeeshop, waardoor in dit geval sprake is van een handelsvoorraad van de coffeeshop.

6.7.    De rechtbank heeft ten slotte terecht geoordeeld dat de burgemeester geen aanleiding hoefde te zien om vanwege de achterdeurproblematiek af te wijken van zijn Beleidsregels. Coffeeshophouders worden geacht bekend te zijn met deze problematiek en dienen daarmee rekening te houden bij de exploitatie van een coffeeshop. De met het gedoogbeleid van coffeeshops samenhangende achterdeurproblematiek brengt niet noodzakelijkerwijs met zich dat de burgemeester in zijn beleid de bevoorrading van coffeeshops met softdrugs zou moeten gedogen (vgl. de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1506). Daar komt bij dat de burgemeester op grond van de Beleidsregels pas bij een eerste constatering van méér dan 5 kilo overgaat tot een sluiting en zich zo rekenschap geeft van die achterdeurproblematiek.

iii)    Punitieve sanctie

7.    Ten slotte betoogt De Apotheker dat de overtreding in het pand in Nuenen heeft plaatsgevonden en dat die overtreding door de inbeslagname van de softdrugs en de sluiting van de woning is beëindigd en herhaling is voorkomen. De latere sluiting van de coffeeshop strekt daarom verder dan een herstelmaatregel. Dat maakt dat de sluiting van de coffeeshop punitief van aard is, aldus De Apotheker.

7.1.    Een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel strekt, zoals de Afdeling ook in haar uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1151, heeft overwogen, tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb. De sluiting van een coffeeshop door middel van het uitoefenen van bestuursdwang wordt gekwalificeerd als een bestuurlijke maatregel en niet als een punitieve sanctie. De toepassing van bestuursdwang strekt er in het algemeen toe een overtreding te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen.

    Wat betreft artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gaat het er blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II 1996/97, 25 324, nr. 3, blz. 5) om de verkoop, de aflevering of de verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs een halt toe te roepen. Dit oogmerk past in de algemene doelstelling van de Opiumwet, die primair is gericht op preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de gezondheid. Daarnaast wordt met deze bepaling beoogd negatieve effecten van de handel in en het gebruik van drugs, onder meer bezien vanuit het perspectief van de openbare orde, tegen te gaan. Het feit dat de maatregel van artikel 13b, eerste lid, is gericht op beëindiging en voorkoming van een overtreding is een aanwijzing dat het hier gaat om een bestuurlijke maatregel en niet om een criminal charge.

7.2.    Bij het beoordelen van de zwaarte van de maatregel is van belang of de maatregel zodanig zwaar is dat deze daardoor als een criminal charge moet worden beschouwd. De zwaarte van de maatregel wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven; hoe de betrokkene de maatregel subjectief ervaart is hierbij in het algemeen niet van belang. De burgemeester heeft de last tot sluiting in overeenstemming met de Beleidsregels vastgesteld en die last is, gelet op de grote handelsvoorraad van de coffeeshop, die niet in overeenstemming is met de bedoeling van kleinschaligheid waarmee het desbetreffende plus-criterium in de Beleidsregels is opgenomen, niet dusdanig zwaar dat deze daarom als punitief dient te worden bestempeld. Ook de zwaarte van de sanctie bezien in combinatie met de omstandigheid dat eerder de woning waarin de meer dan 90 kilo softdrugs zijn gevonden op last van de burgemeester van Nuenen is gesloten, maakt de sluiting van de coffeeshop niet punitief van aard. Daarbij is, zoals ook de rechtbank terecht heeft geoordeeld, van belang dat een directe relatie bestaat tussen de in de woning aangetroffen softdrugs en de beoogde verkoop daarvan in coffeeshop De Apotheker, met als gevolg dat het bij deze omvang van een handelsvoorraad passende handelsvoorraadcriterium in het handhavingsbeleid van de burgemeester van toepassing is. Ter zitting van de Afdeling heeft de burgemeester toegelicht dat de doelstelling van dit handhavingsbeleid, te weten het begrenzen van de handelsvoorraad van een coffeeshop, ook in dit geval onverkort van toepassing is. De bestuurlijke maatregel van sluiting van de coffeeshop dient daarmee een ander doel dan de sluiting van de woning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de sluiting van de woning niet met zich brengt dat de sluiting van de coffeeshop daardoor een punitief karakter heeft gekregen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Grimbergen

voorzitter    griffier    Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

581.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Opiumwet

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

[…].

Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2016

[…].

3.3.1. Gedoogde verkooppunten van softdrugs (de zgn. coffeeshops)

Een coffeeshop is een alcoholvrije horecagelegenheid waarin met inachtneming van gedoogcriteria de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van softdrugs wordt gedoogd.

De toepassing van artikel 13b Opiumwet heeft een directe relatie met het

coffeeshopbeleid van de gemeente. Bij coffeeshops gaat het immers ook om panden waar wordt gehandeld in softdrugs, maar waar bewust de handhaving op grond van artikel 13b Opiumwet conform de AHOJGI-criteria niet plaatsvindt. Ter informatie, dit coffeeshopbeleid - kort gezegd betreffende de plaatsen in de stad waar en hoe veel coffeeshops worden gedoogd, het maximumstelsel en het momenteel niet-toestaan van nieuwe coffeeshops - is neergelegd in beleid van 4 september 1995, 3 mei 1999 en 27 februari 2012 (Gemeenteblad 1999, nr, 46, en 2012, nr. 6), dat in zoverre onverkort van toepassing is.

De AHOJGI-criteria zijn:

A: geen affichering. Dit betekent geen enkele vorm van reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit.

H: geen harddrugs. Dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of worden verkocht.

O: geen overlast. Onder overlast kan worden verstaan: parkeeroverlast rond de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten.

J: geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang voor jeugdigen tot een coffeeshop. Gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van achttien jaar.

G: geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie. Dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder "transactie" wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper.

I: geen toegang voor en verkoop aan anderen dan ingezetenen van Nederland.

Eveneens gelden de volgende gedoogvoorwaarden (plus-criteria):

- geen alcohol. Coffeeshops mogen geen alcoholische dranken verkopen óf ter verkoop aanwezig hebben.

- de handelsvoorraad van de coffeeshop mag niet meer dan 500 gram bedragen. Niet alleen softdrugs in de openbare verkoopruimte vormen handelsvoorraad. Handelsvoorraad zijn ook softdrugs die elders worden aangetroffen, indien er een directe relatie bestaat met de coffeeshop. Het moet gaan om elders aanwezige drugs die kennelijk voor verkoop in deze coffeeshop zijn bestemd. Indien aan dit criterium is voldaan, gelden ook softdrugs die bijvoorbeeld elders in het pand, in een ander pand of in een auto liggen, als handelsvoorraad (vgl. ABRvS 15 juli 2009, LJN BJ2653; 7 oktober 2009, LJN BJ9521; 9 maart 2011, LJN BP7161; 22 juli 2011, LJN BR3222).

Het beleid is:

1. er wordt bestuursrechtelijk handhavend opgetreden indien een coffeeshop zich niet houdt aan de AHOJGI-plus criteria zoals hierboven aangegeven.

2. de exploitant draagt er zorg voor dat in en nabij de inrichting geen overlast, waaronder parkeeroverlast, geluidhinder, vervuiling en/of sociale onveiligheid wordt veroorzaakt.

3. als beleidsuitgangspunt wordt gekozen voor het toepassen van bestuursdwang in de vorm van sluiting van de inrichting.

4. waar in deze beleidsregel sprake is van het l-criterium geldt dat dit in Eindhoven tijdelijk is opgeschort zo lang dit bij afzonderlijke beleidsregel is bepaald (op het moment van vaststellen van deze beleidsregels: de Beleidsregel tijdelijke opschorting handhaving l-criterium Eindhoven 2016).

Handhavingsstappen

Gebeurtenis    Maatregel

[…]    […]

Handelsvoorraadcriterium   

1ste constatering:

- 500 gram tot 5 kilo: waarschuwing

- 5 tot 10 kilo: 3 maanden sluiting

- 10 tot 15 kilo: 4 maanden sluiting

- 15 tot 20 kilo: 5 maanden sluiting

- 20 tot 25 kilo: 6 maanden sluiting

- 25 tot 30 kilo: 7 maanden sluiting

- 30 tot 40 kilo: 8 maanden sluiting

- 40 tot 50 kilo: 9 maanden sluiting

- 50 tot 60 kilo: 10 maanden sluiting

- 60 tot 80 kilo: 11 maanden sluiting

- 80 kilo en meer 12 maanden sluiting

2de constatering:

- 500 gram tot 5 kilo: 1 maand sluiting

- 5 tot 10 kilo: 3 maanden sluiting

- 10 tot 15 kilo: 4 maanden sluiting

- 15 tot 20 kilo: 5 maanden sluiting

- 20 tot 25 kilo: 6 maanden sluiting

- 25 tot 30 kilo: 7 maanden sluiting

- 30 tot 40 kilo: 8 maanden sluiting

- 40 tot 50 kilo: 9 maanden sluiting

- 50 tot 60 kilo: 10 maanden sluiting

- 60 tot 80 kilo: 11 maanden sluiting

- 80 kilo en meer: 12 maanden sluiting

3de constatering:

- 500 gram tot 25 kilo: 6 maanden sluiting

- 25 kilo en meer: sluiting onbepaalde tijd,

intrekken exploitatievergunning en buiten het gedoogbeleid plaatsen van de coffeeshop.

[…]    […]