Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201710119/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:4182, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2017 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om een subsidie voor energiebesparende maatregelen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710119/1/A2.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 november 2017 in zaak nr. 17/1579 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Wonen en Rijksdienst, thans: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2017 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om een subsidie voor energiebesparende maatregelen afgewezen.

Bij besluit van 22 juni 2017 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2018, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniëls, vergezeld door Ö. Yildiz, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft op 18 september 2016 een subsidie van € 26.455,00 aangevraagd op grond van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (hierna: de Subsidieregeling) om aan de [locatie] in [woonplaats] (hierna: het gebouw) energiebesparende maatregelen te nemen, zoals spouwmuur-, gevel-, vloer- en dakisolatie en HR++ en triple glas.

De minister heeft de aanvraag afgewezen en de afwijzing bij het besluit van 22 juni 2017 gehandhaafd, omdat deze niet voldoet aan artikel 2 van de Subsidieregeling. Daarin is bepaald dat de Subsidieregeling tot doel heeft energiebesparing te stimuleren in bestaande koopwoningen. De aanvraag heeft geen betrekking daarop maar op een schoolgebouw dat zal worden verbouwd tot een woning, aldus de minister.

2.    De rechtbank heeft dit standpunt van de minister gevolgd en het beroep van [appellant] tegen het besluit van 22 juni 2017 ongegrond verklaard.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de tekst van de Subsidieregeling. Volgens [appellant] maakt hij op grond van de Subsidieregeling aanspraak op subsidie als de woning direct na realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zal worden bewoond. [appellant] voert aan dat hij vanaf 22 juli 2017 in het gebouw is gaan wonen en aan die voorwaarde voldoet. Onder verwijzing naar foto’s voert hij aan dat het gebouw ten tijde van de aanvraag al geschikt was om erin te wonen en onder meer over een eigen toegang,  keuken en toilet beschikte. [appellant] stelt dat het gebouw ook mocht worden bewoond, omdat hiervoor een vergunning was verleend, en dat hij zeker daar was gaan wonen als hij niet de (financiële) mogelijkheid had gehad om tijdens de verbouwing elders te wonen. Op de zitting heeft [appellant] aangevoerd dat uit het infoblad over het Bouwbesluit 2012, Verbouw en functiewijziging (hierna: het infoblad), volgt dat een school niet verbouwd hoeft te worden om erin te wonen.

4.    Op grond van artikel 2 van de Subsidieregeling heeft deze tot doel energiebesparing te stimuleren in bestaande koopwoningen. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Subsidieregeling wordt onder koopwoning verstaan, de woning van een eigenaar-bewoner. Op grond van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling wordt onder eigenaar-bewoner verstaan, een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd, zal hebben. [appellant] wordt, gelet op deze definitie van eigenaar-bewoner, gevolgd in zijn betoog dat hij ten tijde van de aanvraag als zodanig kon worden aangemerkt. Voor zover het betoog zo moet worden begrepen dat het gebouw ten tijde van de aanvraag reeds een bestaande koopwoning was in de zin van artikel 2 van de Subsidieregeling, wordt [appellant] daarentegen niet gevolgd. In het infoblad is vermeld dat een gebouw dat na functieverandering voldoet aan de voorschriften voor bestaande bouw voor de nieuwe gebruiksfunctie, kan worden gewijzigd in die functie zónder dat hoeft te worden verbouwd. Daaruit kan worden afgeleid dat een school niet altijd hoeft te worden verbouwd om te kunnen worden bewoond. Dit laat onverlet dat het gebouw waar het hier om gaat ten tijde van de aanvraag van school tot woning werd verbouwd, waarvoor in januari 2016 een omgevingsvergunning aan [appellant] is verleend. De minister kan dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat het gebouw ten tijde van de aanvraag geen bestaande woning was. Gegeven het doel van de Subsidieregeling om energiebesparing te stimuleren in bestaande koopwoningen en de toelichting van de minister ter zitting dat hij geen subsidie op grond van de Subsidieregeling verstrekt als de aanvraag betrekking heeft op het verbouwen van utiliteitsgebouwen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien tot vernietiging van het besluit van de minister.

Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

615.

Kaderwet overige BZK-subsidies

Artikel 2

1. Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake:

[…]

e. het bouwen, het wonen en de woonomgeving.

Artikel 4

1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen regels dan wel nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de aanvraag van de subsidie, de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden, en de besluitvorming daarover;

b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

d. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;

e. de vaststelling van de subsidie;

[…]

Subsidieregeling energiebesparing eigen huis

Artikel 1.

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

[…]

- koopwoning: woning van een eigenaar-bewoner;

- woning: bestaande gebouwde onroerende zaak, die een zelfstandige woongelegenheid vormt, niet zijnde een woonwagen of een woonboot, […]

2. Onder eigenaar-bewoner wordt in deze regeling verstaan een natuurlijke persoon die:

a. een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd, zal hebben; […]

Artikel 2.

Deze regeling heeft tot doel energiebesparing te stimuleren in bestaande koopwoningen in de particuliere sector alsmede in bestaande gebouwen van verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoöperaties, waarvan een of meer leden eigenaar-bewoner zijn.

Artikel 4.

1. Energiebesparende maatregelen zijn: spouwmuurisolatie, gevelisolatie, dakisolatie, vloer- of bodemisolatie en hoogrendementsglas, […]

Artikel 7.

1. De minister kan aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van zijn woning subsidie verstrekken voor:

a. het na de datum van indiening van de subsidieaanvraag laten uitvoeren door een bedrijf dat is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, van twee of meer energiebesparende maatregelen over de gehele daarvoor in aanmerking komende oppervlakten van de woning of over ten minste de oppervlakten, genoemd in artikel 4, tweede, derde, vierde of vijfde lid;

[…]