Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201802427/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, wijzigingsplan Sprundelsebaan 167" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802427/1/R2.

Datum uitspraak: 20 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, wijzigingsplan Sprundelsebaan 167" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, wijzigingsplan Sprundelsebaan 167" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2018, waar het college, vertegenwoordigd door A.J.J. Neele, is verschenen. Voorts is [initiatiefnemer], bijgestaan door [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het wijzigingsplan heeft betrekking op de gronden aan de Sprundelsebaan 167. Het wijzigingsplan vindt zijn grondslag in het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013". In dat bestemmingsplan is aan bedoelde gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapwaarden" met een bouwvlak toegekend. Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 4, lid 4.7, aanhef en onder d, van de planregels van het bestemingsplan heeft het college de bestemming van de gronden binnen het bouwvlak gewijzigd in de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "paardenhouderij". Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit onder f van dit artikellid heeft het college de bestemming van stroken grond die direct aan het bouwvlak grenzen gewijzigd in de bestemming "Natuur".

    Het college heeft het wijzigingsplan bij besluit van 8 mei 2018 opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. De Afdeling zal eerst het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 mei 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 13 maart 2018.

2.    [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie]. Dit perceel grenst aan de zuidzijde aan de Sprundelsbaan en de dichtstbijzijnde grens van dit perceel ligt op ongeveer 60 m van het plangebied. Dit deel van het perceel bestaat uit bos. De woning van [appellant] staat aan de noordwestzijde van zijn perceel op een afstand van ongeveer 200 m van het plangebied. [appellant] vreest met name dat het wijzigingsplan een negatief effect zal hebben op zijn woon- en leefsituatie, het bos op zijn gronden en het verkeer.

Belanghebbendheid

3.    Het college stelt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het wijzigingsplan. Het wijst daartoe op de afstand van 200 m tussen de woning van [appellant] en het plangebied en het ontbreken van rechtstreeks zicht op de voorziene bedrijfsgebouwen door die afstand en door een groot bosperceel dat tussen het perceel van [appellant] en het plangebied ligt.

3.1.    Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. De Afdeling heeft in de uitspraak van onder meer 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, overwogen dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals in dit geval een wijzigingsplan - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.

    Eerst stelt de Afdeling vast dat, zoals in overweging 2 is vermeld, [appellant] een groot perceel heeft waarop onder meer een bos ligt. De kortste afstand tussen dit perceel en het plangebied is 60 m. Vanaf dit dichtstbijzijnde deel van het perceel is er direct zicht op het plangebied en de daar voorziene gebouwen. Voorts is niet uit te sluiten dat zich feitelijke gevolgen door onder meer geur en geluid op het perceel van [appellant] zullen voordoen ten gevolge van het plan. De omstandigheid dat de woning van [appellant] elders op het perceel en op grotere afstand ligt, doet daaraan niet af.

    Gelet hierop is [appellant] belanghebbende bij het besluit. Het betoog van het college faalt.

Toetsingskader

4.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Beoordeling beroepsgronden

5.    [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de verordening), omdat er geen sprake is van een kwalitatieve verbetering. Daartoe wijst hij er op dat de in het plan opgenomen nieuwe natuur er al is en de bouwmogelijkheden groot zijn.

5.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat aan verordening is voldaan. Het betoogt daartoe dat zowel in de toelichting van het wijzigingsplan, als het bestemmingsplan waarop het wijzigingsplan is gebaseerd, is bezien of sprake is van een kwaliteitsverbetering. Volgens het college is daarvan sprake omdat aan het Landschapsinvesteringsplan Breda wordt voldaan, dat is opgesteld ter uitwerking van de op grond van de verordening vereiste kwaliteitsverbetering.

5.2.    De Afdeling gaat ervan uit dat [appellant] betoogt dat niet is voldaan aan artikel 3, lid 3.1. en 3.2., van de verordening dat ziet op de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Ingevolge dit artikel moet in de toelichting bij een plan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt verantwoordt worden dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. Voorts moet een plan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepalen dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van onder meer natuur of landschap.

    De Afdeling stelt vast dat zowel in de toelichting bij het bestemmingsplan als in de toelichting bij het wijzigingsplan is bezien of aan de eis van kwaliteitsverbetering als bedoeld in de verordening is voldaan. Daartoe is in de toelichting bij het bestemmingsplan vermeld dat om te voldoen aan de verordening de gemeentelijke "Landschapsinvesteringsregeling Breda" is ontwikkeld. Bij deze landschapsinvesteringsregeling is uitgegaan van de provinciale Handreiking Kwaliteitsverbetering uit 2011 en deze regeling is met het provinciaal bestuur afgestemd. Voorts wordt in de planregels van het bestemmingsplan verwezen naar deze landschapsinvesteringsregeling, die als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan is opgenomen. In de toelichting bij het wijzigingsplan is voorts bezien of aan de voorwaarden uit de landschapsinvesteringsregeling, en daarmee aan de verordening, wordt voldaan. Daarvan is, zo blijkt uit de plantoelichting, sprake onder meer door het toekennen van de bestemming "Natuur" aan gronden in het plangebied waardoor zowel nieuwe natuur wordt toegevoegd áls in een landschappelijke inpassing van de ontwikkeling wordt voorzien.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan in strijd is met genoemde artikelen uit de verordening. Daartoe is onder meer van belang dat anders dan [appellant] veronderstelt, de reeds aanwezige natuur niet op de gronden met de bestemming "Natuur" is gelegen. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat met het toekennen van de bestemming nieuwe natuur wordt toegevoegd. Ook betekent de enkele omstandigheid dat het wijzigingsplan bouwmogelijkheden biedt die [appellant] als "groot" aanduidt, niet dat met het plan als geheel de ruimtelijke kwaliteit niet wordt verbeterd.

    Het betoog faalt.

6.    Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte geen dan wel onvoldoende onderzoek is gedaan naar schadelijke effecten van ammoniakuitstoot voor het bos op zijn gronden, stelt de Afdeling vast dat uit de plantoelichting blijkt dat deze gevolgen van de voorziene paardenhouderij zijn bezien en dat binnen een straal van 50 m vanaf de bestemming "Bedrijf" die de paardenhouderij mogelijk maakt, geen gevolgen optreden. Het college concludeert op basis daarvan dat van schadelijke effecten geen sprake is. Wat betreft de gronden van [appellant] zijn effecten volgens het college uitgesloten vanwege de afstand van 80 m tussen de gronden van [appellant] en de bedrijfsgronden waarop de paardenhouderij is voorzien.

    [appellant] heeft deze conclusie inhoudelijk niet aangevochten. Voor zover [appellant] verwijst naar een aan te houden grotere afstand tot op grond van de Wet Ammoniak en Veehouderij als kwetsbaar aangeduide gebieden en de aanwezigheid van het Natuurnetwerk Nederland, heeft het college enkel daarin geen aanleiding hoeven zien tot nader onderzoek. Daartoe heeft het college er onder meer op kunnen wijzen dat de gronden van [appellant] geen deel uitmaken van een als zodanig aangeduid kwetsbaar gebied.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] voert gronden aan over mogelijke schade aan de te realiseren nieuwe natuur in het plangebied en over het woon- en leefklimaat op twee percelen aan de Sprundelsebaan.

7.1.    Wat betreft het betoog over mogelijke schade aan de te realiseren nieuwe natuur in het plangebied, stelt de Afdeling vast dat aan de gronden waar deze nieuwe natuur is voorzien de bestemming "Natuur" is toegekend. Artikel 5, lid 5.1, van de planregels bepaalt dat deze gronden bestemd zijn voor onder meer de duurzame instandhouding van natuurgebieden en behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden.

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. De hiervoor genoemde planregel strekt tot de bescherming van natuurbelangen ter plaatse van de bestemming "Natuur". Deze regel strekt niet tot de bescherming van het belang van [appellant], dat is gelegen in het gevrijwaard blijven van een aantasting van zijn woon- en leefklimaat door het toestaan van een paardenhouderij ter plaatse. Derhalve kan het betoog van [appellant] met betrekking tot de natuurwaarden, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding tot een inhoudelijke bespreking daarvan.

    Voor zover [appellant] betoogt dat het woon- en leefklimaat op twee percelen aan de Sprundelsebaan wordt aangetast, stelt de Afdeling vast dat [appellant] deze percelen niet bewoont of in eigendom heeft. [appellant] komt daarmee niet op voor zijn belang, dat is gelegen in het gevrijwaard blijven van een aantasting van zijn woon- en leefklimaat door het toestaan van een paardenhouderij ter plaatse. Gelet hierop kan ook dit betoog ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet daarom eveneens af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog.

8.    [appellant] vreest dat zijn woon- en leefklimaat zal worden aangetast door een toename in verkeersbewegingen op de Sprundelsebaan ten gevolge van de paardenhouderij. In dat verband stelt hij dat van een onjuist aantal verkeersbewegingen op de Sprundelsebaan is uitgegaan en wijst hij erop dat in de zomer van 2018 is aangekondigd dat er een verkeersstromenonderzoek in de omgeving De Rith zal worden uitgevoerd.

8.1.    Het college stelt dat het wijzigingsplan leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename die geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de omgeving. Het door [appellant] genoemde verkeersstromenonderzoek is niet in het kader van of met het oog op dit wijzigingsplan uitgevoerd, maar is gedaan in het kader van een participatie-initiatief waarin het hele gebied en eventuele gewenste ontwikkelingen daarin, worden bezien.

8.2.    De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting is vermeld dat de voorziene ontwikkeling een beperkte toename van het verkeer tot gevolg zal hebben, mede omdat daarvan een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking uitgaat. Deze toename zal geen onevenredig effect hebben op de verkeerssituatie op de Sprundelsebaan. Ook de verkeersveiligheid zal hierdoor niet in het gedrang komen. Gelet hierop heeft het college geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat van [appellant] niet onaanvaardbaar wordt aangetast door de verkeersgevolgen van de toegestane ontwikkeling. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. De enkele stelling dat het aantal bestaande verkeersbewegingen per dag hoger is dan waar het college van is uitgegaan, is daartoe onvoldoende nu [appellant] daarbij verwijst naar informatie die niet de Sprundelsebaan betreft. Overigens heeft het college ter zitting gesteld dat de bestaande verkeersbewegingen waarvan in het wijzigingsplan is uitgegaan, in voornoemde verkeersstromenonderzoek zijn bevestigd.

    Het betoog faalt.

9.    De stellingen van [appellant] over een aanduiding "beperkingen veehouderij", het reeds eerder beëindigde agrarisch gebruik van de gronden en een participatie-visie "Duurzame en Groene Rith", zijn niet nader geduid als gericht tegen het wijzigingsplan. Evenmin zijn deze stellingen onderbouwd. Reeds hierom falen deze.

10.    Het beroep is, voor zover het is gericht tegen het besluit van 8 mei 2018, ongegrond.

Besluit van 13 maart 2018

11.    Nu het besluit van 8 mei 2018 waarbij het besluit van 13 maart 2018 is vervangen in stand blijft, komt aan dat laatste besluit geen betekenis meer toe. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 13 maart 2018.

12.    Het beroep van [appellant] is, voor zover het is gericht tegen het besluit van 13 maart 2018, niet-ontvankelijk.

Proceskosten

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 13 maart 2018;

II.    verklaart het beroep van [appellant] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Pans    w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019

458-911.