Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804489/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarkt Wiekslag" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804489/2/R2.

Datum uitspraak: 19 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Aldi Vastgoed B.V. en Aldi Culemborg B.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: Aldi), beide gevestigd te Culemborg,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarkt Wiekslag" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Aldi beroep ingesteld. Aldi heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 januari 2019, waar Aldi, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.A. Mohuddy en mr. M. Buitenhuis, beiden advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door D. Schalks, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Lidl Nederland Gmbh, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan voorziet in een verplaatsing en vergroting van een Lidl-supermarkt en de aanleg van een parkeerterrein in Amersfoort. De bestaande Lidl-supermarkt met een winkelvloeroppervlakte van 850 m2 aan de Rietzangerstraat zal enkele tientallen meters worden verplaatst naar de Wiekslag en het plan staat voor de nieuwe locatie maximaal 1.375 m2 aan winkelvloeroppervlakte toe. De locatie van de bestaande supermarkt is in het plan bestemd als parkeerterrein.

3.    Wat betreft het spoedeisend belang van Aldi bij schorsing van het plan overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting is meegedeeld dat voor het bouwen van de nieuwe supermarkt van Lidl aan de Wiekslag op 15 oktober 2018 een omgevingsvergunning is verleend. De kennisgeving daarvan heeft op 31 oktober 2018 plaatsgevonden. Tegen die omgevingsvergunning heeft Aldi in november 2018 bezwaar gemaakt en de gronden daarvan op 20 december 2018 aangevuld. Ter zitting is meegedeeld dat de hoorzitting in die bezwaarprocedure op 11 februari 2019 zal worden gehouden. De voorzieningenrechter constateert dat Aldi niet gelijktijdig met het indienen van haar bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning heeft verzocht om een voorlopige voorziening bij de Afdeling over het plan, maar daar ongeveer twee maanden mee heeft gewacht.

Ter zitting is door Lidl is meegedeeld dat de bouw van de nieuwe supermarkt aan de Wiekslag nagenoeg is voltooid. Door Aldi is die stelling niet weersproken. Gelet op de fase waarin de bezwaarprocedure tegen de verleende omgevingsvergunning zich bevindt, is weliswaar nog steeds sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, maar in dit geval acht de voorzieningenrechter van doorslaggevend belang dat Aldi onnodig lang heeft gewacht met het indienen van het voorliggende verzoek, terwijl Aldi wist of redelijkerwijs kon weten dat de bouw al enige tijd in volle gang was. Aangezien de nieuwe Lidl-supermarkt bijna gereed is, hebben de door Aldi gevreesde gevolgen van het plan zich reeds voorgedaan. De nieuwe supermarkt kan eventueel in het uiterste geval worden gesloten, mocht in de bodemprocedure blijken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Op dit moment prevaleert daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van Lidl bij het kunnen afbouwen, inrichten en openen van de supermarkt, boven het belang van Aldi bij schorsing van het plan.

4.    Voorts betwijfelt de voorzieningenrechter of het beroep van Aldi in de bodemzaak door de Afdeling ontvankelijk zal worden verklaard. Ter zitting is gebleken dat de dichtstbijzijnde panden die Aldi vastgoed B.V. in eigendom heeft in Baarn en Zeist staan. Aangezien die panden op een afstand van 10 tot 15 kilometer van het plangebied staan, verwacht de voorzieningenrechter dat gelet op deze omstandigheid in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Aldi vastgoed B.V. geen belanghebbende is bij het voorliggende plan.

Met betrekking tot Aldi Culemborg B.V., overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Niet in geschil is dat de toekomstige Aldi aan het Neptunusplein - op ongeveer 650 meter van het plangebied - binnen hetzelfde verzorgingsgebied ligt als de nieuwe Lidl. Ter zitting is gebleken dat ten tijde van het instellen van beroep op 1 juni 2018 de Aldi-winkel aan het Neptunusplein nog niet was geopend en op dat moment door Aldi enkel een huurovereenkomst was getekend voor het pand aan het Neptunusplein. Pas in december 2018 is met de eerste werkzaamheden ter plaatse begonnen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan Aldi aan de nog te bouwen supermarkt aan het Neptunusplein niet haar belanghebbendheid ontlenen, aangezien daar ten tijde van het instellen van beroep nog geen sprake was van een begin van exploitatie. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8046.

Verder is de voorzieningenrechter op basis van de overgelegde stukken - in het bijzonder het rapport 'Marktonderbouwing Aldi Neptunusplein Amersfoort' van december 2016, opgesteld door Seinpost Adviesbureau in opdracht van Aldi - en het verhandelde ter zitting nog niet ervan overtuigd dat de dichtstbijzijnde, reeds bestaande Aldi-supermarkt aan de Kreupelstraat in Amersfoort op ongeveer 1,3 kilometer van het plangebied binnen hetzelfde verzorgingsgebied ligt als de nieuwe Lidl. De vraag of Aldi Culemborg B.V. als belanghebbende kan worden aangemerkt, vergt echter nader onderzoek in de bodemzaak.

5.    De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Vreugdenhil

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019

571.