Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201900594/3/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900594/3/V1.

Datum uitspraak: 15 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

[de vreemdeling],

verzoekster.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij tussenuitspraak van 5 januari 2016 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.

Bij uitspraak van 21 december 2018 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 december 2015 door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), zoals die bepaling luidde ten tijde van de asielaanvraag, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Bij uitspraak van 13 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling deze uitspraak bevestigd en het verzoek van de vreemdeling tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

De vreemdeling heeft bij brief van 12 februari 2019 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen haar voorgenomen uitzetting op 17 februari 2019 en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt uitgezet totdat op het bezwaarschrift is beslist.

2.    Gelet op hetgeen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 februari 2019 in zaak nr. 201900594/1/V1 en 201900594/2/V1 is overwogen en omdat hetgeen de vreemdeling in haar verzoek heeft aangevoerd geen grond biedt om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting uit te gaan, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2019

210.