Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
201707665/1/V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 18 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707665/1/V1.

Datum uitspraak: 19 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2017 in zaken nrs. NL17.7415 en NL17.7416 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 19 september 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De vreemdelingen zijn staatloze Palestijnen en zijn als vluchteling geregistreerd bij United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: UNRWA) in Libanon. Zij hebben voorafgaand aan hun komst naar Nederland in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de VAE) verbleven. De vreemdelingen zijn op 19 mei 2017 uit de VAE vertrokken omdat de arbeidsovereenkomst van de man eind 2017 zou eindigen.

    De staatssecretaris heeft de VAE aangemerkt als de gebruikelijke verblijfplaats van de vreemdelingen en de aanvraag afgewezen omdat de vreemdelingen geen asielrechtelijk relevante elementen naar voren hebben gebracht over hun verblijf in de VAE.

3.    Het geschil gaat over de vraag of de vreemdelingen, als staatloze Palestijnen die geregistreerd zijn bij UNRWA, als vluchtelingen moeten worden aangemerkt en of zij naar de VAE kunnen terugkeren. Niet in geschil is dat de VAE voor de vreemdelingen het land is waar zij hun gebruikelijke verblijfsplaats hebben.

4.    In de grief klagen de vreemdelingen dat de rechtbank een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip 'vluchtelingen'. De vreemdelingen voeren daartoe onder meer aan dat uit het Vluchtelingenverdrag rechtstreeks voortvloeit dat zij als staatloze Palestijnen vluchtelingen zijn en dat zij daarom niet hoeven aan te tonen dat zij gevaar lopen in de VAE. Daarbij wijzen de vreemdelingen op artikel 1A, tweede lid, en artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en op zaak C-585/16, Alheto, van het Hof van Justitie (hierna: het Hof). De vreemdelingen stellen dat UNRWA hen geen hulp kan bieden. Verder voeren zij aan dat zij niet kunnen terugkeren naar de VAE en in dat land gedetineerd kunnen worden omdat zij geen verblijfsvergunning hebben voor de VAE.

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag

4.1.    Het Hof heeft in het arrest van 17 juni 2010, ECLI:EU:C:2010:351 (hierna: het arrest Bolbol), punt 51, overwogen dat uit de duidelijke bewoordingen van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag volgt dat alleen degenen die daadwerkelijk de door UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen onder de in dit artikel genoemde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vallen.

    In het arrest van 19 december 2012, ECLI:EU:C:2012:836 (hierna: het arrest El Kott), punt 52, heeft het Hof overwogen dat de in artikel 12, eerste lid, onder a, eerste volzin, van de Kwalificatierichtlijn 2004 neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus niet alleen van toepassing is op personen die thans de door UNRWA verleende bijstand genieten, maar ook op degenen die deze bijstand hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat, voor zover die bijstand niet is opgehouden als bedoeld in de tweede volzin van dit artikel. Verder heeft het Hof in punt 61 van dit arrest overwogen dat een situatie als bedoeld in die tweede volzin zich voordoet als het vertrek van de betrokken persoon zijn rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil die hem dwingen dat gebied te verlaten en hem op die manier beletten de door UNRWA verleende bijstand te genieten.

    In het arrest van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584 (hierna: het arrest Alheto), punt 90, heeft het Hof overwogen dat artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn meebrengt dat bij de behandeling van een asielverzoek dat is ingediend door een persoon die bij UNRWA is geregistreerd, onderzoek nodig is naar de vraag of deze persoon daadwerkelijk bescherming of bijstand van UNRWA geniet.

4.2.    De Afdeling leidt uit de arresten Bolbol en El Kott, zoals hiervoor aangehaald, af dat een vreemdeling is uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag als de betreffende vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van UNRWA heeft ontvangen, voor zover die bijstand niet is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van die vreemdeling. Uit het arrest Alheto volgt dat als een vreemdeling bij UNRWA is geregistreerd, onderzocht moet worden of die vreemdeling daadwerkelijk bescherming of bijstand van UNRWA ontvangt.

4.3.    Omdat de vreemdelingen zijn geregistreerd bij UNRWA, moet onderzocht worden of zij daadwerkelijk bescherming van UNWRA ontvangen en of die bescherming is opgehouden om redenen als voormeld.

4.4.    De man heeft verklaard dat hij is geboren in de VAE en altijd in de VAE heeft gewoond, behoudens een periode van twee jaar waarin hij in verband met studie in Libanon in het vluchtelingenkamp Ein El Hilweh heeft gewoond. De vrouw heeft verklaard dat zij is geboren in Libanon en in hetzelfde vluchtelingenkamp heeft gewoond als de man totdat zij 18 jaar was. Verder heeft de vrouw verklaard dat zij dit vluchtelingenkamp in 2005 heeft verlaten omdat zij bij haar echtgenoot in de VAE ging wonen. Ook hebben de vreemdelingen verklaard dat zij niet naar het vluchtelingenkamp in Libanon kunnen terugkeren omdat daar in 2017 gevechten zijn geweest, dit kamp is vernield en het voor hen daar niet veilig is.

    Uit deze verklaringen volgt dat de vreemdelingen niet direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van hun asielaanvragen op 20 mei 2017 bijstand van UNRWA hebben ontvangen. Verder volgt uit deze verklaringen dat zowel de man als de vrouw vanuit het vluchtelingenkamp in Libanon vrijwillig naar de VAE zijn vertrokken. Daarmee hebben zij vrijwillig afstand gedaan van de mogelijkheid om van UNRWA bijstand te ontvangen, zodat geen situatie bestaat waarin bijstand van UNRWA is opgehouden om redenen buiten hun invloed en onafhankelijk van hun wil. Dit betekent dat niet is voldaan aan de vereisten voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus, zodat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet op de vreemdelingen van toepassing is. Aan de verklaringen van de vreemdelingen dat zij niet kunnen terugkeren naar het vluchtelingenkamp in Libanon wordt daarom niet toegekomen.

    Dit deel van de grief faalt.

Artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag

4.5.    Uit artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag volgt dat vreemdelingen, ook als zij geen nationaliteit bezitten, aannemelijk moeten maken dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging in het land waar zij hun gebruikelijke verblijfsplaats hebben. Het betoog van de vreemdelingen dat zij, gelet op voormeld artikel, als staatloze Palestijnen niet aannemelijk hoeven te maken dat zij gevaar lopen in de VAE, faalt daarom.

Subsidiaire bescherming

4.6.    De vreemdelingen hebben zich niet tot de autoriteiten van de VAE gewend voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning of visum, zodat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet weer een verblijfsvergunning voor de VAE kunnen verkrijgen, geen toegang hebben tot de VAE en in de VAE gedetineerd zullen worden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2255).

    Ook dit deel van de grief faalt.

4.7.    Uit het voorgaande volgt dat de grief faalt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Helmich, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Helmich

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019

827.

Vluchtelingenverdrag

Artikel 1

A. Voor de toepassing van dit Verdrag geldt als „vluchteling" elke persoon:

(…)

2. Die (…) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren. (…)

D.    Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.    

    Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.

Kwalificatierichtlijn 2004 (PB 2004 L 304)

Artikel 12

1. Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer:

a) hij onder artikel 1D van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de Hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;

(…)

Kwalificatierichtlijn (herschikking: PB 2011 L 337)

Artikel 12

1. Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer:

a) hij onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;

(…)