Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
201804057/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:5285, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 14 maart 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804057/1/V3.

Datum uitspraak: 12 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 mei 2018 in zaken nrs. NL18.5246 en NL18.5248 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 14 maart 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. W. de Vilder, advocaat te Beek, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Op 1 maart 2017 hebben de Roemeense autoriteiten aan de vreemdelingen internationale bescherming verleend.

    De staatssecretaris heeft de asielaanvragen van de vreemdelingen krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vreemdelingen door de Roemeense autoriteiten in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning en daardoor als statushouders een zodanige band hebben met Roemenië dat het voor hen redelijk zou zijn daarheen te gaan.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000, nu hij de algemene informatie over de positie van statushouders alsmede de individueel aangedragen omstandigheden van de vreemdelingen over hun positie in dat land bij zijn beoordeling of zij een zodanige band met Roemenië hebben dat het voor hen redelijk zou zijn daarheen te gaan, niet heeft betrokken.

3.    De eerste grief is gericht tegen de onder 2. weergegeven overweging. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij de beoordeling of sprake is van een band met Roemenië de door de vreemdelingen aangevoerde feiten en omstandigheden had moeten betrekken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253) is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Nu de Roemeense autoriteiten aan de vreemdelingen internationale bescherming hebben verleend, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat de band van de vreemdelingen met Roemenië zodanig is dat het voor hen redelijk zou zijn naar dat land terug te gaan ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

    De eerste grief slaagt.

4.    De rechtbank volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken niet blijkt dat de situatie in Roemenië voor statushouders in het algemeen zo slecht is dat sprake is van een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Tegen dit oordeel zijn de staatssecretaris en de vreemdelingen in hoger beroep niet opgekomen.

5.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de omstandigheden dat de vreemdelingen na een jaar opvang en financiële tegemoetkoming te hebben gekregen, hierop geen recht meer hadden, onvoldoende kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken en dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat deze omstandigheden niet maken dat van de vreemdelingen verlangd kan worden terug te keren naar Roemenië. Gelet hierop en omdat het hier gaat om een gezin met jonge kinderen, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen, zonder aanvullende garanties, bij terugkeer naar Roemenië geen risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

5.1.    De tweede grief is gericht tegen de onder 5. weergegeven overweging. De staatssecretaris heeft zich in zijn besluiten van 14 maart 2018 terecht op het standpunt gesteld dat uit het relaas van de vreemdelingen niet blijkt dat zij in Roemenië verstoken zijn van de benodigde voorzieningen. Volgens hun eigen verklaringen hebben zij, nadat de Roemeense autoriteiten hen in het bezit hadden gesteld van verblijfsvergunningen, nog tot hun vertrek opvang genoten. Dat de vreemdelingen na een jaar hierop mogelijk geen recht meer hadden, maakt niet dat hun situatie in Roemenië zo slecht is dat sprake is van een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Dit te meer nu uit het 'Country Report: Romania, februari 2018' van Asylum Information Database, zoals de staatssecretaris in hoger beroep terecht betoogt, blijkt dat er projecten zijn waar statushouders worden geholpen bij het vinden van huisvesting. Daarnaast hebben de vreemdelingen verklaard dat zij medische hulp konden verkrijgen en toegang hadden tot de arbeidsmarkt. Ook voert de staatssecretaris terecht aan dat de vreemdelingen weliswaar hebben gesteld geen werk te kunnen vinden, maar van pogingen werk te verkrijgen is niet gebleken.

5.2.    De staatssecretaris erkent dat het door regionale verschillen in economische ontwikkelingen tussen regio's niet overal even gemakkelijk zal zijn werk te vinden, maar voert daarbij terecht aan dat van de vreemdelingen mag worden verwacht dat zij in Roemenië zelf de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren bijvoorbeeld door elders in Roemenië werk te zoeken. Gesteld noch gebleken is dat de vreemdelingen zich in dat verband ook tot de (hogere) autoriteiten in Roemenië hebben gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Roemeense autoriteiten de vreemdelingen niet willen of kunnen helpen. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Roemenië in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zullen komen. Het vragen van aanvullende garanties aan de Roemeense autoriteiten is dan ook niet aan de orde.

6.    De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen bij terugkeer naar Roemenië geen risico lopen om in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht te zullen komen.

    De tweede grief slaagt.

7.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 14 maart 2018 alsnog ongegrond verklaren.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 mei 2018 in zaken nrs. NL18.5246 en NL18.5248;

III.    verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2019

47-872.