Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
201710175/1/R1 en 201801523/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2017, kenmerk RWS-2017/36761, heeft de minister het projectplan "Projectplan IJsseldelta-Zuid voor de maatregel doorgaande vaarverbinding Reevediep (hierna: projectplan)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2019/141
JWA 2020/4 met annotatie van
M en R 2020/10 met annotatie van M.M. Kaajan
JOM 2020/10
Milieurecht Totaal 2020/7094
TBR 2020/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710175/1/R1 en 201801523/1/R1

Datum uitspraak: 24 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Stichting Werkgroep Zwartendijk, gevestigd te Kampen,

2.    Natuurvereniging IJsseldelta, gevestigd te Kampen,

appellanten,

en

1.    de minister van Infrastructuur en Milieu,

2.    de raad van de gemeente Kampen,

3.    het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2017, kenmerk RWS-2017/36761, heeft de minister het projectplan "Projectplan IJsseldelta-Zuid voor de maatregel doorgaande vaarverbinding Reevediep (hierna: projectplan)" vastgesteld.

Ter uitvoering van het projectplan zijn de hieronder genoemde besluiten genomen.

Bij besluit van 11 september 2017, kenmerk: 2017/0337155, heeft het college vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor het realiseren en gebruik van de doorgaande vaarverbinding van het Reevediep, binnen een afstand van 150 m van de rietlanden bij het aansluitpunt met het Drontermeer.

Bij besluit van 2 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid, 1e herziening Reevediep" vastgesteld.

Tegen het projectplan, de vergunning en het bestemmingsplan hebben de Stichting en de Vereniging beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de Afdeling geregistreerd onder zaak nr. 201710175/1/R1.

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Reeve" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de Stichting en de Vereniging beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de Afdeling geregistreerd onder zaak nr. 201802133/1/R1.

Bij besluit van 5 februari 2018, kenmerk: 2018/0019681, heeft het college de vergunning gewijzigd. Tegen dit besluit hebben de Stichting en de Vereniging beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de Afdeling geregistreerd onder zaak nr. 201801523/1/R1.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De Stichting, de Vereniging en verweerders hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Stichting, de Vereniging en verweerders hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd met zaak nr. 201802133/1/R1 ter zitting behandeld op 7 november 2018, waar de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De Stichting, de Vereniging en verweerders hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd met zaak nr. 201802133/1/R1 opnieuw ter zitting behandeld op 16 oktober 2019, waar de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde E], de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], de minister, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, het college, vertegenwoordigd door ing. A.J. van Leeuwen, drs. R.M.G. van der Hut en mr. Reinders voornoemd, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Reinders voornoemd, zijn verschenen. Na de zitting is de zaak nr. 201802133/1/R1 weer afgesplitst.

Overwegingen

Projectplan Inrichting IJsseldelta-Zuid uit 2013

1.    Bij besluit van 12 december 2013 heeft de minister het projectplan "Projectplan Waterwet Inrichting IJsseldelta-Zuid (Reevediep)" vastgesteld. Ter uitvoering van het projectplan zijn door de betrokken bevoegde gezagen de benodigde uitvoeringsbesluiten genomen. Het projectplan uit 2013 en de uitvoeringsbesluiten strekten tot uitvoering van de Planologische Kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier". Het voornaamste onderdeel van deze besluiten betrof de aanleg en inrichting van een hoogwatergeul - het Reevediep ook wel aangeduid als bypass - ten zuiden van Kampen. Deze hoogwatergeul verbindt de IJssel via het Vossemeer en het Drontermeer met het IJsselmeer. Bij hoogwater op de IJssel wordt via de hoogwatergeul water afgevoerd naar het IJsselmeer, hetgeen leidt tot een verlaging van de waterstand van de IJssel. Binnen de hoogwatergeul was voorzien in een vaarweg of -geul, teneinde een (rechtstreekse) vaarroute voor recreatievaartuigen tot stand te brengen tussen de IJssel en het Drontermeer. Een van de uitvoeringsbesluiten, het door de raad bij besluit van 12 december 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Dorp Reeve", voorzag daarnaast in de realisatie van een nieuwe woonwijk met 1.300 woningen en maximaal 1.100 ligplaatsen voor (recreatie)vaartuigen, het zogeheten dorp Reeve, ten zuiden van Kampen.

2.    Tegen het in 2013 vastgestelde projectplan en de uitvoeringsbesluiten zijn beroepen ingesteld, onder meer door de Stichting en de Vereniging, vanwege de gevolgen van deze besluiten voor de natuur- en landschapswaarden van het gebied. Betoogd werd onder meer dat de besluiten leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, vanwege nadelige gevolgen voor twee (moeras)vogelsoorten, te weten de roerdomp en de grote karekiet. Daarnaast hebben de Stichting en de Vereniging betoogd dat niet is aangetoond dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de 1.300 woningen en de bijbehorende ligplaatsen in het dorp Reeve.

Tussenuitspraak van 11 februari 2015

3.    De Afdeling heeft in 32.4 van haar tussenuitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:345, overwogen dat uit de passende beoordeling die is verricht voor het projectplan en de uitvoeringsbesluiten volgt dat de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam, zonder het treffen van de beoogde mitigerende maatregel in de vorm van nieuw rietmoeras, leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, vanwege de aantasting van het broed- en leefgebied van de roerdomp en de grote karekiet. Het nieuw te realiseren rietmoeras ten noorden van de Hanzelijn kan, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 15 mei 2014 in zaak nr. C-521/12, ECLI:EU:C:2014:330 (Briels), niet worden aangemerkt als een mitigerende maatregel, aldus de Afdeling in haar tussenuitspraak van 11 februari 2015.

4.    In 12.7 van de tussenuitspraak van 11 februari 2015 heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad de actuele regionale behoefte aan de 1.300 woningen in het dorp Reeve niet inzichtelijk heeft gemaakt en dat het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In 12.8 heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op de samenhang tussen de woningen in het dorp Reeve en de jachthaven direct ten westen van het dorp, de behoefte aan de jachthaven en de bijbehorende ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen evenmin inzichtelijk is gemaakt.

5.    Wat betreft het plandeel voor de hoogwatergeul heeft de Afdeling in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil destijds aanleiding gezien de toenmalige verweerders op de voet van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op te dragen het gebrek in de onderscheiden besluiten te herstellen. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat de uitvoering van het projectplan, wat betreft de hoogwatergeul en de Reevedam, alleen doorgang kan vinden indien voldaan wordt aan de criteria van artikel 19g en 19h van de Natuurbeschermingswet 1998 (de zogeheten "ADC-toets"). Indien voornoemde bevoegde gezagen van mening zijn dat aan de wettelijke criteria van artikel 19g en 19h van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) kan worden voldaan, dienen zij derhalve alsnog de ADC-toets te verrichten en de uitkomst hiervan ten grondslag te leggen aan de onderscheiden uitvoeringsbesluiten. Indien zij van mening zijn dat niet kan worden voldaan aan de wettelijke criteria dienen de bevoegde gezagen deze  besluiten te wijzigen, aldus de tussenuitspraak van 11 februari 2015.

6.    Met betrekking tot het dorp Reeve en de bijbehorende jachthaven, zoals voorzien in het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" van 12 december 2013, heeft de Afdeling in 58.4 van de tussenuitspraak overwogen dat zij geen aanleiding ziet de raad met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat de raad heeft toegelicht dat in de periode tot 2016 nader onderzoek verricht zal worden naar de woningmarkt om te bezien of het beoogde woningbouwprogramma nog steeds aansluit op de woningmarkt en dat voorafgaand aan een eventueel nieuw bestemmingsplan voor het dorp Reeve nadere bestuurlijke beslissingen genomen dienen te worden. De Afdeling heeft het besluit van de raad van 12 december 2013 vernietigd, wat betreft de planregeling voor het dorp Reeve en de bijbehorende jachthaven. Deze vernietiging had dus tot gevolg dat het dorp Reeve en de bijbehorende jachthaven niet konden worden gerealiseerd.

Uitspraak van 25 november 2015

7.    Ter uitvoering van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht hebben de toenmalige verweerders alsnog de ADC-toets verricht en deze ten grondslag gelegd aan de besluiten voor de realisatie van de hoogwatergeul. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3623, geoordeeld dat gelet op de verrichte ADC-toets, de realisatie van de hoogwatergeul doorgang kan vinden, met uitzondering van het gedeelte van de vaarweg dat gelegen is binnen een afstand van 150 m tot de rietoever ten noorden van de locatie waar de vaarweg aansluit op het Drontermeer. Het gebruik van dit deel van de vaargeul leidt tot verstoring van het broed- en leefgebied van de roerdomp en de grote karekiet.

De uitspraak van 25 november 2015 had tot gevolg dat de aansluiting van de vaarweg op het Drontermeer niet kon worden gerealiseerd, zodat de beoogde doorgaande vaarverbinding tussen de IJssel en het Drontermeer niet tot stand kon worden gebracht.

Het projectplan doorgaande vaarverbinding Reevediep

8.    Het thans voorliggende projectplan en de twee uitvoeringsbesluiten  voorzien in het laatste deel van de vaarweg, ter hoogte van de aansluiting op het Drontermeer, zodat de beoogde doorgaande vaarroute tussen de IJssel en de Veluwerandmeren alsnog tot stand wordt gebracht. Teneinde verstoring van de roerdomp te voorkomen is in het kader van het projectplan  voorzien in een beschermingsmaatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG), in de vorm van de aanleg van afschermende rieteilanden en een nieuwe rietkraag tussen de bestaande rietoever en de vaargeul. De beoogde beschermingsmaatregel zal elders in de uitspraak aan de orde komen.

9.    De vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, is verleend op grond van het derde lid van dat artikel vanwege in het bijzonder het mogelijk significant verstorende effect op de roerdomp en de grote karekiet in het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, als gevolg van het gebruik van de vaargeul voor de recreatievaart.

10.    In het bestemmingsplan zijn de beoogde fysieke ingrepen - het laatste deel van de vaargeul, de rieteilanden en de nieuwe rietkraag - planologisch vastgelegd. Daartoe is aan de gronden ter plaatse van de beoogde vaarweg de bestemming "Water" toegekend, met de aanduiding "vaarweg". De gronden met de bestemming "Water" ten noorden van de vaargeul hebben tevens de aanduiding "recreatie uitgesloten". De voorziene rieteilanden en nieuwe rietkraag ten noorden van de vaargeul zijn bestemd voor "Natuur".

Gecoördineerde voorbereiding

11.    Het projectplan en de uitvoeringsbesluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van de artikelen 3.30, eerste lid, onder b, en 3.33, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). De besluiten zijn vervolgens gelijktijdig bekendgemaakt.

Het bestemmingsplan voor het dorp Reeve

12.    Op 25 januari 2018 heeft de raad, afzonderlijk van de besluitvorming over het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voor de doorgaande vaarverbinding, een bestemmingsplan vastgesteld voor het dorp Reeve. Dit bestemmingsplan voorziet in een minder omvangrijke ontwikkeling dan was voorzien in het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" van 12 december 2013. Het bestemmingsplan voor het dorp Reeve voorziet thans in 600 woningen. Het bestemmingsplan "Reeve" voorziet verder in een externe jachthaven met 70 ligplaatsen voor recreatievaartuigen, in het zuidwestelijke deel van het plangebied. De jachthaven is aangesloten op de vaarweg in het Reevediep. De Afdeling heeft bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2019:4359, de beroepen van de Stichting en de Vereniging tegen het bestemmingsplan "Reeve" ongegrond verklaard.

De beroepen tegen het projectplan en de uitvoeringsbesluiten

13.    De Vereniging en de Stichting hebben beroep ingesteld tegen het projectplan en de uitvoeringsbesluiten, omdat volgens hen het recreatieve gebruik van de vaarweg leidt tot verstoring van de roerdomp en de grote karekiet en als gevolg daarvan tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Daarnaast leidt de vaarverbinding volgens appellanten tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige habitattypen in de (wijde) omgeving van de vaargeul.

Formele aspecten

Belanghebbendheid Stichting

14.    Volgens verweerders kan de Stichting, gelet op haar statutaire doelstelling, niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voor de vaarweg. Het beroep van de Stichting is daarom niet-ontvankelijk, aldus verweerders.

14.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

14.2.    Blijkens artikel 3 van haar statuten heeft de Stichting tot doel "het voorkomen dat op het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de rijksweg N50 woningbouw, industrie en haventerreinen worden ontwikkeld teneinde dit gebied als natuur- en cultuurlandschap te behouden, en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords."

14.3.    De Afdeling overweegt dat het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voorzien in ontwikkelingen die afbreuk zouden kunnen doen aan de natuur- en cultuurlandschappelijke waarden van het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de rijksweg N50. Dit stemt derhalve overeen met de statutaire doelstelling van de Stichting, zodat de Stichting belanghebbende is bij de bestreden besluiten. Dit standpunt van verweerders volgt de Afdeling dus niet.

14.4.    Het standpunt van verweerders kan ook aldus worden begrepen dat het betoog van de Stichting dat het projectplan en de uitvoeringsbesluiten leiden tot een aantasting van de betrokken Natura 2000-gebieden, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet kan leiden tot vernietiging van deze besluiten. De Afdeling zal elders in de uitspraak ingaan op het relativiteitsvereiste in relatie tot de Wnb-beroepsgronden van de Stichting.

Crisis- en herstelwet

15.    De Vereniging betoogt dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) ten onrechte van toepassing is verklaard op het projectplan en de uitvoeringsbesluiten. Volgens de Vereniging is thans geen sprake van een economische crisis. De beoogde ontwikkeling betreft geen experiment en is evenmin gericht op duurzaamheid, aldus de Vereniging.

15.1.    Artikel 1.1 van de Chw luidt:

"1. Afdeling 2 is van toepassing op:

a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;

[…];

2  Afdeling 3 is van toepassing op de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten."

In Bijlage II bij de Chw is een overzicht opgenomen van de ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste en tweede lid, van de Chw. Onder nr. 19 wordt genoemd het project "IJsseldelta" bij Kampen. De aard van het project betreft "integrale gebiedsontwikkeling; - blauwe bypass - met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en recreatie", aldus de bijlage.

15.2.    De Afdeling overweegt dat uit artikel 1.1, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Chw, gelezen in samenhang met bijlage II bij de Chw, volgt dat op de hier aan de orde zijnde besluiten de afdelingen 2 en 3 van de Chw van toepassing zijn.

15.3.    Bij zogeheten "experimentele bestemmingsplannen" als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw kan worden afgeweken van (de in dat artikel vermelde) wettelijke bepalingen voor bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid, 1e herziening Reevediep"  is echter geen "experimenteel bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw. De raad heeft geen gebruik gemaakt (of beoogd te maken) van de mogelijkheden af te wijken van wettelijke bepalingen. De vraag of voldaan wordt aan de vereisten van het tweede lid van artikel 2.4 van de Chw (te weten: experiment draagt bij aan innovatieve ontwikkelingen en de uitvoering ervan draagt bij aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid) is daarom niet aan de orde. Het betoog faalt.

De beroepen inhoudelijk

Verdrag inzake biodiversiteit

16.    De Vereniging betoogt dat het projectplan en de uitvoeringsbesluiten in strijd zijn met het "Verdrag inzake biologische diversiteit, Rio de Janeiro, 5 juni 1992, (hierna: Biodiversiteitsverdrag)", vanwege de gevolgen van de doorgaande vaarroute voor het leefgebied van de roerdomp en de grote karekiet. Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag hebben zich onder meer verbonden maatregelen te treffen teneinde het verlies van biodiversiteit tegen te gaan, aldus de Vereniging.

16.1.    De Afdeling overweegt dat de Vereniging haar betoog dat de voorliggende besluiten in strijd zijn met het Biodiversiteitsverdrag, vanwege de gevolgen van de vaarverbinding voor het leefgebied van de roerdomp en de grote karekiet, onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft niet gewezen op concrete bepalingen van dit verdrag. Daargelaten de vraag of de Vereniging, gelet op artikel 93 van de Grondwet, voor de rechter een beroep kan doen op bepalingen van dit verdrag, is het niet nader geconcretiseerde betoog dat Nederland mogelijk de zogeheten "Aichi Biodiversity Targets" niet gaat halen onvoldoende voor het oordeel dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het Biodiversiteitsverdrag. Het betoog faalt.

Verstoring roerdomp en grote karekiet in de Veluwerandmeren

17.    De Stichting en de Vereniging betogen dat het projectplan en de uitvoeringsbesluiten in strijd zijn met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. De besluiten leiden volgens hen tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren vanwege de gevolgen van de doorgaande vaarroute voor recreatievaartuigen voor de roerdomp en de grote karekiet. Ten noorden van de voorziene vaarverbinding met het Drontermeer is een rietoever gesitueerd die kan dienen als foerageer- en broedgebied van deze vogelsoorten. De voorbijvarende motor- en zeiljachten leiden volgens hen tot verstoring van de vogels. Het gaat in dit verband om visuele verstoring en om verstoring door geluid van gemotoriseerde vaartuigen en door verlichting. Het rapport "Gebruik doorgaande vaarverbinding Reevediep, natuurtoets inclusief passende beoordeling" van het bureau Tauw van 14 december 2016 (hierna: passende beoordeling), dat ten grondslag is gelegd aan de bestreden besluiten, berust volgens de Stichting en de Vereniging op onjuiste uitgangspunten. In de passende beoordeling wordt uitgegaan van een verstoringsafstand van de roerdomp van (maximaal) 200 m. Deze afstand is volgens appellanten niet juist. De afstand berust namelijk op onderzoek dat niet representatief is voor de situatie bij de aansluiting van de vaargeul op het Drontermeer. Volgens de Stichting en de Vereniging dient te worden uitgegaan van een grotere verstoringsafstand van (minimaal) 400 m. In de passende beoordeling wordt ten onrechte geconcludeerd dat verlichting en geluid van de recreatievaartuigen geen relevante verstoringsbronnen zijn. Wat betreft de visuele verstoring voeren de Stichting en de Vereniging aan dat de effectiviteit van de beoogde beschermingsmaatregel in de vorm van drie afschermende rieteilanden en een nieuwe rietkraag niet is aangetoond. Ten tijde dat de passende beoordeling is verricht en de bestreden besluiten zijn genomen, waren de rieteilanden en -kraag feitelijk nog niet gerealiseerd. Weliswaar is dat inmiddels wel het geval, maar de kwaliteit van het riet is nog steeds niet zodanig dat sprake is van volledige afscherming van de rietoever, aldus de Stichting en de Vereniging.

17.1.    Verweerders stellen dat uit de passende beoordeling volgt dat alleen voor de roerdomp niet is uitgesloten dat het recreatieve gebruik van de vaargeul tot een significant verstorend effect voor deze soort  leidt als gevolg van visuele verstoring bij de rietoever ten noorden van de vaargeul. Geluid en verlichting van pleziervaartuigen leidt volgens verweerders niet tot verstoring. Teneinde visuele verstoring van de roerdomp te voorkomen, wordt tussen de vaargeul en de bestaande rietoever - die in potentie kan dienen als foerageer- en broedgebied - voorzien in afschermende rieteilanden en een nieuwe rietkraag. Uit de passende beoordeling volgt dat bij een riethoogte van minimaal 2 m de beschermingsmaatregel tot gevolg heeft dat het zicht vanaf de rietoever op de vaargeul geheel wordt weggenomen, zodat de vogels niet verstoord zullen worden door de voorbijvarende recreatievaartuigen. Om deze reden is het volgens verweerders ook niet van belang hoeveel boten gebruik zullen maken van de vaargeul. De effectiviteit van de maatregel in de vorm van afschermende rieteilanden en -kraag staat volgens verweerders vast, gelet in het bijzonder op de daarmee opgedane ervaringen elders in vergelijkbare situaties. In de vergunning is vastgelegd dat het gebruik van de doorgaande verbinding pas is toegelaten als - en zolang - het afschermende riet de benodigde kwaliteit bezit, aldus verweerders.

17.2.    Het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren is bij besluit van de  minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 3 mei 2017, aangewezen als - kortheidshalve - Vogel- en Habitatrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelstellingen van het gebied hebben onder meer betrekking op de broedvogelsoorten roerdomp (A021) en grote karekiet (A298).

17.3.    Blijkens het aanwijzingsbesluit voor de Veluwerandmeren geldt voor de roerdomp als doelstelling uitbreiding van de omvang en/of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paren (territoria). De landelijke staat van instandhouding van de roerdomp is wat betreft de aspecten populatie en leefgebied als "zeer ongunstig" beoordeeld. Als doelstelling voor de grote karekiet geldt uitbreiding van de omvang en/of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren. Ook voor deze soort geldt dat de landelijke staat van instandhouding "zeer ongunstig" is.

Relativiteitsvereiste

18.    Zoals hiervoor in 14.4 is aangekondigd, ligt thans de vraag voor of het betoog van de Stichting dat het gebruik van de vaargeul leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, kan leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten, gelet op het relativiteitsvereiste.

18.1.    Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat er aan in de weg dat een rechtspersoon, die in rechte opkomt voor een algemeen belang, zich met resultaat kan beroepen op de schending van rechtsnormen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van de algemene belangen die deze rechtspersoon krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. De door de Stichting ingeroepen normen van de Wnb strekken tot het tegengaan van de aantasting van beschermde natuur, in dit geval het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren". De rietoever, waar het de Stichting om te doen is, ligt op het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de Rijksweg N50. Dat de mogelijke verstoring een direct gevolg is van het gebruik van de vaargeul en derhalve niet wordt veroorzaakt door "de ontwikkeling van woningbouw, industrie en haventerreinen" doet niet af aan het feit dat de Stichting blijkens haar statutaire doelstelling opkomt voor de bescherming van de natuur- en cultuurlandschappelijke waarden van Kampen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor de door verweerders voorgestane strikte lezing van de statutaire doelstelling van de Stichting. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het relativiteitsvereiste niet in de weg staat aan een geslaagd beroep van de Stichting op artikel 2.8, derde lid, van de Wnb, voor zover het gaat om de gevolgen van het project voor de Veluwerandmeren.

De passende beoordeling

19.    In de passende beoordeling staat dat in het (Natura 2000-)gebied De Wieden en Weerribben onderzoek is verricht naar verstoringseffecten van moerasvogels door waterrecreatie. Uit een statistische analyse met gegevens van de vaarintensiteit, het aanwezige areaal riet en de verspreiding van moerasbroedvogels blijkt dat de vaarintensiteit een significante voorspeller is voor de aanwezigheid van moerasbroedvogels, naast de aanwezigheid van geschikt habitat en de kwetsbaarheid van de soorten. Rietzangvogels, zoals de grote karekiet, blijken minder verstoringsgevoelig dan reigerachtigen en roofvogels, zoals de roerdomp. Verstoring van vogels kan in beginsel plaatsvinden door geluid, licht en visuele verstoring door menselijke aanwezigheid. Geluid en licht zijn bekende verstoringsfactoren, die bijvoorbeeld langs autowegen een rol kunnen spelen. Ook bij soorten als grote karekiet en roerdomp is verstoring door geluid en licht mogelijk. In tegenstelling tot drukke autowegen is in de vaargeul van het Reevediep echter sprake van relatief lage geluidsniveaus, omdat de boten slechts met beperkte snelheid mogen varen. Bovendien wordt het verkeersgeluid bij wegen voornamelijk veroorzaakt door de wrijving van autobanden op het wegdek. Motorgeluid en eventueel menselijk geluid zijn daarbij van ondergeschikt belang. Als gevolg van de combinatie van een laag geluidsniveau met het relatief lage aantal vaarbewegingen (in vergelijking met een drukke weg) is geluidsverstoring geen factor van betekenis. Concentratie van boten vindt, bij afwezigheid van aanlegplaatsen in de vaargeul, niet plaats. Voor vogels die overdag actief zijn, zoals de roerdomp en de grote karekiet, is ook verstoring door licht geen belangrijke factor. Het merendeel van de boten zal bij daglicht passeren. De verstoring vanuit de vaargeul is uitsluitend het gevolg van visuele verstoring van de langsvarende vaartuigen en de daarop aanwezige mensen, aldus de passende beoordeling.

19.1.    In de passende beoordeling wordt voor de gebruiksfase van de vaargeul uitgegaan van maximaal 17.000 gemotoriseerde vaartuigen per jaar. Volgens de passende beoordeling is dit een "worst case-aantal", cumulatief voor beide richtingen. Beroepsscheepvaart zal geen gebruik maken van de vaargeul, aldus de passende beoordeling. Het aantal van 17.000 wordt, zo is ter zitting bevestigd, niet bestreden

19.2.    Over de roerdomp staat in de passende beoordeling dat het onderzoek naar vaarrecreatie in De Wieden en Weerribben een dichtheidseffect laat zien tot een afstand van 100 m tot 200 m door visuele verstoring. Op een afstand van 200 m tot 400 m werd geen effect gevonden. Dit komt goeddeels overeen met de in de literatuur opgegeven maximale verstoringsafstand van 150 m. Voor het bepalen van de benodigde beschermingsmaatregelen is op basis van het onderzoek in De Wieden en Weerribben veiligheidshalve uitgegaan van een afstand van  200 m voor visuele verstoring.

Volgens de passende beoordeling is de verstoringsgevoeligheid van de grote karekiet kleiner dan die van de roerdomp. Dit hangt samen met het verschil in leefwijze. Grote karekieten foerageren veel meer in de dekking van moerasvegetatie dan roerdompen. De maximale verstoringsafstand wordt geschat op 25 m tot 50 m. De voor de roerdomp aangehouden maximale verstoringsafstand van 200 m is dus veel ruimer dan noodzakelijk is voor de grote karekiet, aldus de passende beoordeling.

19.3.    In de passende beoordeling staat dat geschikt foerageergebied voor de roerdomp aanwezig is binnen een afstand van 200 m tot de vaarroute Het gaat om een gebied met een lengte van ongeveer 100 m dat nauwelijks wordt onttrokken aan het zicht vanaf de vaargeul, omdat riet langs het Reevediep nagenoeg ontbreekt. In figuur 2.2 van de passende beoordeling wordt dit geïllustreerd. De beoogde beschermingsmaatregel wordt zodanig ontworpen dat het foerageergebied van de roerdomp visueel wordt afgeschermd van de vaargeul. Hierdoor is er geen negatief effect, ongeacht het aantal vaarbewegingen, aldus de passende beoordeling.

Het geschikte habitat voor de grote karekiet ten noorden van de vaargeul ligt buiten de verstoringsafstand van 50 m. Dit is nader inzichtelijk gemaakt in figuur 2.3 van de passende beoordeling. Bij de te treffen maatregelen is daarom volgens de passende beoordeling geen specifieke aandacht nodig voor de grote karekiet.

19.4.    Uit de passende beoordeling en de vergunning volgt dat de te treffen maatregelen uit drie onderdelen bestaat. Het bevaarbare deel van de vaargeul wordt ter hoogte van de bestaande rietoever bij de aansluiting met het Drontermeer - het potentiële broed- en foerageergebied van de roerdomp - vernauwd tot een breedte van ongeveer 30 m waardoor de boten op grotere afstand van de rietoever komen te varen. Het tweede onderdeel betreft de aanleg van drie nieuwe rieteilanden, tussen de vaargeul en de bestaande rietoever. Ten slotte wordt een nieuwe rietkraag aangelegd en een nieuwe geul gegraven in het bestaande grasland direct ten oosten van de bestaande rietoever. Bij een riethoogte van minimaal 2 m op de afschermende rieteilanden en de nieuwe rietkraag heeft de roerdomp vanaf de bestaande rietoever geen zicht op de passerende recreatieboten in de vaargeul, aldus de passende beoordeling.

19.5.    In de bijlage bij deze uitspraak is figuur 3.4 uit de passende beoordeling overgenomen, waarop de beoogde beschermingsmaatregel is weergegeven.

De voorschriften bij de vergunning

20.    In voorschrift 6 van de vergunning is bepaald dat het gebruik van de doorgaande vaarweg Reevediep alleen is toegestaan binnen de betonde vaargeul en bij een riethoogte van minimaal 2 m op de drie rieteilanden en de rietkraag. Het college heeft met het opnemen van dit voorschrift beoogd te borgen dat de hiervoor beschreven beschermingsmaatregel daadwerkelijk wordt uitgevoerd en effectief is, voordat een aanvang wordt genomen met het gebruik van de vaargeul en zolang de vaargeul in gebruik is.

Verstoring door geluid en licht

21.    In het deskundigenbericht staat dat uit de passende beoordeling kan worden afgeleid dat het gebied vanaf een afstand van 32 m van de vaargeul geschikt leefgebied is voor de roerdomp. Voor de grote karekiet is op ruim 50 m vanaf de vaargeul geschikt leefgebied aanwezig. Volgens het deskundigenbericht zijn er geen aanwijzingen dat de twee vogelsoorten ook feitelijk voorkomen in het gebied rond de aansluiting van het Reevediep en de vaargeul op het Drontermeer. In het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren zijn de huidige aantallen van beide broedvogelsoorten lager dan de doelaantallen, aldus het deskundigenbericht.

21.1.    In het deskundigenbericht staat dat in de brief van 29 maart 2018 van A&W Ecologisch onderzoek over geluidsbelasting door motorvaartuigen in het Reevediep is beschreven dat de maximale geluidsproductie bij een vaarsnelheid van 7 km/uur, 82 dB(A) bedraagt. Volgens de deskundige is dit een aannemelijke maximale geluidsproductie van motorboten, waarbij de deskundige erop wijst dat de Vereniging uitgaat van een (lagere) geluidsproductie van maximaal 80 dB(A). In de genoemde brief van 29 maart 2018 staat dat een geluidsproductie van 82 dB(A) leidt tot een geluidsniveau van 53 dB(A) op een afstand van 10 m van de bron. Op een afstand van ongeveer 32 m vanaf de vaargeul, dus op de grens van het leefgebied van de roerdomp, daalt de geluidsbelasting tot ongeveer 41 dB(A). In het deskundigenbericht is beschreven dat de drempelwaarde waarbij moerasbroedvogels worden verstoord door geluid 52 dB(A) tot

58 dB(A) bedraagt. Deze (drempel)waarden zijn afkomstig uit Duits onderzoek, concreet uit het rapport "Vögel und Verkehrslärm" van het "Kieler Institut für Landschaftsökologie" van november 2007. In het deskundigenbericht wordt toegelicht dat de rekenmethode voor geluidsbelasting die is gehanteerd in het Duitse onderzoek, afwijkt van de Nederlandse "Standaard rekenmethode (SRM III)". Het is volgens de deskundige aannemelijk dat de genoemde drempelwaarden, bij toepassing van de Nederlandse rekenmethodiek, leiden tot een waarde die 4 dB(A) hoger ligt, derhalve een verstoringsdrempel van 56 dB(A) tot 62 dB(A). De deskundige concludeert dat gelet op deze drempelwaarden en de omstandigheid dat het leefgebied van de roerdomp is gesitueerd op een afstand vanaf 32 m van de vaargeul, geluid van vaartuigen op het Reevediep niet leidt tot verstoring van de roerdomp. Verstoring van de grote karekiet is, gelet op de grotere afstand van ruim 50 m tot zijn leefgebied, evenmin aan de orde.

21.2.    De Stichting en de Vereniging hebben in reactie op het deskundigenbericht bestreden dat vanwege de verschillen in rekensystematiek, de in Duitsland gehanteerde drempelwaarde met 4 dB(A) kan worden verhoogd. De Afdeling ziet geen aanleiding nader in te gaan op de verschillen tussen de Duitse en de in Nederland voorgeschreven rekenmethodiek, omdat uit het deskundigenbericht volgt dat de geluidsbelasting op een afstand van ongeveer 32 m vanaf de vaargeul daalt tot ongeveer 41 dB(A). De geluidsbelasting ligt dus ruimschoots onder de "niet-gecorrigeerde" drempelwaarde van het Duitse onderzoek van 52 dB(A) tot 58 dB(A).

21.3.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders bij het nemen van de bestreden besluiten niet hebben mogen uitgaan van de conclusie uit de passende beoordeling dat het gebruik van de vaargeul niet zal leiden tot verstoring van de roerdomp en de grote karekiet vanwege de geluidsemissie van de recreatievaartuigen. De betogen slagen niet.

22.      In het deskundigenbericht staat dat blootstelling aan constant licht in de nacht een verstorend effect kan hebben op vogels. Onderzoek naar de gevolgen van nachtelijk licht op de roerdomp en de grote karekiet is niet beschikbaar. In zijn algemeenheid wordt gepoogd het toevoegen van nachtelijke verlichting te vermijden. Vaartuigen die in het donker varen moeten zijn voorzien van licht. De functie van de verplichte verlichting is om gezien te worden. De lichtsterkte van dergelijke verlichting is beperkt in vergelijking met licht dat nodig is om de omgeving te verlichten. Zijwaartse uitstraling van de verlichting, waardoor een rietveld of -kraag wordt verlicht, is volgens de deskundige niet te verwachten. Ook is volgens de deskundige aannemelijk dat slechts incidenteel sprake zal zijn van passerende vaartuigen in het donker. Verweerders hebben in dit verband gesteld dat de recreatieschutsluis tussen de IJssel en het Reevediep in het vaarseizoen uitsluitend overdag wordt bediend. In het deskundigenbericht wordt op grond van het voorgaande geconcludeerd dat lichtverstoring slechts incidenteel zal optreden en bovendien in die gevallen van beperkte omvang zal zijn.

22.1.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders bij het nemen van de bestreden besluiten niet hebben mogen uitgaan van de conclusie uit de passende beoordeling dat het gebruik van de vaargeul niet zal leiden tot verstoring van de roerdomp en de grote karekiet vanwege de verlichting van de recreatievaartuigen. De betogen slagen niet.

Visuele verstoring

Het deskundigenbericht

23.    In paragraaf 4.4.4. van het deskundigenbericht wordt nader ingegaan op de verstoringsafstand van de roerdomp en de grote karekiet. De deskundige concludeert dat de bevindingen uit het onderzoek naar verstoring van de roerdomp in het gebied De Wieden en Weerribben toegepast kunnen worden op de situatie in het Reevediep. Beide situaties hebben volgens de deskundige betrekking op rietzones langs vaarwegen. Volgens de deskundige is van belang dat het in het geval van het Reevediep gaat om één vaarweg langs een rietoever, terwijl het in De Wieden en Weerribben gaat om een groter aantal vaarwegen. De te verwachten vaarintensiteit van 17.000 vaarbewegingen per jaar, waar in de passende beoordeling vanuit is gegaan, leidt tot een piekaantal van 233 vaarbewegingen. De maatgevende dag is een zondag in de zomervakantie. Dit aantal is volgens de deskundige vergelijkbaar met de gangbare vaarintensiteit in De Wieden en Weerribben op zondagen in de zomervakantie. Het onderzoek in De Wieden en Weerribben is volgens de deskundige representatief voor de situatie in het Reevediep. De deskundige deelt het standpunt van verweerders dat voor visuele verstoring van de roerdomp kan worden uitgegaan van een verstoringsafstand van 200 m, met dien verstande dat deze afstand voor situaties geldt waarin sprake is van open landschap en/of open water. In geval een vorm van afscherming aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van riet, is volgens de deskundige een kortere afstand tot de vaarweg mogelijk. Voor de grote karekiet kan worden uitgegaan van een verstoringsafstand van 50 m, aldus het deskundigenbericht.

23.1.    Gelet op de in de passende beoordeling gehanteerde verstoringsafstand van 200 m en de omstandigheid dat potentieel leefgebied van de roerdomp aanwezig is vanaf een afstand van ongeveer 32 m van de vaargeul, leidt het recreatieve gebruik van de vaargeul tot visuele verstoring van de roerdomp. De vaargeul leidt niet tot visuele verstoring van de grote karekiet, nu de afstand tot potentieel leefgebied van deze soort groter is dan de verstoringsafstand van 50 m, aldus het deskundigenbericht.

Visuele verstoring grote karekiet

24.    Appellanten hebben de hiervoor in 23.1 weergegeven conclusie uit de passende beoordeling en het deskundigenbericht over de visuele verstoring van de grote karekiet niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat het gebruik van de vaargeul voor recreatievaart niet zal leiden tot visuele verstoring van de grote karekiet. Het betoog slaagt niet.

Visuele verstoring roerdomp

25.    Blijkens de uitspraak van 11 november 2015 is in de passende beoordeling die ten grondslag heeft gelegen aan het "Projectplan Waterwet Inrichting IJsseldelta-Zuid (Reevediep)" uit 2013 uitgegaan van een verstoringsafstand van 150 m voor de roerdomp. Om deze reden heeft de Afdeling bij genoemde uitspraak de planregeling voor de vaargeul vernietigd voor het gedeelte van de vaarweg dat is gesitueerd binnen een afstand van 150 m tot de rietoever ten noorden van de vaarweg (meer precies: de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten heeft de Afdeling in zoverre niet in stand gelaten). In dit verband wijst de Afdeling op de kaart bij het dictum van de uitspraak van 11 november 2015 (overgenomen in de bijlage bij deze uitspraak). In de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan de thans voorliggende besluiten wordt voor de visuele verstoring van de roerdomp uitgegaan van een verstoringsafstand van 200 m. De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting en de Vereniging hebben aangevoerd, gelet ook op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusie uit de passende beoordeling dat kan worden uitgegaan van een verstoringsafstand van 200 m, onjuist is. Van belang is bovendien dat in de passende beoordeling ervan wordt uitgegaan dat de beoogde beschermingsmaatregel tot gevolg heeft dat het zicht vanaf de rietoever op de vaargeul volledig wordt afgeschermd. Indien dit uitgangspunt stand kan  houden, is de gehanteerde afstand niet van invloed op het antwoord op de vraag of het gebruik van de vaargeul leidt tot visuele verstoring van de roerdomp. Immers, ook indien wordt uitgegaan van een grotere afstand van 200 m voor visuele verstoring, leidt een effectieve beschermingsmaatregel ertoe dat de roerdomp geen zicht heeft op de recreatievaartuigen in de vaargeul.

Effectiviteit beoogde beschermingsmaatregel

26.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, overweegt de Afdeling dat beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, maatregelen zijn waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. De in het plan voorziene maatregel van de afschermende rieteilanden en rietkraag is een dergelijke maatregel. Uit die uitspraak volgt dat beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn mogen worden betrokken in een op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb te verrichten passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project als de verwachte voordelen van die maatregelen ten tijde van de beoordeling vaststaan. In de regel staan verwachte voordelen niet vast als de maatregelen ten tijde van de passende beoordeling nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd en de verwachte voordelen afhankelijk zijn van een ontwikkeling of reactie in de natuur, het ecologisch systeem of van een diersoort, zoals de aanleg van nieuwe of verbetering van bestaande habitattypen, leefgebieden of foerageergebieden. Bij (technische) beschermingsmaatregelen die functioneel verbonden zijn aan de uitvoering van het plan of project, zoals een stilstandvoorziening of geluidscherm, is het geen vereiste dat deze ten tijde van de passende beoordeling al volledig ten uitvoer zijn gelegd, maar de verwachte voordelen van dergelijke beschermingsmaatregelen kunnen alleen in de passende beoordeling worden betrokken als deze vaststaan. De verwachte voordelen van beschermingsmaatregelen staan niet vast indien ten tijde van de passende beoordeling nog niet is uitgewerkt hoe de voordelen tot stand zullen worden gebracht en evenmin als het niveau van wetenschappelijke kennis het niet mogelijk maakt dat die voordelen met zekerheid in kaart worden gebracht of gekwantificeerd. Verder geldt dat ten tijde van de passende beoordeling moet zijn gegarandeerd zijn dat de maatregelen resultaat hebben voordat het plan of project negatieve gevolgen zal hebben, aldus de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2019.

26.1.    De rieteilanden en -kraag zijn gerealiseerd in de periode januari 2018 tot maart 2018 en derhalve nadat de passende beoordeling is verricht en de bestreden besluiten zijn genomen. Volgens de Stichting en de Vereniging stonden reeds gelet hierop de verwachte voordelen van de maatregel niet vast op het moment van het maken van de passende beoordeling.

26.2.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de opgedane ervaringen met de transplantatie van rietplaggen de te verwachten voordelen van de voorziene beschermingsmaatregel vaststonden ten tijde van de passende beoordeling. Verweerders hebben in dit verband gewezen op het nieuwe rietmoeras ten noorden van de Hanzelijn dat gefaseerd is aangelegd vanaf (eind) 2014. Volgens verweerders is dit nieuwe roetmoeras inmiddels functioneel broed- en foerageergebied voor de roerdomp en grote karekiet. Verweerders wijzen ook op de ontwikkeling van nieuw rietmoeras ten noorden van de Reevedam. Ook bij de aanleg van dit nieuwe rietmoeras is de methode van plaggentransplantatie gehanteerd. Het nieuwe riet ten noorden van de Reevedam is aangelegd in de periode februari tot maart 2017. Monitoring heeft uitgewezen dat reeds na één groeiseizoen een krachtige rietoeverzone van voldoende hoog riet is gerealiseerd. De gebruikte methode, het transplanteren van waterriet, bleek effectief om binnen één groeiseizoen rietvegetatie te realiseren met een hoogte van ongeveer 2,5 m. Voor een nadere onderbouwing wijzen verweerders op het rapport "Beoordeling kwaliteit rietland Reevedam" van 29 augustus 2017 van het bureau Altenburg & Wymenga.

26.3.    In het deskundigenbericht staat dat de drie voorziene afschermende rieteilanden een oppervlakte hebben van onderscheidenlijk 125 m², 550 m² en 800 m². De oppervlakte van de te realiseren rietkraag bedraagt 2.750 m². De deskundige onderschrijft het standpunt van verweerders dat riet, bij voldoende hoogte, breedte en dichtheid, het zicht op de vaargeul volledig kan blokkeren. Volgens de deskundige is het daarom aannemelijk dat een rietzone effectief kan worden ingezet om visuele verstoring van de roerdomp te voorkomen. Een aanknopingspunt voor de juistheid van deze verwachting blijkt volgens de deskundige uit het onderzoek in De Wieden en Weerribben. In dat onderzoek staat dat 20 procent van de roerdompen broedt op een afstand korter dan 50 m tot vaarwegen. Bij aanwezigheid van geschikt leefgebied dat voldoende visueel is afgeschermd broeden roerdompen op een aanmerkelijk kleinere afstand dan de verstoringsafstand van 200 m in open gebied. Ook uit onderzoek in het natuurgebied Het Twiske volgt dat roerdompen foerageren op een afstand van 30 m tot 60 m tot fietspaden waar tijdens weekenddagen en vakanties vele tientallen recreanten per dag passeren. De rietkragen en -stroken in het geval van Het Twiske hebben een breedte van 6 m tot 15 m en een hoogte van 2 m tot 2,5 m. Uit de genoemde praktijkvoorbeelden blijkt dat rietzones van die breedte en hoogte voldoende afschermende werking geven om visuele verstoring te voorkomen, aldus het deskundigenbericht.

26.4.    In reactie op de uitspraak van 29 mei 2019 hebben verweerders toegelicht dat hun standpunt ook in het licht van die uitspraak nog steeds houdbaar is. Subsidiair stellen verweerders dat, indien in zoverre sprake zou zijn van een gebrek in de bestreden besluiten, de rechtsgevolgen ervan in stand kunnen worden gelaten, omdat de rieteilanden en -kraag inmiddels functioneel zijn.

26.5.    De Afdeling overweegt dat met de rieteilanden en rietkraag uitsluitend wordt beoogd om een visuele barrière te vormen tussen de vaargeul en de rietoever ten noorden van de vaargeul teneinde visuele verstoring van de roerdomp te voorkomen. Het doel van deze beschermingsmaatregel is dus niet om nieuw broed- en leefgebied voor de roerdomp te realiseren. De effectieve werking van een beschermingsmaatregel met een dergelijk doel zal immers pas met zekerheid kunnen worden vastgesteld als de maatregel feitelijk is gerealiseerd en daadwerkelijk geschikt broed- en leefgebied voor de soort is ontstaan (vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019). Voor een effectieve werking van een louter visuele barrière is evenwel niet meer vereist dan een barrière van voldoende hoogte en dichtheid. Dit betekent in dit geval dat het riet om als afschermende maatregel te kunnen dienen aan de kwaliteitseis moet voldoen van het bereiken van een hoogte van 2 m en voldoende dichtheid. Het maakt in zoverre niet uit of de visuele afscherming wordt bereikt door een natuurlijke afscherming of een door een technische, kunstmatige constructie, bijvoorbeeld een zichtscherm van hout (vergelijk genoemde uitspraak van de Afdeling). Verweerders hebben gekozen voor een natuurlijke afscherming op basis van de ervaringen elders opgedaan. Verweerders hebben uiteengezet dat transplantatie van rietplaggen, mits dit technisch deugdelijk wordt uitgevoerd, een beproefde methode is om nieuw riet te realiseren. De in dit verband opgedane ervaringen, onder meer in de Veluwerandmeren in de nabijheid van het projectgebied en dus onder vergelijkbare ecologische omstandigheden, hebben uitgewezen dat het getransplanteerde riet binnen één of een aantal groeiseizoenen een hoogte van minimaal 2 m verkrijgt. In de passende beoordeling staat dat goed ontwikkeld waterriet ongeveer 3 m hoog kan worden. Dat een effectieve rietafscherming van voldoende hoogte en dichtheid kan worden gerealiseerd, waarmee een volledige visuele afscherming van de rietoever kan worden bereikt, wordt bevestigd in het deskundigenverslag. In voorschrift 6 van de vergunning is bepaald, zoals onder 20 is weergegeven, dat het gebruik van de doorgaande vaarweg Reevediep alleen is toegestaan binnen de betonde vaargeul en bij een riethoogte van minimaal 2 m op de drie rieteilanden en de rietkraag.

26.6.    De Afdeling ziet, gelet op het vorenstaande, in het betoog van de Stichting en de Vereniging geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet op het standpunt hebben mogen stellen dat het verwachte voordeel van de beschermingsmaatregel vaststond ten tijde van de passende beoordeling.

26.7.    De Afdeling ziet een bevestiging voor dit oordeel in de omstandigheid dat is gebleken dat inmiddels, binnen twee jaar na de transplantatie, het riet zich overeenkomstig de verwachting van verweerders heeft ontwikkeld. De Stichting en de Vereniging hebben dit betwist en op de nadere zitting van 16 oktober 2019 recent door hen gemaakte foto’s getoond, waaruit volgens hen kan worden afgeleid dat het riet nog altijd niet aan de vereiste hoogte van 2 m voldoet en dus volgens hen niet effectief is. De Afdeling overweegt hierover als volgt. Verweerders hebben verslagen in de procedure gebracht van ecologen van Altenburg & Wymenga, die na de realisatie van de rieteilanden en rietkraag in maart 2018 een aantal veldinspecties hebben uitgevoerd om vast te stellen of het riet zich ontwikkelt overeenkomstig de verwachting. De resultaten van de meest recente inspectie op 22 augustus 2019 zijn neergelegd in de memo "Veldinspectie rieteilanden Reevediep 22 augustus 2019" van 2 oktober 2019 (hierna: memo van 2 oktober 2019). Hierin wordt geconcludeerd dat de riethoogte van de rieteilanden en de rietkraag op alle meetlocaties minimaal 2 m is en dat de vegetatiedichtheid zo hoog is dat volledige afscherming wordt bereikt. Het foerageergebied van de roerdomp ligt buiten de zichtlijnen vanuit het Reevediep. De conclusie is dat de afschermende werking van de rieteilanden aanwezig is, waardoor de maatregel functioneel is, aldus de memo van 2 oktober 2019.

26.8.     De op de nadere zitting getoonde foto’s zijn naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om de bevindingen van de veldinspecties van Altenburg en Wymenga te diskwalificeren. De methodiek die de ecologen van Altenburg en Wymenga hebben toegepast om de kwaliteit van het riet vast te stellen, is uiteengezet in de genoemde verslagen. Daarin staat onder meer dat de (gemeten) riethoogte de gemiddelde stengellengte vanaf de bovenzijde van het wortelstelsel van de rietplag betreft. De hoogte is bepaald met een meetstok op 1 dm nauwkeurig, overeenkomstig de methodiek die is toegepast om de rietkwaliteit te bepalen in de Drontermeeroever vóór realisatie van de vaarverbinding. In de memo van 2 oktober 2019 staat verder dat tijdens de veldinspectie van 22 augustus 2019 de waterdiepte boven de rietplaggen in de rietoever aan de zijde van het Reevediep en Drontermeer ongeveer 20 cm bedroeg. De oevervegetatie met riet stak volgens de memo daardoor 2 m tot 2,1 m boven het wateroppervlak uit. Het nadere betoog faalt.

Verstoring rieteilanden

27.    Wat betreft het betoog van de Stichting en de Vereniging dat de aan te leggen rieteilanden zelf verstoord zullen worden door passerende recreatievaartuigen, zodat de eilanden geen geschikt broed- en leefgebied (zullen) zijn van de roerdomp, overweegt de Afdeling dat deze eilanden zijn bedoeld als een beschermingsmaatregel om verstoring van het bestaande potentiële broed- en leefgebied van de roerdomp (de bestaande rietoever) ten noorden van de vaargeul, te voorkomen. Deze beschermingsmaatregel heeft niet tot doel het leefgebied van de roerdomp te vergroten dan wel verlies van leefgebied te compenseren. De gestelde omstandigheid dat de rieteilanden geen geschikt leefgebied zullen zijn voor de roerdomp is daarom niet van belang voor de vraag of de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Indien de rieteilanden in de toekomst door de roerdomp in gebruik worden genomen als broedplaats of foerageergebied, zou dat een positief, maar niet noodzakelijk, gevolg zijn van de beschermingsmaatregel. Het betoog slaagt niet.

28.      Over de vrees van de Vereniging dat het riet op de eilanden zal worden vertrapt of beschadigd door recreanten (zwemmers, vissers, kanoërs) die de eilanden zullen betreden, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor onder 20 is weergegeven, bepaalt voorschrift 6 bij de vergunning dat het gebruik van de doorgaande vaarweg Reevediep alleen is toegestaan binnen de betonde vaargeul. Verder is van belang dat aan het water in het plangebied dat niet is aangeduid als "vaargeul", de aanduiding "recreatie uitgesloten" is toegekend. Deze aanduiding rust derhalve ook op de gronden/wateren waarop de rieteilanden liggen. Uit artikel 4, lid 4.1, onder e, van de planregels volgt dat ter plaatse van deze aanduidingen geen recreatieve voorzieningen en waterrecreatie zijn toegestaan. Waterrecreatie buiten de vaargeul is dus niet toegelaten. Het tegengaan van een dergelijk gebruik van de rieteilanden en de wateren rondom betreft een aspect van handhaving. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat bij voorbaat ernstig getwijfeld dient te worden aan de effectiviteit van de handhaving. Het betoog slaagt niet.

Gevolgen afschermende eilanden voor waterdynamiek

29.    De Stichting en de Vereniging betogen dat de drie rieteilanden de waterdynamiek ter plaatse zullen beïnvloeden, hetgeen negatieve gevolgen zal hebben voor de bestaande rietoever.

29.1.    Volgens het deskundigenbericht is het niet aannemelijk dat de rieteilanden nadelige gevolgen zullen hebben voor de waterdynamiek ter plaatse en daardoor voor de kwaliteit van het riet op de bestaande rietoever. In dit verband wijst de deskundige op de omstandigheid dat de overheersende windrichting in Nederland zuidwest is en dat de rieteilanden worden gerealiseerd ten zuiden van de rietoever. De rieteilanden leiden daarom volgens de deskundige niet tot luwte ter plaatse van de bestaande rietoever. Het betoog slaagt niet.

Cumulatieve gevolgen vanwege dorp Reeve

Verstoring door wandelaars en fietsers

30.    De Stichting en de Vereniging betogen dat het gebruik van de wandelpaden ten oosten van de rietoever leidt tot verstoring van de roerdomp en de grote karekiet. In dit verband is van belang dat het aantal wandelaars dat gebruik zal maken van deze wandelpaden toeneemt als gevolg van de ontwikkeling van dorp Reeve, aldus appellanten.

30.1.    De Afdeling overweegt dat de in deze procedure voorliggende besluiten, in het bijzonder het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid, 1e  herziening Reevediep", geen betrekking hebben op de gronden waarop de wandelpaden zijn voorzien. De wandelpaden ten oosten van het plangebied (en dus de rietoever) worden mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid", vastgesteld door de raad bij besluit van 12 december 2013. Het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" is in rechte onaantastbaar geworden door de hiervoor in overweging 3 genoemde (tussen)uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, met uitzondering van de planregeling voor het dorp Reeve. Het bestemmingsplan voor het dorp Reeve leidt wel tot een intensivering van het gebruik van de wandelpaden, hetgeen kan leiden tot  verstoring van de rietoever. De eventuele gevolgen van een meer intensief gebruik van deze wandelpaden komen aan de orde in de uitspraak op de beroepen tegen het bestemmingsplan voor het dorp Reeve. De gevolgen van de wandelpaden kunnen in onderhavige uitspraak alleen aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de cumulatie met de gevolgen van de vaarverbinding. Omdat de vaarverbinding, met inachtneming van de beschermingsmaatregel, geen effect heeft op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor de roerdomp en de grote karekiet, zal de vaarverbinding ook in cumulatie met de effecten van het gebruik van de wandelpaden niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Het betoog slaagt niet.

31.    Het betoog dat het gebruik van het fietspad over de Reevedam leidt tot (cumulatieve) verstoring  van de rietoever slaagt niet. Ook dit fietspad is voorzien in het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" uit 2013. Hetgeen hiervoor is overwogen over de cumulatieve gevolgen van de wandelpaden geldt ook voor het fietspad. Overigens bedraagt de afstand van de Reevedam en het fietspad over de zuidzijde van de Reevedam tot het plangebied meer dan 800 m. Het betoog slaagt niet.

Cumulatieve gevolgen met andere projecten of plannen

32.     Wat betreft het betoog van de Stichting en de Vereniging dat de uitbreiding van het recreatiegebied Roggebot nadelige gevolgen heeft voor het leefgebied van de roerdomp ter plaatse van het nieuwe rietmoeras ten noorden van de tunnel van de Hanzelijn, overweegt de Afdeling dat appellanten ter zitting hebben toegelicht dat dit betoog ziet op (de gevolgen van) een omgevingsvergunning van 9 juli 2019. De Afdeling is van oordeel dat verweerders, wat daar verder ook van zij, geen rekening hebben hoeven houden met de cumulatieve gevolgen van deze ontwikkeling, nu de in deze procedure voorliggende besluiten van eerdere datum zijn dan de vergunning van 9 juli 2019 waar appellanten op wijzen. Het betoog slaagt niet.

Conclusie gevolgen roerdomp en grote karekiet

33.    Het voorgaande leidt tot de eindconclusie dat de Afdeling in hetgeen de Stichting en de Vereniging hebben aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de bestreden besluiten, alleen of in cumulatie met andere plannen en projecten, niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, vanwege de gevolgen van de doorgaande vaarverbinding voor het leef- en broedgebied van de roerdomp en de grote karekiet. Het betoog slaagt niet.

Stikstofemissie en -depositie

34.    De Stichting en de Vereniging betogen dat het gebruik van de vaargeul leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in de omgeving van het projectgebied. Aan de bestreden besluiten hebben verweerders een stikstofberekening ten grondslag gelegd die ziet op het deel van de vaargeul dat voorzien is in het plan (300 m). Volgens de Stichting en de Vereniging is hiermee miskend dat de vaargeul in de situatie voor de vaststelling van het bestemmingsplan niet in gebruik was en dat de aansluiting op het Drontermeer, waarin de bestreden besluiten voorzien, tot gevolg heeft dat een doorgaande route voor recreatievaartuigen tot stand komt tussen de IJssel en het Drontermeer. Voor de berekening van de stikstofdepositie dient volgens de Stichting en de Vereniging daarom te worden uitgegaan van de lengte van de gehele vaargeul van ongeveer 7 km. In dat geval is een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste habitattypen in het Natura 2000-gebied Rijntakken niet uitgesloten, aldus appellanten.

34.1.    Volgens verweerders is de vaargeul reeds voorzien door het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid", vastgesteld bij besluit van de raad van 12 december 2013. Aan deze planregeling lag een passende beoordeling ten grondslag. Daarin zijn de integrale gevolgen van de stikstofdepositie van het projectplan uit 2013, waar de vaargeul een onderdeel van was, beoordeeld. De planregeling voor het laatste deel van de vaargeul - ter hoogte van de aansluiting op het Drontermeer - is door de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 11 november 2015. Als gevolg van deze uitspraak is de planregeling voor de vaargeul in rechte onaantastbaar geworden, behoudens het laatste deel van 300 m. De thans voorliggende besluiten zien (alleen) op dit laatste deel van de vaargeul. Het onderzoek naar de stikstofemissie en -depositie vanwege het thans voorziene deel van de vaargeul dient volgens verweerders te worden gezien als een actualisatie van en dus in samenhang met de in 2013 verrichte passende beoordeling, aldus verweerders.

34.2.    In de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan de bestreden besluiten is een berekening gemaakt van de stikstofemissie en -depositie vanwege het gebruik van de vaargeul. Aan deze berekening is ten grondslag gelegd dat maximaal 17.000 gemotoriseerde boten per jaar gebruik zullen maken van de vaargeul. Verder is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 3,74 kg brandstof per uur, een emissie van 57,6 gram stikstofoxiden per kg brandstof en een gemiddelde vaarsnelheid van 6 km/uur. Hoewel het voorziene bevaarbare gedeelte van de vaargeul een lengte heeft van ongeveer 300 m, is van een totale lengte van 500 m uitgegaan. De totale jaarlijkse stikstofemissie bedraagt 305 kg. Op basis van deze uitgangspunten is met de AERIUS-rekentool een stikstofdepositie op de Rijntakken berekend van 0,00 mol/ha/jaar.

34.3.    Appellanten hebben de uitgangspunten van de hiervoor weergegeven Aerius-berekening uit de passende beoordeling alleen bestreden voor zover het betreft de gehanteerde lengte van de vaargeul.

34.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in (onder meer) haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530, geldt bij het vaststellen van een bestemmingsplan als referentiesituatie de feitelijke en planologisch toegestane situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan  of - anders geformuleerd - de planologisch legale situatie voor de vaststelling van het plan, echter alleen voor zover deze ook feitelijk is gerealiseerd. Het thans voorliggende bestemmingsplan voorziet in het laatste deel van de vaargeul, met een lengte van 300 m. Voor het overige is de vaargeul reeds voorzien in het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" uit 2013. Op het moment van de vaststelling van het thans voorliggende bestemmingsplan was de vaargeul ook (grotendeels) gerealiseerd. Het staat evenwel vast dat de vaargeul ten tijde van de planvaststelling feitelijk niet in gebruik was. De bestaande legale situatie ten tijde van de planvaststelling was - wat betreft de gebruikseffecten - dus een situatie zonder vaargeul. Als gevolg van het plan wordt de beoogde doorgaande vaarverbinding tussen de IJssel en het Drontermeer alsnog tot stand gebracht. De vaargeul is na de vaststelling van het plan overigens ook feitelijk in gebruik genomen (in het voorjaar van 2019). De stikstofuitstoot en -depositie als gevolg van dit plan is dus niet beperkt tot het gebruik van de in het plan voorziene 300 m. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat de thans verrichte berekening van de stikstofdepositie vanwege het plan bezien moet worden in samenhang met de eerdere (passende) beoordeling van de integrale gevolgen van het project "IJsseldelta-Zuid", waar de vaargeul een onderdeel van was, voor de stikstofdepositie op de Rijntakken. Dit betreft het rapport "Passende beoordeling IJsseldelta-Zuid" van Tauw van 20 maart 2013 en de aanvullende notitie "Stikstofdepositieonderzoek planstudie IJsseldelta-Zuid" van het bureau Witteveen en Bos van 4 september 2013. In deze notitie staat dat bij het onderzoek als peiljaar voor de achtergronddepositie 2018 is genomen. Bij het onderzoek is rekening gehouden met de (cumulatieve) gevolgen van de scheepvaart op de IJssel en binnen de te realiseren vaargeul alsook met het wegverkeer op de bestaande en te realiseren infrastructuur. In de notitie wordt geconcludeerd dat het gebruik van de vaargeul niet leidt tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden van stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied Rijntakken.

De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting en de Vereniging hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de conclusie uit de passende beoordeling uit 2013 dat de stikstofdepositie vanwege het gebruik van de vaargeul niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Rijntakken nog steeds houdbaar is. In dit verband is van belang dat verweerders onweerspoken hebben gesteld dat de instandhoudingsdoelstellingen voor (thans) de Rijntakken niet zijn veranderd. Het betoog slaagt niet.

34.5.    Hetgeen hiervoor is geoordeeld over het bestemmingsplan geldt ook voor de vergunning, daargelaten de omstandigheid dat bij de verlening van een Wnb-vergunning dient te worden uitgegaan van de vergunde situatie als referentiekader. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de vaarweg niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het betoog slaagt niet.

34.6.    Bij het hiervoor gegeven oordeel laat de Afdeling in het midden of de Stichting, gelet op haar statutaire doelstelling en het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, met resultaat kan opkomen tegen de gevolgen van de stikstofdepositie op habitattypen in het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Conclusie projectplan en uitvoeringsbesluiten

35.    Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van de Vereniging en de Stichting tegen het projectplan, de vergunning en het bestemmingsplan ongegrond.

Besluit van 5 februari 2018

36.    Bij besluit van 5 februari 2018 heeft het college de vergunning gewijzigd. Deze wijziging had uitsluitend betrekking op voorschriften 3 en 4 van de vergunning. In voorschrift 3 was bepaald dat de uitvoering van de werkzaamheden plaats vindt in de periode van 1 september tot 1 maart. In voorschrift 4 was bepaald dat geen gebruik mag worden gemaakt van kunstlicht in de periode van 1 september tot en met 15 oktober. Met voorschrift 3 werd geborgd dat de werkzaamheden ter realisatie van de rieteilanden en de rietkraag plaats zouden vinden buiten de broedperiode van de roerdomp en de grote karekiet, teneinde verstoring van deze soorten te voorkomen. Voorschrift 4 was gesteld vanwege de meervleermuis. Vanwege een onvoorziene vertraging van de start van de werkzaamheden was niet uitgesloten dat de werkzaamheden pas na 1 maart 2018 afgerond zouden worden. Om deze reden is door de projectorganisatie "Ruimte voor de rivier IJsseldelta Zuid" op 7 november 2017 een aanvraag ingediend tot wijziging van voorschrift 3 van de vergunning. Het college heeft bij besluit van 5 februari 2018 voorschrift 3 gewijzigd, in die zin dat de termijn voor de aanlegwerkzaamheden is verlengd tot 15 april. Ook voorschrift 4 over het gebruik van kunstlicht werd gewijzigd. Na deze wijziging van de (voorschriften bij) de vergunning is gebleken dat de verlenging van de termijn voor uitvoering niet noodzakelijk was, omdat de werkzaamheden, overeenkomstig de oorspronkelijke planning, vóór 1 maart 2018 waren afgerond. In zoverre is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het gewijzigde besluit bood.

36.1.    De Afdeling overweegt dat appellanten met hun beroep tegen de wijziging van de vergunning beoogd hebben te voorkomen dat de uitvoeringswerkzaamheden plaatsvinden binnen de broedperiode van de roerdomp en de grote karekiet. Nu de beoogde beschermingsmaatregel inmiddels is gerealiseerd, komt in zoverre geen betekenis meer toe aan het besluit tot wijziging van de vergunning. De Afdeling is daarom van oordeel dat appellanten geen belang hebben bij de beoordeling van hun beroepen tegen het besluit van 5 februari 2018.

Conclusie besluit van 5 februari 2018

37.    De beroepen tegen het besluit van 5 februari 2018 zijn niet-ontvankelijk

Proceskosten

38.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 5 februari 2018, kenmerk 2018/0019681, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 15 september 2017 tot vaststelling van het projectplan "Projectplan IJsseldelta-Zuid voor de maatregel doorgaande vaarverbinding Reevediep", het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 11 september 2017, kenmerk: 2017/0337155, en het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 2 november 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid, 1e herziening Reevediep", ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Milosavljević

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019

739.

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet Natuurbescherming

Artikel 2.7

1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan:

a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of

b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.

4. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat dat besluit uitsluitend wordt vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2.8.

5. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is.

Artikel 2.8

1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.

[…].

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

[…].

Vergunning

Voorschrift 6 (maatregelen)

Het gebruik van de doorgaande vaarweg Reevediep is alleen toegestaan:

a. binnen de betonde vaargeul;

b. bij een riethoogte van minimaal 2 m op de drie rieteilanden en de rietkraag.

Bestemmingsplan

Artikel 3 Natuur

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het behoud, herstel en/of ontwikkeling en versterking van de op deze gronden voorkomende en/of nieuwe landschappelijke, ecologische en natuurwaarden;

b. een tunnel ten behoeve van het spoorverkeer ter plaatse van de aanduiding "tunnel";

c. watergangen, waterpartijen, water infiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding, met dien verstande dat water tevens mag worden gebruikt als vaarweg voor zover gelegen binnen 10 m van de gronden met de bestemming Water ter plaatse van de aanduiding "vaarweg";

met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, waaronder duikers en dammen.

Artikel 4

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Water" aangewezen gronden met de bestemming "Water" zijn bestemd voor:

a. waterhuishoudkundige doeleinden;

b. waterbeheer en waterberging;

c. waterlopen met bijbehorende taluds;

d. bermen;

e. recreatieve voorzieningen en waterrecreatie met uitzondering van gronden ter plaatse van de aanduiding 'recreatie uitgesloten';

[…];

h. een vaarweg alsmede aanlegplaatsen voor schepen ter plaatse van de aanduiding "vaarweg";

[…].