Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:435

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
201705096/1/A2 en 201807516/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13531, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] over 2015 herzien en op € 928,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705096/1/A2 en 201807516/1/A2.

Datum uitspraak: 13 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante], wonend te 's-Gravenhage,

tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 12 mei 2017 in zaken nrs. 16/869, 16/3062 en 16/3188 en van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/2141 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] over 2015 herzien en op € 928,00 gesteld.

Bij besluit van 28 december 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 20 juni 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het kindgebonden budget over 2015 op nihil gesteld.

Bij besluit van 29 december 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 31 december 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2015 van [appellante] teruggevorderd.

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2014 definitief berekend en vastgesteld op € 1.476,00. Bij besluit van 9 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2014 van [appellante] teruggevorderd.

Bij besluit van 7 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen de besluiten van 7 januari 2016 en 9 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen de besluiten van 29 december 2015 en 31 december 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2017 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 28 december 2015, 7 maart 2016 en 10 maart 2016 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld (201705096/1/A2).

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellante] over 2015 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 15 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld (201807516/1/A2).

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 18 december 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.A. Spek, advocaat te 's-Gravenhage, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] woont met haar minderjarige zoon in Nederland. Op 22 april 2014 is zij gehuwd met [persoon], die in de Verenigde Staten woont. De Belastingdienst/Toeslagen heeft laatstgenoemde daarom vanaf 1 mei 2014 als toeslagpartner van [appellante] aangemerkt voor de bepaling van (de hoogte van) het recht op de in het geding zijnde toeslagen, te weten de kinderopvangtoeslag over 2014 en de kinderopvangtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2015.

Besluitvorming

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de herziening van het voorschot kindgebonden budget over 2015 naar nihil ten grondslag gelegd dat [appellante] en [persoon] toeslagpartners zijn. Het kindgebonden budget van [appellante] over 2015 is stopgezet omdat het ‘Niet in Nederland belastbaar inkomen’ van haar toeslagpartner niet bekend is. Een op een ander adres woonachtige partner wordt alleen niet meegeteld als toeslagpartner indien een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend. Deze situatie is in het geval van [appellante] niet aan de orde, aldus de dienst.

    Aan de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over 2014 en de herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag over 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat er vanaf mei 2014 sprake is van toeslagpartnerschap en een ouder met een partner slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft indien de partner in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland woont.     

    Aan de definitieve berekening van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de dienst het toeslagpartnerschap beoordeelt aan de hand van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), waaruit volgt dat als een aanvrager gehuwd is, zijn of haar partner automatisch toeslagpartner is. Het maakt daarbij niet uit of gehuwden wel of niet op hetzelfde adres staan ingeschreven of in hetzelfde land wonen. Omdat [appellante] in 2015 nog gehuwd is met [persoon], is die persoon haar toeslagpartner, aldus de dienst.

Wettelijk kader

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraken

- uitspraak van 12 mei 2017 in zaken nrs. 16/869, 16/3062 en 16/3188

4.    De rechtbank heeft overwogen dat in artikel 3, eerste lid, van de Awir is bepaald dat de partner van de belanghebbende degene is die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) als partner wordt aangemerkt. In artikel 5a, eerste lid, van de Awr is bepaald dat als partner de echtgenoot wordt aangemerkt. Uit artikel 5a, vierde lid, van de Awr vloeit voort dat [appellante] en haar echtgenoot niet meer als partners kunnen worden aangemerkt, indien zij niet meer staan ingeschreven op hetzelfde adres én een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu niet in geschil is dat een dergelijk verzoek niet is ingediend, de echtgenoot van [appellante] terecht als toeslagpartner van [appellante] is aangemerkt. Hieraan doet niet af dat [appellante] voor de toepassing van de Wet IB 2001 wordt beschouwd als een persoon zonder partner. In de parlementaire geschiedenis komt naar voren dat de wetgever uitdrukkelijk niet heeft gekozen voor een volledige gelijkschakeling van het partnerbegrip voor alle wetten, zoals voor de toepassing van de inkomstenbelasting, de toeslagen of de successiewetgeving. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen om in diverse wetten met een verschillend partnerbegrip te werken is een keuze die de rechter moet respecteren, behoudens een toetsing aan in verdragen neergelegde beginselen. In dit geval zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die grond geven voor het oordeel dat van een dergelijke schending sprake is, aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen, op grond van het voorgaande, terecht het standpunt heeft ingenomen dat het bezwaar van [appellante] inzake het al dan niet hebben van een toeslagpartner kennelijk ongegrond is en dat daarom geen plicht bestond [appellante] in bezwaar te horen.

    De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat in het opnieuw verstrekken van voorschotten geen grond is gelegen voor het oordeel dat sprake is van een opgewekt vertrouwen dat jegens [appellante] zou moeten worden gehonoreerd. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de nieuwe toekenning van voorschotten onmiddellijk samenhangt met een door [appellante] ingediende mutatie, inhoudende dat inmiddels wel sprake is van (een procedure inzake) echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen geacht moet worden te zijn teruggekomen op het standpunt waarover nog een procedure bij de rechtbank aanhangig was, te minder omdat gesteld noch gebleken is dat met de mutatie en de verwerking daarvan door partijen uitlatingen zijn gedaan die opgevat hadden kunnen worden als het terugkomen op het standpunt over het begrip toeslagpartner.

- uitspraak van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/2141

5.    De rechtbank heeft ook in deze zaak geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon], op grond van artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, onder a, van de Awr, terecht als toeslagpartner van [appellante] heeft aangemerkt.

Hoger beroepen

6.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of [persoon]  als toeslagpartner van [appellante] moet worden aangemerkt.

- De herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag 2015 en de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag 2014, het kindgebonden budget 2015 en de zorgtoeslag 2015.

7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het partnerbegrip van de Wet IB 2001 uitgangspunt is voor het in artikel 3 van de Awir opgenomen partnerbegrip. Hiertoe voert zij aan dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de begrippen in de Wet IB 2001 en de Awir gelijkluidend zouden moeten zijn. Haar echtgenoot had daarom niet als toeslagpartner moeten worden aangemerkt, omdat haar echtgenoot voor de toepassing van de Wet IB 2001, ingevolge artikel 1.2, vierde lid, onder b, van die wet, niet als partner wordt aangemerkt. De wetgever is kennelijk vergeten artikel 1.2, vierde lid, onder b, van de Wet IB 2001 over te nemen in de Awir, aldus [appellante].

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2397) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij - uit een oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen - op grond van objectiveerbare gegevens door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft.

    Omdat [appellante] gehuwd is, moet haar echtgenoot worden aangemerkt als haar partner in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Awir gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de Awr. Dat haar echtgenoot niet op hetzelfde adres als [appellante] woonde en in het buitenland verbleef, betekent niet dat hij daarmee niet als haar partner kon worden aangemerkt, omdat zij gehuwd waren en niet is gebleken dat zij van tafel en bed waren gescheiden. Daarbij is van belang dat artikel 3, tweede lid, van de Awir geen ruimte laat om rekening te houden met de door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden. In de Awir noch in de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb), de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) en de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko) is te dezer zake een hardheidsclausule opgenomen.

    Het standpunt van [appellante] dat voor het partnerbegrip in de Awir aansluiting moet worden gezocht bij het fiscale partnerbegrip in artikel 1.2 van de Wet IB 2001 kan niet worden gevolgd. Uit de tekst van artikel 1.2, eerste lid en vierde lid, van de Wet IB 2001 volgt slechts dat de in deze bepaling opgenomen aanvullingen en beperkingen op het partnerbegrip van artikel 5a van de Awr gelden voor de toepassing van de Wet IB 2001 en niet dat deze ook van toepassing zijn op de Awir.

7.2.    Het betoog faalt.

8.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 3 van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met internationaalrechtelijke bepalingen. Zij voert hiertoe aan dat de stopzetting en terugvordering van de toeslagen door de Belastingdienst/Toeslagen in strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR), artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 8, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) en de artikelen 16, 17, 30 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (hierna: het ESH). Er wordt een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen enerzijds een ongehuwde alleenstaande ouder en anderzijds een in Nederland werkende ouder, die getrouwd is met iemand in het buitenland. Door dit onderscheid wordt [appellante] financieel onevenredig geraakt. De Awir gaat uit van gezinsdraagkracht, terwijl hier in het geval van [appellante] geen sprake van is, omdat zij nooit heeft samengewoond met haar buitenlandse partner. Zij leven dus duurzaam gescheiden en kunnen geen kosten delen. Met het per 1 januari 2013 laten vervallen van de categorie ‘duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerd partner’ in de Awir, is onvoldoende rekening gehouden met de grote nadelen hiervan. Door [appellante] uit te sluiten van het recht op kinderopvangtoeslag wordt haar het recht ontnomen om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Om een betaalde baan te kunnen aanvaarden is kinderopvang immers noodzakelijk en de kosten hiervan zijn dermate hoog dat deze niet zijn op te brengen op basis van één salaris. Daarnaast worden mensen, die noodgedwongen duurzaam gescheiden van elkaar leven, door het gemaakte onderscheid gedwongen om officieel te scheiden. Via belasting een levensvorm afdwingen is schending van het gebod op gelijke behandeling en van fundamentele mensenrechten, zoals vrijheid van inrichting van het gezinsleven, aldus [appellante].

8.1.    [appellante] heeft terecht voorgedragen dat de rechtbank in de uitspraak van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/2141 voorbij is gegaan aan het beroep van [appellante] op internationaalrechtelijke bepalingen, maar dit kan, gelet op het hiernavolgende, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

8.2.    Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepaling van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

8.3.    [appellante] betoogt dat toepassing van artikel 3 van de Awir ertoe leidt dat zij gediscrimineerd wordt ten opzichte van alleenstaande ouders. Bij de beoordeling van dit betoog wordt het volgende vooropgesteld. Artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, alsook artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat discriminatie zich alleen voordoet indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel (zie EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008/306).

8.4.    Het aan artikel 3, eerste lid, van de Awir ten grondslag liggende uitgangspunt dat gehuwden die niet gescheiden zijn van tafel en bed, elk bijdragen in de zorgkosten en de kosten voor de opvoeding van het kind is, mede gelet op het bepaalde in titel 6 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, niet van redelijke grond ontbloot. Mede bezien tegen deze achtergrond en gelet op de doelstelling van de wetgever om door middel van een objectiveerbare maatstaf, tot een eenduidige wetstoepassing te komen met een zo gering mogelijke inmenging in het recht op privé-, familie- en gezinsleven van de betrokkenen, kan niet staande worden gehouden dat het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd is.

    Op kinderopvangtoeslag kan, gelet op het bepaalde in artikel 1.6 van de Wko, slechts aanspraak worden gemaakt indien zowel de aanvrager als de partner in Nederland, een andere lidstaat, of Zwitserland woont en werkt. [appellante] voldoet niet aan die voorwaarde omdat haar partner [persoon] in de Verenigde Staten woont. Dit leidt tot een onderscheid van enerzijds een ouder die geen partner heeft en een ouder die een partner heeft die op het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt en anderzijds een ouder die een partner heeft die niet op het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt. Voor zover [appellante] hierover bedoelt te klagen heeft het volgende te gelden. De Afdeling heeft reeds in de uitspraken van 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2540) en 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3296) geoordeeld dat dit verschil in behandeling gerechtvaardigd is. Het begrenzen van de aanspraak op kinderopvangtoeslag door middel van het stellen van woon- en werkplaatsvereisten, die deze aanspraak uitsluiten wanneer een van de ouders buiten de Europese Unie of Zwitserland woont en/of werkt, vormt namelijk een legitiem middel tot verwezenlijking van een legitiem doel. In hetgeen [appellante] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding om hiervan terug te komen.

8.5.    Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, van de Awr in strijd is met het recht op privé-, familie-, en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat zij geen aanspraak meer kan maken op kinderopvangtoeslag vanaf de periode dat zij met [persoon] is gehuwd, waardoor haar het recht wordt ontnomen om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien en een betaalde baan te kunnen aanvaarden en zij daardoor en gedwongen wordt om te scheiden van haar echtgenoot, treft dit betoog geen doel.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2491), kan artikel 8 van het EVRM onder omstandigheden positieve verplichtingen meebrengen, die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-, familie- en gezinsleven. Het EHRM heeft verscheidene malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant kan zijn in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Hierbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt. In de beslissing van 3 mei 2001, in de zaak van Domenech Pardo tegen Spanje, ECLI:CE:ECHR:2001:0503DEC005599600, heeft het EHRM overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de weigering om een sociale uitkering toe te kennen in bepaalde gevallen in strijd kan zijn met artikel 8 van het EVRM, bijvoorbeeld indien een dergelijke weigering de normale ontwikkeling van het privéleven en familie- en gezinsleven van de minderjarige effectief onmogelijk zou maken.

    Aan artikel 8 van het EVRM kan geen positieve verplichting tot verstrekking van kinderopvangtoeslag voor de opvang van het kind van [appellante] worden ontleend. Uit hetgeen zij over haar situatie heeft gesteld blijkt niet van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een dergelijke positieve verplichting moet worden aangenomen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat artikel 3 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a van de Awr, vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten.

8.6.    Het beroep van [appellante] op artikel 3 van het IVRK kan niet slagen, omdat [appellante], daargelaten of deze bepaling ertoe zou kunnen leiden dat artikel 3 van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten, haar standpunt ter zake niet heeft toegelicht.

    Evenmin slaagt het beroep op de bepalingen van het ESH. De bepalingen waarop [appellante] zich beroept lenen zich niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter, omdat deze bepalingen naar hun inhoud niet een ieder verbinden.

8.7.    Het betoog faalt.

9.    [appellante] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gaat dat zij er op mocht vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen haar echtgenoot met terugwerkende kracht niet als partner heeft aangemerkt. Zij heeft immers een beschikking, gedateerd op 4 mei 2016, ontvangen, waarin de dienst haar weer kindgebonden budget heeft toegekend over 2015. Omdat er ten tijde van die beschikking bezwaarprocedures liepen en de dienst volledig van haar situatie op de hoogte was, mocht zij er op vertrouwen dat de dienst haar vanaf 1 januari 2015 als gescheiden van tafel en bed heeft aangemerkt, aldus [appellante].

9.1.    Uit de beschikking van 4 mei 2016 volgt niet dat de Belastingdienst/Toeslagen een uitspraak heeft gedaan over de aanspraak van [appellante] op de in het geding zijnde toeslagen. De beschikking betrof een toekenning van een voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 31 oktober 2018 (ECLI:NL:2018:RVS:3545), vloeit uit de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot op zichzelf geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. Daargelaten of het toekennen van de voorschotten het gevolg is van een onjuiste verwerking van een mutatie door medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] hieraan niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het aan haar verleende voorschot juist was en de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten niet zou terugvorderen.

9.2.    Het betoog faalt.

10.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in bezwaar ten onrechte niet door de Belastingdienst/Toeslagen is gehoord. Zij voert hiertoe aan dat zij een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen in het geschil of haar echtgenoot als toeslagpartner moet worden aangemerkt, waardoor de Belastingdienst/Toeslagen haar bezwaar niet als kennelijk ongegrond had mogen afdoen. Daarnaast heeft de Belastingdienst/Toeslagen geen aandacht geschonken aan haar beroep op de artikelen 1.2, vierde lid, en 7.8 van de Wet IB 2001. Het voorgaande is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus [appellante].

10.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3022) vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. Gelet op de van toepassing zijnde regelgeving en hetgeen [appellante] in haar bezwaarschriften naar voren heeft gebracht, te weten dat zij ingevolge artikel 1.2, vierde lid van de Wet IB 2001 geen toeslagpartner heeft, was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat dit niet tot andersluidende besluiten zou leiden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat Belastingdienst/Toeslagen niet gehouden was om [appellante] in bezwaar te horen.

10.2.     Het betoog faalt.

11.    Voor zover [appellante] heeft betoogt dat de rechtbank niet binnen zes weken uitspraak heeft gedaan en de rechtbank twee verschillende processen-verbaal heeft overgelegd, kan dit niet leiden tot een gegrond hoger beroep dat strekt tot toekenning van de toeslagen.

    Het betoog faalt.

- Herziening van het voorschot kindgebonden budget 2015.

12.    Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de herziening van het voorschot kindgebonden budget 2015, heeft [appellante] geen belang bij een beoordeling van haar hoger beroep. Los van het feit dat een aanvrager, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:930), niet meer kan bereiken dat een voorschot over een bepaald jaar wordt herzien indien de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag voor dat jaar inmiddels definitief heeft vastgesteld, heeft de Afdeling hiervoor inzake de definitieve vaststelling van het kindgebonden budget over 2015 overwogen dat de rechtbank het door [appellante] hiertegen ingestelde beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep in zaak nr. 201705096/1/A2 dient in zoverre dat is gericht tegen de herziening van het voorschot kindgebonden budget 2015 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Conclusie

13.    Het hoger beroep in zaak nr. 201705096/1/A2 is niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep ziet op de herziening van het voorschot kindgebonden budget over 2015. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2017 in zaken nrs. 16/869, 16/3062 en 16/3188 dient te worden bevestigd.

    Het hoger beroep in zaak nr. 201807516/1/A2 is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/2141 dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201705096/1/A2 niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep ziet op de herziening van het voorschot kindgebonden budget over 2015.

II.    bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Lodder

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019

17-856 BIJLAGE - wettelijk kader

Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Artikel 26

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid (discriminatie) op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Protocol nr. 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden

Verdrag inzake de rechten van het kind

Artikel 3, eerste lid:

Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3, eerste lid:

Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 5a, eerste lid en vierde lid:

1. Als partner wordt aangemerkt:

a. de echtgenoot;

[…]

4. In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval:

a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en

b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.

Wet IB 2001

Artikel 1.2, vierde lid:

In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het eerste lid wordt niet als partner aangemerkt:

[…]

b. een persoon die geen inwoner is van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 is;

[…].