Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
201810323/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201810323/1/R1.

Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    CNC Grondstoffen B.V., gevestigd te Milsbeek, gemeente Gennep,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Elst, gemeente Overbetuwe,

en

de raad van de gemeente Gennep,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben CNC en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en CNC hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2019, waar CNC, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Arnhem, en [gemachtigde C], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Peters, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een actualisatie van het planologische regime voor een aaneengesloten gebied van hoofdzakelijk bedrijvigheid en woonbebouwing gelegen ten zuiden van de kern Milsbeek. Het plan heeft een overwegend conserverend karakter.

2.    CNC is eigenaar van de percelen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", gelegen in het westelijke deel van het plangebied, en exploiteert ter plaatse een bedrijf dat dekaarde produceert voor de champignonteelt. CNC kan zich niet verenigen met het plan en vreest onder andere voor een beperking in haar bedrijfsvoering. Daarnaast is beroep ingesteld door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn eigenaar van percelen die liggen binnen het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek", door de raad vastgesteld bij besluit van 12 maart 2018, ten zuidoosten van de percelen van CNC. Zij kunnen zich onder andere niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" waaraan de aanduidingen "bedrijf van categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" zijn toegekend, omdat daarmee een hogere milieucategorie wordt toegestaan dan milieucategorie 2.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening

Ingetrokken beroepsgrond

4.    Ter zitting heeft CNC de beroepsgrond over de planbegrenzing ingetrokken.

Het beroep van CNC

Het plandeel met de bestemming "Gemengd"

5.    CNC voert aan dat het plandeel met de bestemming "Gemengd" zal leiden tot een beperking van haar bedrijfsvoering. Hiertoe voert zij aan dat de wijziging van de bestemming "Bedrijventerrein" in "Gemengd" tot gevolg zal hebben dat het beschermingsniveau van de woningen binnen dit plandeel met de bestemming "Gemengd" zal wijzigen, omdat op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" tabel 2.17a van toepassing zal zijn. Daarnaast voert CNC aan dat de wijziging van de bestemming ontoereikend is gemotiveerd. Volgens CNC leidt deze wijziging ertoe dat het terrein geen bedrijfsmatig karakter meer heeft en zal het leiden tot klachten van toekomstige bewoners. Verder voert CNC aan dat de wijziging van de bestemming in strijd is met de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: de OL 2014), omdat het plangebied daarin is aangeduid als "Bedrijventerrein" en gelet daarop het accent van het plangebied op bedrijvigheid moet liggen.

5.1.     Artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder b, van de planregels luidt:

"De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[...]

b. bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels; […]"

5.2.    De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

    Met betrekking tot het betoog van CNC dat het plandeel met de bestemming "Gemengd" tot gevolg heeft dat het bedrijfsmatige karakter van het gebied wordt aangetast, stelt de Afdeling vast dat op grond van artikel 7, lid 7.1, onder b, van de planregels de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels. Voorts voorziet het plan binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" in bouwvlakken voor bedrijfsgebouwen. In zoverre is geen sprake van een aantasting van het bedrijfsmatige karakter van het gebied.

    In hetgeen CNC heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijziging van de bestemming "Bedrijventerrein" in "Gemengd" onvoldoende is gemotiveerd. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de raad heeft toegelicht dat de bestemming "Gemengd" is toegekend overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP2012), omdat daarin staat dat bij het toestaan van twee of meer uitwisselbare hoofdfuncties de bestemming "Gemengd" de toe te passen bestemming is. De Afdeling ziet in het aangevoerde evenmin grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met de OL 2014. Hierbij betrekt de Afdeling dat de OL 2014 zich niet verzet tegen het bieden van een passend planologisch kader voor bestaande situaties. Daarnaast is het plandeel met de bestemming "Gemengd" niet in strijd met de kaart behorend bij de OL 2014, aangezien deze bestemming voorziet in bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

    Ten aanzien van het betoog van CNC dat het beschermingsniveau van de woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" zal wijzigen, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1895. In deze uitspraak heeft de Afdeling ten aanzien van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" overwogen dat de raad, gelet op de ligging van de bedrijfswoningen op een bedrijventerrein, in redelijkheid ten aanzien van het beschermingsniveau van de bedrijfswoningen aansluiting heeft kunnen zoeken bij de geluidnormen van tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit. Wat betreft het betoog van CNC dat voor de woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit van toepassing zal zijn, wordt ten aanzien van dit bestemmingsplan in gelijke zin geoordeeld. Hierbij betrekt de Afdeling dat rondom de percelen van CNC en het plandeel met de bestemming "Gemengd" een cluster van aaneengesloten percelen ligt met overwegend de bestemming "Bedrijventerrein". Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van het beschermingsniveau van de woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" de geluidnormen van tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.

    Het betoog faalt.

Beperking bedrijfsvoering

Maximaal toegestane milieucategorie

6.    CNC kan zich niet verenigen met de aanduiding "bedrijf van categorie 2" ter plaatse van haar zuidelijke perceel. Zij voert aan dat op het zuidelijke perceel een lagere maximale milieucategorie is toegestaan dan de milieucategorie waarin de activiteit valt die op dat perceel plaatsvindt. In dit verband wijst CNC erop dat op haar gehele bedrijventerrein dekaarde wordt geproduceerd. Dit is volgens haar een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 3.2, terwijl het bestemmingsplan daar ten onrechte slechts activiteiten toestaat in maximaal milieucategorie 2. Volgens CNC is dit in strijd met het uitgangspunt in de plantoelichting van het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005", dat bestaande bedrijven en functies positief worden bestemd. In dit verband wijst zij er tevens op dat CNC op bijlage 4 "overzicht bedrijvigheid" bij het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" vermeld staat als "zwarte grond - productiebedrijven" dat behoort tot milieucategorie 3.

6.1.    In paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting staat dat de geldende milieucategorieën op basis van het geldende bestemmingsplan in beginsel zijn overgenomen. Door middel van een aanduiding en de planregels die een voortzetting van de bedrijfsactiviteiten mogelijk maken, hebben bestaande bedrijven een hogere milieucategorie toegekend gekregen dan generiek is toegestaan, aldus de plantoelichting. Ten aanzien van het bedrijventerrein van CNC staat in de plantoelichting dat aan de zuidzijde van het bedrijventerrein richting de woningen aan het Sprokkelveld lagere milieucategorieën zijn toegekend, zodat toekomstige milieuhinder ten opzichte van die woningen wordt voorkomen, dan wel zoveel mogelijk wordt beperkt.

6.2.    Aan de percelen van CNC is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Aan het noordelijke deel van de percelen is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" gegeven. Aan het zuidelijke deel van de percelen  zijn de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2", "specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie" en "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" gegeven.

    Artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, b en o van de planregels luidt:

"De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2': bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten in categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels;

b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten in de categorieën 2, 3.1 en 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels;

[…]

o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie', tevens voor de opslag van turf, veen en schuimaarde; […]"

6.3.    De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" eveneens aan het zuidelijke perceel van CNC milieucategorie 2 was toegekend, zodat sprake is van een voortzetting van de bedrijfsactiviteiten op dit perceel. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich onder verwijzing naar de richtlijnen uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een hogere milieucategorie op het zuidelijke perceel niet passend is in combinatie met de omliggende bestaande woningen en de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek". Ten aanzien van het betoog van CNC dat dit plan in strijd is met het uitgangspunt in de plantoelichting van het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" en haar bedrijf in bijlage 4 van het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" was aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 3, stelt de Afdeling vast dat de plantoelichting en de bijlage bij het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" geen deel uitmaken van het bestemmingsplan, zodat deze niet juridisch bindend waren.

    Het betoog faalt.

Toegestane bedrijfsactiviteiten

7.    CNC voert aan dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie" leidt tot een onevenredige beperking van haar ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden. Zij voert hiertoe aan dat het plan niet voorziet in redelijke uitbreidingsmogelijkheden voor haar bedrijf. Volgens CNC is dit in strijd met de vaste rechtspraak van de Afdeling, waaruit zou volgen dat bij het toekennen van een positieve bestemming aan bedrijven in beginsel uitbreidingsmogelijkheden moet worden gegeven ter waarborging van de continuïteit. In dit kader wijst CNC erop dat op dit moment onderzoek wordt gedaan naar het gebruik van veenvervangers op het zuidelijke perceel. Daarnaast is het mogelijk dat de mergel, die nu op het noordelijke perceel wordt opgeslagen, wordt verplaatst en uitgebreid naar het zuidelijke perceel, aldus CNC. Ook wijst CNC erop dat de raad de door haar ingediende melding op grond van het Activiteitenbesluit met betrekking tot haar actuele bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet heeft betrokken bij de vaststelling van dit plan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3606, voert zij aan dat ook een concrete melding bij de vaststelling van een bestemmingsplan betrokken moet worden. Tevens betoogt CNC dat onduidelijk is waarom het plan ter plaatse van haar perceel niet voorziet in de opslag van andere materialen dan  turf, veen en schuimaarde, zoals genoemd in artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels. Tot slot betwist zij dat met toepassing van artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels.

7.1.    Artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 sub a en b voor het toestaan van een ander bedrijf dan ter plaatse is toegestaan, mits:

a. het bedrijf voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de betreffende categorie;

b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden."   

7.2.    In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

    Naar het oordeel van de Afdeling is de enkele wens van CNC om ten zuiden van haar perceel veenvervangers te gebruiken en (mogelijk) mergel op te slaan niet aan te merken als een concreet plan als hiervoor bedoeld. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014 maakt dat niet anders, omdat de Afdeling in die uitspraak heeft vastgesteld dat uit de zienswijze en de conceptaanvraag voor een omgevingsvergunning is gebleken dat een concreet initiatief voor de realisatie van een woning aan de orde was. De Afdeling acht in dit verband tevens van belang dat CNC voorafgaand aan de vaststelling van het plan, noch bij deze aanvraag noch op andere wijze stukken, zoals een bedrijfsplan, situatieschets of ruimtelijke onderbouwing, heeft overgelegd op basis waarvan de raad had kunnen constateren dat CNC haar bedrijfsactiviteiten op haar perceel wilde uitbreiden en de ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan had kunnen beoordelen. Dat bij het als zodanig bestemmen van een bedrijf in beginsel redelijke uitbreidingsmogelijkheden moeten worden geboden, betekent niet dat in alle gevallen doorslaggevend gewicht moet worden toegekend aan het belang voor het betrokken bedrijf bij de mogelijkheid van uitbreiding. De raad heeft met de vaststelling van het plan het bestaande gebruik van het perceel als zodanig willen bestemmen. Daarbij heeft de raad als uitgangspunt genomen dat CNC ter plaatse moet kunnen blijven functioneren.

    Ten aanzien van de melding, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1895, dient de raad de milieuvergunning te betrekken bij de belangenafweging die hij in het kader van het vaststellen van het plan dient te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de in dit geval gedane melding betrokken bij de belangenafweging. Hiertoe wordt overwogen dat de raad heeft toegelicht dat naar aanleiding van de inventarisatie van de locatie, het feitelijke gebruik van het zuidelijke perceel en gelet op het geldende bestemmingsplan en de bedrijven- en milieuzonering aan het zuidelijke perceel van CNC de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie" is gegeven aan het zuidelijke perceel van CNC.

    Wat betreft het betoog van CNC dat onduidelijk is waarom de opslag van andere materialen dan genoemd in artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels niet zijn toegestaan, heeft de raad toegelicht dat met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie" in samenhang met artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels is beoogd om (toekomstige) milieuhinder ten opzichte van de woonomgeving te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken. De Afdeling ziet in hetgeen CNC heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad met de wens van CNC om ook de opslag van andere materialen mogelijk te maken, rekening behoefde te houden bij de vaststelling van het voorliggende plan. CNC heeft niet aannemelijk gemaakt dat vanwege het plan een reële bedrijfsvoering niet mogelijk is.

7.3.    Wat betreft het betoog van CNC dat onduidelijk is of met toepassing van artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels, heeft de raad ter zitting gesteld dat artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels een verschrijving bevat. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bedoeld is om op grond van artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels een afwijking van

artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels toe te staan. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daarvoor de aanleiding zijn, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

    Het betoog slaagt.

Het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

Aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie" en "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag"

8.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" is gegeven, omdat daarmee een hogere milieucategorie wordt toegestaan dan milieucategorie 2. In dit kader voeren zij aan dat bedrijfsactiviteiten in de buitenlucht, waaronder ook opslag van bulkmaterialen, behoren tot ten minste milieucategorie 3.1 als bedoeld in de VNG-brochure, terwijl aan het zuidelijke perceel van CNC milieucategorie 2 is toegekend. In dit verband betogen zij ook dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" ongeclausuleerd buitenopslag is toegestaan, zodat ter plaatse tevens buitenopslag van bulkgoederen is toegestaan. Verder voeren [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], onder verwijzing naar een notitie van Adromi Groep van 29 oktober 2019, aan dat het gebruik van het zuidelijke perceel van CNC als onoverdekt opslagterrein onaanvaardbaar is. Tot slot wijzen zij erop dat er geen milieuvergunning is verleend voor de uitpandige opslag van turf, veen en schuimaarde.

8.1.    De raad heeft toegelicht dat buitenopslag is toegestaan ter plaatse van het perceel van CNC waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" is toegekend voor zover het een bedrijfsactiviteit in categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de planregels,  betreft. Dit volgt uit de systematiek van artikel 6, lid 6.1, van de planregels voor het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", aldus de raad. De Afdeling acht de uitleg van de planregels niet onjuist. Daarom bestaat in zoverre geen grond voor de vrees dat het perceel van CNC waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" is toegekend, gebruikt zal worden voor bedrijfsactiviteiten die behoren tot milieucategorie 3.1. Voor zover [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] erop wijzen dat er geen milieuvergunning is verleend voor de uitpandige opslag van turf, veen en schuimaarde, stelt de Afdeling vast dat de milieuvergunning in deze procedure niet ter beoordeling voorligt.

    Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

9.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - dekaardeproductie" en "specifieke vorm van bedrijventerrein - buitenopslag" zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek". In dit verband voeren zij aan dat de bedrijfsactiviteiten van CNC zullen leiden tot geluidoverlast, stofhinder, luchtverontreiniging, bodembelasting en gezondheidsproblemen. Deze gevolgen voor het woon- en leefklimaat zijn niet nader onderzocht en evenmin nader beoordeeld, aldus [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. Voorts voeren zij aan dat de opslag van schuimaarde leidt tot een risico op bodemverontreiniging. Ter zitting hebben zij toegelicht dat vochtige schuimaarde zal leiden tot geuroverlast.

9.1.    De raad heeft wat betreft de aspecten geur, stof, geluid en gevaar aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. In paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting staat dat de bedrijfsactiviteiten vergelijkbaar zijn met bedrijven van milieucategorie 3.1 als bedoeld in de VNG-brochure. Voor deze bedrijvigheid geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 50 m ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk. Volgens de raad is de omgeving van dit plan aan te merken als een gemengd gebied, zodat de richtafstand met één stap naar beneden kan worden bijgesteld.

    Gelet op de ligging van het plangebied binnen een bedrijventerrein, de lintbebouwing en gelet op de diversiteit van de aanwezige functies in de directe omgeving, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mogen uitgaan van het omgevingstype "gemengd" als bedoeld in de VNG-brochure, zodat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd. In hetgeen [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de richtafstand verlaagd mag worden met één afstandsstap. Het voorgaande betekent dat de aanbevolen richtafstand gemeten vanaf het bedrijfsperceel tot de gevel van de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar volgens de VNG-brochure 30 m bedraagt. Vast staat dat de afstand tussen het bedrijfsperceel van CNC tot de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" ongeveer 40 m bedraagt, zodat aan de richtafstand van 30 m uit de VNG-brochure wordt voldaan. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat ter plaatse van de voorziene woningen binnen het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" sprake zal zijn van gevaar of ernstige geluid-, geur- of stofhinder. De enkele stelling dat de opslag van schuimaarde zal leiden tot onaanvaardbare overlast is daartoe onvoldoende, omdat de opslag van schuimaarde kan worden aangemerkt als een bestaande bedrijfsactiviteit op het perceel van CNC en niet is gebleken van onaanvaardbare overlast als gevolg van deze bedrijfsactiviteit. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de bedrijfsactiviteiten van CNC leiden tot een risico op bodemverontreiniging, stelt de Afdeling vast dat in het document "Verslag controlebezoek", van 10 oktober 2018, dat is opgesteld door RUD Limburg-Noord, staat dat een zeer beperkte hoeveelheid dekaarde wordt opgeslagen. Verder staat daarin dat ten noordoosten van de loods dekaarde in afgesloten bigbags op een vloeistofkerende verharding wordt opgeslagen, zodat stof- en stankoverlast door de opslag wordt uitgesloten. Tevens is opgemerkt dat dekaarde niet wordt aangemerkt als een bodembedreigende stof.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijk relevante milieugevolgen ter plaatse van de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van CNC aanvaardbaar zijn.

    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Zoals hiervoor onder 7.3 overwogen, is het bestreden besluit wat betreft artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van CNC is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd, voor zover in artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels niet is geregeld om met toepassing van dat artikel af te wijken van het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels.

Opdracht

11.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de betreffende planregel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

12.    De raad dient ten aanzien van CNC op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Omdat het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond is, bestaat in zoverre geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van CNC Grondstoffen B.V. tegen het besluit van 29 oktober 2018 waarbij de raad van de gemeente Gennep het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" heeft vastgesteld gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de gemeente Gennep van 29 oktober 2019, waarbij het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" is vastgesteld, voor zover in artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels niet is geregeld om met toepassing van dat artikel af te wijken van het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, onder o, van de planregels;

III.    draagt de raad van de gemeente Gennep op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 29 oktober 2018 waarbij de raad van de gemeente Gennep het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" heeft vastgesteld ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Gennep tot vergoeding van bij CNC Grondstoffen B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Gennep aan CNC Grondstoffen B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Slump    w.g. Zwemstra

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

91-889.