Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
201807942/1/A3, 201901526/1/A3 en 201906855/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:858, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2017 heeft de burgemeester het verzet van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op grond van artikel 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) tegen verstrekking van hun persoonsgegevens als niet-gerechtvaardigd beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807942/1/A3, 201901526/1/A3 en 201906855/1/A3.

Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Hapert, gemeente Bladel, en

2.    de burgemeester van Eindhoven

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/1138, van 14 februari 2019 in zaak nr. 18/1589 en van 9 augustus 2019 in zaak nr. 19/1057, in de gedingen tussen:

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

en

de burgemeester van Eindhoven.

Procesverloop

Zaak 201901526/1/A3

Bij besluit van 12 oktober 2017 heeft de burgemeester het verzet van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op grond van artikel 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) tegen verstrekking van hun persoonsgegevens als niet-gerechtvaardigd beoordeeld.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft de burgemeester besloten op het verzoek van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] om inzage in het gebruik van hun persoonsgegevens op grond van artikel 35 van de Wbp.

Bij brief van 20 december 2017 hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de burgemeester zijn besluit van 27 oktober 2017 aangevuld en aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] twee overzichten van persoonsgegevens verstrekt.

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft de burgemeester de bezwaren van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen de besluiten gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft de burgemeester de verstrekte overzichten aangevuld.

Bij uitspraak van 14 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben nadere stukken ingediend.

Zaak 201807942/1/A3

Bij het hiervoor genoemde besluit van 21 december 2017 heeft de burgemeester besloten naar aanleiding van een verzoek van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op grond van artikel 35 van de Wbp.

Bij brief van 19 maart 2018 hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een verwijderingsverzoek gedaan op grond van artikel 36 van de Wbp.

Bij brief van 25 april 2018 hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] de burgemeester in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van besluiten op het door hen tegen het besluit van 21 december 2017 gemaakte bezwaar en op hun verzoek van 19 maart 2018.

Bij uitspraak van 20 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het uitblijven van een besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de burgemeester opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen binnen twee weken na verzending van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De burgemeester en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben nadere stukken ingediend.

Zaak 201906855/1/A3

Bij de hiervoor genoemde brief van 19 maart 2018 hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een verwijderingsverzoek gedaan op grond van artikel 36 van de Wbp.

Bij brief van 25 april 2018 hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] de burgemeester in gebreke gesteld voor het uitblijven van een besluit op hun verzoek.

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft de burgemeester het verzoek afgewezen.

Bij uitspraak van 9 augustus 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het uitblijven van een besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Alle zaken

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 23 september 2019, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], in de persoon van [appellant sub 1A], en de burgemeester, vertegenwoordigd door B. Timmermans, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In 2013 is in het kader van de integrale aanpak van malafide hondenhandel door de Politie Landelijke Eenheid Expertisecentrum Dierenwelzijn een zogenoemd pre-weegdocument opgesteld. In dat document zijn gegevens van hondenhandelaren opgenomen waarbij voldoende indicatoren aanwezig zijn om een nader onderzoek te rechtvaardigen. De in het pre-weegdocument voorkomende hondenhandelaren zijn opgenomen in het algemeen draaiboek ‘Canitas project’ dat is opgesteld ten behoeve van een landelijke handhavingsactiedag, en dat in paragraaf 1.4 een schema met gegevens van hondenhandelaren bevat. De gegevens van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] zijn in dit schema opgenomen. Voor het project werd samengewerkt met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA). In het kader van de integrale handhaving is het draaiboek gedeeld met de bestuursorganen die zijn aangesloten bij het Regionale Informatie en Expertise Centrum Oost-Brabant (hierna: het RIEC). De gemeente Eindhoven is convenantpartner bij het RIEC en is op grond van de bewerkersovereenkomst RIEC Oost-Brabant verantwoordelijk voor de gegevensverwerking. Op grond van het Privacyprotocol kan een verzoek om inzage bij de verantwoordelijke partijen worden ingediend.

2.    Bij brief van 23 augustus 2017 hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] de burgemeester verzocht om inzage in het gebruik van hun persoonsgegevens door het RIEC. Ook hebben zij daarbij verzet aangetekend tegen het verstrekken van hun persoonsgegevens aan [persoon] en de NVWA. De burgemeester is de systeemverantwoordelijke van het RIEC. De correspondentie tussen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en de burgemeester en de procedures die uit deze verzoeken zijn voortgevloeid, hebben geleid tot de drie aangevallen uitspraken die in het procesverloop zijn genoemd. Omdat bepaalde stukken en brieven voor meerdere zaken van belang zijn en het voor de beoordeling van belang is om de procedures in samenhang te bezien, zijn deze zaken gevoegd op de zitting behandeld en zullen ze allemaal in deze uitspraak aan de orde komen. Eerst zal de inhoudelijke procedure met zaaknummer 201901526/1/A3 worden behandeld. Vervolgens zal worden ingegaan op de procedures over het niet tijdig nemen van een besluit met zaaknummer 201906855/1/A3 en zaaknummer 201807942/1/A3.

3.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage is bij de uitspraak gevoegd en maakt hiervan deel uit.

Zaak 201901526/1/A3

Besluitvorming

4.    Bij besluit van 12 oktober 2017 heeft de burgemeester het verzet op grond van artikel 40 van de Wbp van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet gerechtvaardigd geacht, omdat volgens hem geen sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in dat artikel.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft de burgemeester besloten aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een overzicht van door het RIEC verwerkte persoonsgegevens te verstrekken met vermelding van de doeleinden, de ontvangers en informatie over de herkomst van de gegevens. Daarbij is vermeld dat de overzichten zullen worden nagestuurd.

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de burgemeester besloten de bij dat besluit gevoegde overzichten te verstrekken en verdere inzage te weigeren op grond van artikel 43 van de Wbp. Dit besluit moet worden aangemerkt als een aanvulling op het besluit van 27 oktober 2017.

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft de burgemeester de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ingediende bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en de verstrekte overzichten aangevuld. De bezwaren zijn voor het overige ongegrond verklaard.

Toepasselijk recht

5.    Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) in werking getreden en de Wbp ingetrokken. Op dit geding is evenwel nog de Wbp van toepassing, omdat het besluit op bezwaar dateert van voor 25 mei 2018.

De uitspraak van de rechtbank

6.    Over het verzet heeft de rechtbank overwogen dat bij de beoordeling of een verzet gehonoreerd moet worden geen beoordeling plaatsvindt van de rechtmatigheid van de besluiten of handelingen van de betrokken bestuursorganen. De rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens kan aan de orde worden gesteld in de daartoe geëigende procedures. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wbp, die ertoe leiden dat de gegevensverwerking niet gerechtvaardigd is.

Verder overweegt de rechtbank over het inzageverzoek dat vaststaat dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] nog onderwerp zijn van een strafrechtelijk onderzoek als bedoeld in artikel 43, onder b, van de Wbp. De burgemeester heeft voldoende onderbouwd waarom het van belang is dat zij in verband daarmee geen verdere inzage in de verwerkte gegevens krijgen dan op grond van de verstrekte overzichten. Verder zijn de overzichten voldoende duidelijk omdat daaruit in samenhang met het besluit van 2 mei 2018 is af te leiden welke gegevens op welke persoon betrekking hebben, wat de herkomst van de gegevens is, de bestemming daarvan en wat het doel is van de verwerking, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

7.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gegevensverwerking waartegen verzet is aangetekend rechtmatig is. Zij voeren in dit kader aan dat er geen objectieve grond bestond voor het RIEC om hen als handhavingsknelpunt aan te wijzen. Ook biedt de samenwerking op grond van het convenant geen bevoegdheid tot de uitwisseling van gegevens. Verder zijn de verstrekte overzichten onvoldoende duidelijk en incompleet, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].

Zijn er bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40 van de Wbp?

8.    Het betoog dat de rechtbank de rechtmatigheid van de gegevensverwerking had moeten beoordelen, slaagt niet. De omstandigheid dat het RIEC, naar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aanvoeren, onrechtmatig zou hebben gehandeld bij het verwerken van gegevens in het kader van de aanpak van handhavingsknelpunten is daarbij niet aan te merken als een bijzondere persoonlijke omstandigheid als bedoeld in artikel 40 van de Wbp. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van 1 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3869, is hierbij van belang dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op grond van artikel 35 van de Wbp het recht hebben zich tot de burgemeester te wenden met het verzoek aan hen mede te delen of hen betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Van deze mogelijkheid hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] overigens ook gebruik gemaakt. Op grond van artikel 36 van de Wbp kan de burgemeester vervolgens worden verzocht deze gegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt, maar een dergelijke verzoek is hier niet aan de orde.

De conclusie is dat de betogen dat het RIEC de gegevens onrechtmatig verwerkt geen betrekking hebben op persoonlijke omstandigheden van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en om die reden geen argument kunnen vormen bij het besluit op het verzet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door hen genoemde omstandigheden geen bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wbp, die ertoe leiden dat de gegevensverwerking niet gerechtvaardigd is.

Voldoen de verstrekte overzichten aan de eisen van artikel 35 van de Wbp?

9.    Geen gronden zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de verstrekte overzichten in samenhang gelezen met de toelichting daarop in het besluit van 2 mei 2018 voldoende duidelijk zijn. Ter zitting hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hun betoog over de verstrekte overzichten nader toegelicht. Zij hebben erop gewezen dat op de overzichten geen vanuit het RIEC met de convenantpartners gedeelde gegevens zijn vermeld, terwijl niet in geschil is dat in het kader van het RIEC gegevens zijn gedeeld.

9.1.    De burgemeester heeft toegelicht dat er inderdaad op de overzichten wel gegevens staan die zijn gedeeld met het RIEC, maar geen gegevens die zijn gedeeld door het RIEC. Daarbij heeft de burgemeester uiteengezet dat wanneer een convenantpartner informatie deelt in het kader van de samenwerking in het RIEC, die informatie naar het RIEC en rechtstreeks naar de andere convenantpartners wordt gestuurd. Daarom zijn er op de overzichten wel veel gegevens vermeld die door convenantpartners met elkaar zijn gedeeld, maar geen gegevens die door het RIEC met de convenantpartners zijn gedeeld. De Afdeling acht deze verklaring aannemelijk. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de overzichten ook gegevens hadden moeten bevatten die door het RIEC zijn gedeeld. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten

10.    Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat in deze zaak geen aanleiding.

Zaak 201906855/1/A3

De uitspraak van de rechtbank

12.    De rechtbank heeft vastgesteld dat de burgemeester bij besluit van 14 juni 2018 op het verzoek van 19 maart 2018 heeft besloten. Het feit dat er een onjuiste rechtsmiddelenclausule onder het besluit is vermeld, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van een besluit, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

13.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3514, heeft geoordeeld dat sprake is van een besluit van de burgemeester op hun verzoek. Die zaak is niet vergelijkbaar met deze. Zij wijzen erop dat in de rechtsmiddelenclausule wordt verwezen naar een bestuursorgaan van een andere gemeente. Bij dat bestuursorgaan hadden zij bovendien al een bezwaar ingediend in een soortgelijke procedure, waardoor zij geen aanleiding hebben gezien om daar nog een bezwaar in te dienen. Door de uitspraak van de rechtbank wordt hun een rechtsmiddel ontnomen, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].

Is er een besluit op het verzoek van 19 maart 2018?

14.    Uit het besluit van 14 juni 2018 blijkt duidelijk dat het gaat om een besluit van de burgemeester van Eindhoven naar aanleiding van het verzoek van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] van 19 maart 2018. Zoals ook volgt uit de genoemde uitspaak van 20 december 2017 is hierbij niet doorslaggevend of de brief is voorzien van een juiste rechtsmiddelenclausule. Verder betreffen onjuistheden in of het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule onregelmatigheden van na het besluit die niet kunnen leiden tot vernietiging van dat besluit. Zoals ook ter zitting aan de orde is gesteld, wordt het op grond van een onjuiste rechtsmiddelenclausule te laat of bij het verkeerde bestuursorgaan indienen van een bezwaarschrift in beginsel verschoonbaar geacht. Over het ontbreken van een rechtsmiddel tegen het besluit overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het besluit van 14 juni 2018 van de burgemeester hebben ontvangen. Het lag dan ook op hun weg om in overeenstemming met de onjuiste rechtsmiddelenclausule bezwaar in te dienen bij het daarin genoemde bestuursorgaan. Dat zij ervoor hebben gekozen dat niet te doen, komt voor hun eigen risico. Het betoog slaagt niet.

14.1.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen, staat vast dat de burgemeester ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al een besluit op het verzoek van 19 maart 2018 had genomen. In deze situatie moet het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend.

Conclusie en proceskosten

15.    Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in deze zaak niet-ontvankelijk verklaren.

16.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Zaak 201807942/1/A3

De uitspraak van de rechtbank

17.    De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op 23 januari 2018 bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 21 december 2017. De bezwaartermijn eindigde op 2 februari 2018 en de burgemeester had daarom uiterlijk op 16 maart 2018 op het bezwaar moeten besluiten. De burgemeester heeft geen besluit genomen en sinds de ingebrekestelling van 25 april 2018 zijn twee weken verstreken. Daarom is het beroep gegrond, aldus de rechtbank.

De hoger beroepen

18.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte geen al verbeurde dwangsommen heeft vastgesteld. Het besluit van 2 mei 2018 ziet niet op het bezwaar van 23 januari 2018 of op het verzoek van 19 maart 2018.

18.1.    De burgemeester betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen om alsnog een besluit op bezwaar te nemen, omdat het besluit van 2 mei 2018 ook ziet op de aanvullende bezwaren van 23 januari 2018. Dat besluit was al aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] toegezonden voordat zij beroep instelden tegen het uitblijven van een besluit. Voor een oordeel over het verzoek van 19 april 2018 bestond geen aanleiding omdat de ingebrekestelling in zoverre te vroeg was, aldus de burgemeester.

Is er besloten op de bezwaren van 23 januari 2018 en op het verzoek van 19 maart 2018?

19.    Zoals hiervoor onder 4 al is overwogen, heeft de burgemeester met het besluit van 21 december 2017 het besluit van 27 oktober 2017 aangevuld. Het bezwaar van 23 januari 2018 dat ziet op het besluit van 21 december 2017, is terecht aangemerkt als aanvullend bezwaar. Op alle ingediende bezwaren is ingegaan bij het besluit van 2 mei 2018. De rechtbank heeft de burgemeester ten onrechte opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen. Het betoog van de burgemeester slaagt.

19.1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben bij brief van 25 april 2018 een ingebrekestelling gestuurd. Vaststaat dat de termijn om te besluit op de bezwaren van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op dat moment al meer dan twee weken was verstreken. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden dwangsommen verbeurd met ingang van de dag waarop ook twee weken zijn verstreken nadat het bestuursorgaan een ingebrekestelling heeft ontvangen. Het besluit van 2 mei 2018 is genomen binnen twee weken nadat de burgemeester de ingebrekestelling heeft ontvangen. Er bestond voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om vast te stellen dat al dwangsommen waren verbeurd. Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] slaagt niet.

20.    Het verzoek van 19 maart 2018 betreft een verzoek om verwijdering op grond van artikel 36 van de Wbp. Ingevolge het tweede lid van dat artikel moet binnen vier weken na ontvangst op een dergelijk verzoek worden gereageerd. Het verzoek is op 20 maart 2018 door de burgemeester ontvangen. De besluittermijn is derhalve op 18 april 2018 verstreken. De ingebrekestelling is bij brief van 25 april 2018 verstuurd en was dus niet te vroeg. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de al verbeurde dwangsommen niet vastgesteld ten aanzien van het verzoek van 19 maart 2018. Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] slaagt.

Conclusie en proceskosten

21.    De hoger beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en de burgemeester zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij de burgemeester is opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen.

De Afdeling ziet geen aanleiding om, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de verbeurde dwangsommen alsnog vast te stellen en overweegt daartoe het volgende. Niet in geschil is dat in de zaak met nummer 201906855/1/A3 de burgemeester heeft erkend dat het besluit op het verzoek van 19 maart 2018 te laat was en dat daarvoor het maximale bedrag aan dwangsommen is verbeurd. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat bedrag inmiddels van de burgemeester hebben ontvangen.

Voor het overige dient de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

22.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen van de burgemeester van Eindhoven en van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/1138, gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/1138, voor zover daarbij het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond is verklaard en de burgemeester is opgedragen alsnog een beslissing op bezwaar te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak;

III.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/1138, voor zover aangevallen, voor het overige;

IV.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2019 in zaak nr. 19/1057, gegrond;

V.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2019 in zaak nr. 19/1057;

VI.    verklaart het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij de rechtbank ingestelde beroep in zaak nr. 19/1057 niet-ontvankelijk;

VII.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2019 in zaak nr. 18/1589;

VIII.    gelast dat de burgemeester van Eindhoven aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro) voor de behandeling van de hoger beroepen in de zaken met nummers 201807942/1/A3 en 201906855/1/A3 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

545.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:17

3.    De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 8

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

[…]

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Artikel 35

1.    De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2.    Indien zodanige gegevens worden verwerk, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Artikel 36

1.    Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2.    De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

Artikel 40

1.    Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Artikel 43

De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34, 34a, tweede lid, en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

a.    de veiligheid van de staat;

b.    de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c.    gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

d.    het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of

e.    de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.