Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
201903928/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2019:1264, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903928/1/A2.

Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint Jansklooster, gemeente Steenwijkerland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 april 2019 in zaak nr. 18/1466 in het geding tussen:

[appellant] en [partij] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant])

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Meijerink, vergezeld door mr. A.L.J.M. Boontjes, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), zijn verschenen.

Overwegingen

Het verzoek om een tegemoetkoming in planschade

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te Sint Jansklooster. Hij heeft het college verzocht hem tegemoet te komen in de planschade die voortvloeit uit het op 28 mei 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Sint Jansklooster, [locaties]". Met de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan heeft het perceel [locatie] een woonbestemming gekregen en is de agrarische bestemming die op dit perceel rustte komen te vervallen. Hierdoor is dit perceel in waarde gedaald. Verder brengt de bestemmingswijziging inkomensschade met zich, omdat op het perceel niet langer een agrarisch bedrijf kan worden geëxploiteerd, aldus [appellant].

De besluitvorming van het college

2.    Aan de afwijzing van het verzoek van [appellant] heeft het college een advies van de SAOZ van november 2017 ten grondslag gelegd. Volgens de SAOZ heeft [appellant] geen inkomensschade geleden die voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Op de peildatum werd namelijk geen agrarisch bedrijf uitgeoefend op het perceel [locatie] en dat is een voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in inkomensschade. Mocht [appellant] op de peildatum wel een agrarisch bedrijf hebben geëxploiteerd, zoals [appellant] stelt, dan ging het om illegale activiteiten en met dergelijke activiteiten wordt geen rekening gehouden bij een planvergelijking. Het perceel en het daarop gelegen woonhuis zijn verder volgens de SAOZ niet in waarde gedaald, maar juist in waarde gestegen als gevolg van de bestemmingswijziging. De SAOZ heeft er in haar advies tot slot op gewezen dat ook als [appellant] wél planschade had geleden, deze niet voor tegemoetkoming in aanmerking zou komen, omdat [appellant] heeft meegewerkt aan de wijziging van de op zijn perceel rustende bestemming door met de gemeente Steenwijkerland een overeenkomst te sluiten waarin dit is vastgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft vooropgesteld dat aan de besluitvorming van het college een advies van de SAOZ ten grondslag ligt en dat de SAOZ een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade is. Dit brengt met zich dat het college in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een door de SAOZ uitgebracht advies. In wat [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de SAOZ. De SAOZ heeft volgens de rechtbank op objectieve wijze verslag gedaan van haar onderzoek en heeft op inzichtelijke wijze aangegeven op welke feiten en omstandigheden haar advies is gebaseerd. De conclusie die de SAOZ in haar advies heeft getrokken, is volgens de rechtbank ook niet onbegrijpelijk. De rechtbank deelt verder het standpunt van de SAOZ dat [appellant] heeft meegewerkt aan de bestemmingswijziging door een vaststellingsovereenkomst met de gemeente Steenwijkerland te sluiten. [appellant] heeft geen civiele procedure gevoerd over die overeenkomst, zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Eerst in beroep heeft [appellant] naar voren gebracht dat de vaststellingsovereenkomst in strijd met artikel 122 van de Woningwet is gesloten. Dit is een geheel nieuwe grond, waarmee het college in zijn besluitvorming geen rekening heeft kunnen houden. De rechtbank heeft deze grond daarom wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Uit het voorgaande volgt dat het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade mocht afwijzen, aldus de rechtbank.

Het oordeel van de Afdeling

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn verzoek om een tegemoetkoming in planschade mocht afwijzen. Hiertoe voert [appellant] aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het door hem ingebrachte tegenrapport van Van Eysinga & Oostra c.s. van oktober 2015. Ook de bezwaarschriftencommissie is aan dit tegenrapport voorbijgegaan. Uit dit rapport blijkt dat het perceel [locatie] € 117.500,00 in waarde is gedaald, aldus [appellant].

4.1.    Het college heeft het verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in planschade afgewezen op basis van een advies van de SAOZ. De rechtbank heeft daarom terecht beoordeeld of er aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat dit advies naar totstandkoming of inhoud zodanige gebreken vertoont dat het niet aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd. [appellant] heeft een rapport van Van Eysinga & Oostra c.s. ingebracht om aan te tonen dat het advies van de SAOZ ondeugdelijk is. In dit rapport wordt tot een andere conclusie gekomen dan in het advies van de SAOZ; er zou geen sprake zijn van planologisch voordeel, maar van een aanzienlijk nadeel. Het college heeft een verklaring gegeven voor de verschillen in uitkomst van het advies van de SAOZ en het rapport van Van Eysinga & Oostra c.s. Volgens het college is het perceel [locatie] in het rapport van Van Eysinga & Oostra c.s. ten onrechte benaderd als een zelfstandig perceel, waarop agrarische bedrijfsgebouwen konden worden gerealiseerd. Het perceel [locatie] kwam evenwel - wat het agrarisch gebruik betreft - geen zelfstandige betekenis toe. Het perceel vormt een eenheid met het perceel Leeuwte 31. Vandaar dat op het perceel [locatie] alleen bijgebouwen gebouwd mochten worden. Door het perceel [locatie] als zelfstandig perceel te benaderen, zijn Van Eysinga & Oostra c.s. volgens het college tot een veel hogere waarde gekomen onder het oude planologische regime. De Afdeling acht deze verklaring voor de verschillen in uitkomst van het advies van de SAOZ en het rapport van Van Eysinga & Oostra c.s. aannemelijk. De benadering van de SAOZ is volgens haar de juiste. Dat betekent dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van de door de SAOZ gemaakte beoordeling en dat het college dit advies aan haar besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

    Het betoog faalt.

5.    Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in planschade mocht afwijzen, omdat [appellant] geen planschade heeft geleden die voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de inhoud en de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst doet alleen daarom al niet ter zake.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

735.