Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
201902781/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2018 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902781/1/A3.

Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bronckhorst,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 26 februari 2019 in zaken nrs. 18/6873 en 19/564 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2018 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Bij besluit van 11 december 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2019, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door G. Limpers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] was commissielid, niet zijnde raadslid, binnen de fractie van Gemeentebelangen Bronckhorst. In een integriteitsonderzoek naar [appellant] heeft een screenshot van een telefoon een rol gespeeld, waaruit blijkt dat op 03/07/2017 - dat wil zeggen op 7 maart 2017 - met het telefoonnummer van [appellant] is gebeld. Deze screenshot is gemaakt met de privételefoon van een ambtenaar van de gemeente Bronckhorst. [appellant], die ontkent op die dag met de betrokken ambtenaar te hebben gesproken, heeft op grond van de Wob gevraagd om verstrekking van documenten waaruit blijkt vanaf welk telefoonnummer met hem is gebeld en wanneer de screenshot is gemaakt. Het college heeft dat verzoek afgewezen omdat het niet over de gevraagde documenten beschikt.

Aangevallen uitspraak

2.    Over het integriteitsonderzoek heeft [appellant] ook civielrechtelijk geprocedeerd tegen de gemeente. Gelet op de inhoud van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 19 december 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5527, komt het standpunt van het college dat er geen documenten zijn, anders dan de bewuste screenshot de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een document bestaat waaruit blijkt vanaf welk telefoonnummer is gebeld en wanneer de screenshot is gemaakt. Voor zover [appellant] een nieuwe screenshot wil ontvangen waarop ook het telefoonnummer staat waarvandaan is gebeld, overweegt de rechtbank dat artikel 7 van de Wob niet zover strekt dat een bestuursorgaan is gehouden om een document op te stellen en te verstrekken indien het verzochte document niet bestaat.

Beoordeling hoger beroep

3.    Het betoog van [appellant] over de bewijskracht van een screenshot behoeft geen bespreking, nu dit betoog buiten het in de Wob neergelegde beoordelingskader valt. Het doel waarvoor [appellant] een document wil hebben is voor de toepassing van de Wob niet relevant. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan toepassing van de Wob niet leiden tot openbaarmaking voor uitsluitend een bepaalde verzoeker, maar slechts tot openbaarmaking voor een ieder. De indiener van een Wob-verzoek hoeft daarom ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob, geen belang bij zijn verzoek te stellen. Dit laat echter onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het algemene belang van een goede en democratische bestuursvoering. Dit belang wordt door de Wob voorondersteld.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ook gegevens van een privételefoon of andersoortig hulpmiddel van een ambtenaar in dienst van de overheid onder het bereik van de Wob vallen. [appellant] heeft zijn verzoek toegespitst op een e-mailbericht of een Whatsapp-bericht betreffende de screenshot.

4.1.    [appellant] betoogt op zich terecht dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:899, gegevens die zich op een privételefoon of andere gegevensdragers bevinden onder de reikwijdte van de Wob kunnen vallen voor zover deze zien op een bestuurlijke aangelegenheid en bestemd zijn voor het bestuursorgaan. Het college heeft in het besluit van 6 september 2018, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 11 december 2018, uiteengezet dat de betrokken ambtenaar een screenshot heeft gemaakt met zijn privételefoon, waaruit blijkt met welk telefoonnummer op 7 maart 2017 is gebeld en dat er geen andere documenten over dit telefoongesprek zijn. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college nogmaals bevestigd dat er onderzoek is gedaan naar andere documenten, waaronder ook berichten in de telefoon van de ambtenaar, maar dat er geen andere documenten bestaan dan de reeds openbaar gemaakte screenshot. Meer is er niet, aldus het college. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de mededeling van het college dat er verder geen documenten aanwezig zijn niet ongeloofwaardig voorkomt en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er toch meer documenten onder het bestuursorgaan berusten waaruit onder meer blijkt vanaf welk telefoonnummer is gebeld en wanneer de screenshot is gemaakt. De rechtbank heeft voorts terecht onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling overwogen dat de Wob geen verplichting bevat om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, ongeacht de mate van inspanning.

4.2.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Deventer-Lustberg

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

587.