Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2019
Datum publicatie
11-12-2019
Zaaknummer
201804331/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1833, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen een termijn van 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 26 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte Pruimendijk 228-A" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804331/2/R3.

Datum uitspraak: 11 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Ridderkerk,

en

de raad van de gemeente Ridderkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1833, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen een termijn van 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 26 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte Pruimendijk 228-A" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 19 september 2019 het bestemmingsplan "Ruimte voor ruimte Pruimendijk 228-A" gewijzigd vastgesteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 26 maart 2018

1.    Uit overweging 5.5. van de tussenuitspraak volgt dat de raad, door te stellen dat een ontsluiting(sweg) binnen de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Tuin" past, naar het oordeel van de Afdeling in dit geval een onjuiste uitleg geeft aan die bestemming. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat het plan op het punt van de situering van de ontsluiting meer mogelijk maakt dan de raad heeft beoogd te regelen, omdat het kavelpaspoort waarin die situering is vastgelegd geen juridisch bindende werking heeft.

De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat het besluit van 26 maart 2018 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Gelet hierop is het beroep van [appellante] tegen het besluit van 26 maart 2018 gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd.

2.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de hiervoor vermelde gebreken, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, te herstellen.

Het besluit van 19 september 2019

3.    Bij besluit van 19 september 2019 heeft de raad aan een deel van het plangebied met de bestemming "Tuin" de functieaanduiding "ontsluiting" toegekend en de in artikel 4, lid 4.1, van de planregels, opgenomen  bestemmingsomschrijving van de bestemming "Tuin" hierop aangepast.  Daarnaast is in artikel 6, lid 6.2.4, van de planregels de voorwaardelijke verplichting opgenomen, dat het plangebied dient te worden ingericht conform het kavelpaspoort alvorens de omgevingsvergunning voor de bouw van de eerste woning kan worden verleend.

4.    Het besluit van 19 september 2019 is ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellante] wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

5.    [appellante] heeft naar aanleiding van het besluit van 19 september 2019 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren heeft tegen dit besluit. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Ridderkerk van 26 maart 2018 gegrond;

II.    vernietigt dat besluit;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de gemeente Ridderkerk van 19 september 2019 ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Ridderkerk tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Ridderkerk aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge honderdzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Wijker-Dekker

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2019

562.