Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
201802449/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:1503, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de staatssecretaris aan [appellant] een vergunning verleend voor de aal- en schubvisserij op het IJsselmeer met staande netten voor de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802449/1/A3.

Datum uitspraak: 13 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2018 in zaak nr. 17/4991 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (thans: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; beiden hierna aangeduid als de staatssecretaris).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de staatssecretaris aan [appellant] een vergunning verleend voor de aal- en schubvisserij op het IJsselmeer met staande netten voor de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018.

Bij besluit van 2 november 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het beroep in zaak nr. 201800604/1/A3 behandeld op 27 november 2018, waar [appellant] en [belanghebbende], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Niekus en ing. M.C.M. Kemna, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1.    De schubvis-visserijmogelijkheden op het IJsselmeer worden jaarlijks bepaald aan de hand van vangstadviezen van Wageningen Marine Research (hierna: WMR), voorheen Imares genoemd. Het rapport "Inspanningsadviezen voor snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem in het IJssel-/Markermeer van WMR van 23 maart 2017 (hierna: WMR-advies) ligt aan het besluit van 2 november 2017 ten grondslag. Hierin staat dat het Ministerie van Economische Zaken wil komen tot wetenschappelijk onderbouwd duurzaam beheer van snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem in het IJsselmeer en Markermeer. In het besluit wordt verder verwezen naar de brief van 15 juni 2017 (kenmerk DGAN-DAD/17084112) aan de Tweede Kamer waarin wordt ingegaan op de continuering van de 85%-reductie gelet op het zogenoemde plan B van Producenten Organisatie IJsselmeer (hierna: PO-IJsselmeer). In deze brief staat dat sinds 2014 is bepaald dat de vissers niet meer dan 15% van de beschikbare netten mogen inzetten. Opvolging van het WMR-advies zou volgens de brief leiden tot een verdere teruggang van het aantal staande netten dat gebruikt mag worden voor schubvis. Volgens de sector zal dit aanzienlijke gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering en resultaten van sommige gespecialiseerde schubvisbedrijven, aldus deze brief. PO-IJsselmeer heeft een alternatief plan, plan B, opgesteld om brasem en blankvoorn te ontzien en daarmee een korting op de vangstmogelijkheden te voorkomen. De staatssecretaris heeft volgens deze brief WMR geraadpleegd en vervolgens aangegeven plan B onder voorwaarden te aanvaarden.

Het besluit van 27 juni 2017

2.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 juni 2017 heeft de staatssecretaris voor de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 vergunning verleend voor de visserij met de vistuigen met de maximale aantallen (merken en visdagen) zoals vermeld in de bijlage behorende bij de vergunning. In deze vergunning is onder meer het voorschrift opgenomen dat het totaal aantal staande netten van type 1 en type 2 niet het maximum aantal toegestane netten zoals vermeld in de bijlage bij de vergunning mag overschrijden. In het besluit staat dat voor het staand net type 1 de 85%-reductie van toepassing is. Daarbij wordt erop gewezen dat een verdere reductie vooralsnog niet nodig is geacht gelet op plan B.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris van het WMR-advies mag uitgaan indien daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. Dit heeft [appellant] volgens de rechtbank niet gedaan. Voorts volgt de rechtbank [appellant] niet in zijn stelling dat hij door de beperking van 85% onevenredig wordt benadeeld. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat geen sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij heeft daartoe overwogen dat met het verlenen van de vergunning geen sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant].

Het hoger beroep van [appellant]

4.    [appellant] voert aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd omdat voor het vierde achtereenvolgende seizoen een reductie van 85% geldt, terwijl deze reductie voor baars en snoekbaars onterecht is. De rechtbank is voorts ten onrechte voorbij gegaan aan zijn standpunt dat een minder ingrijpende maatregel mogelijk is, namelijk het niet gebruiken van ladders in de netten. Hierdoor worden alleen baars en snoekbaars gevangen en niet brasem en blankvoorn.

    Verder voert [appellant] aan dat de staatssecretaris bij zijn besluitvorming over de benodigde reductie ten onrechte niet heeft betrokken wat de oorzaken zijn van de verslechtering van de visbestanden en welke andere maatregelen worden of zijn genomen om verdere verslechtering te voorkomen. De rechtbank heeft miskend dat het besluit onevenredig is omdat hiermee nooit het doel van "herstel van het schubvisbestand" kan worden bereikt indien de belangrijkste oorzaak van de verslechtering van de visbestanden niet wordt aangepakt. In dit verband wijst [appellant] op de achteruitgang van de waterkwaliteit, de grote populatie aalscholvers en de sportvisserij.

    [appellant] voert voorts aan dat niet alle vissers alle vergunde netten inzetten, terwijl daarvan wel wordt uitgegaan in het WMR-advies. Dit betekent dat met een individuele benadering de overgebleven ruimte onder meer aan hem kan worden vergund en een reductie van 85% niet nodig is.

    Daarnaast betoogt [appellant] dat hij door de 85% reductie onevenredig wordt getroffen. In dit verband voert hij aan dat hij zijn bedrijf niet meer kan voortzetten indien hij slechts 15% van de bij hem in bezit zijnde netten mag gebruiken om schubvis te vangen. In de afgelopen jaren is hij voor 96% beperkt in zijn mogelijkheden om vis te vangen zonder dat hier een financiële compensatie tegenover staat. In 2005 en 2006 is hij namelijk niet uitgekocht door de overheid omdat zijn vistuigen duurzame vistuigen betreffen, maar vervolgens is in 2009 door de overheid wel het aalvisseizoen met drie maanden beperkt en kwam daar later de 85% reductie nog bovenop. Verder wijst [appellant] er op dat hij slechts over één vergunning beschikt en daardoor zwaarder wordt getroffen dan vissers die bijvoorbeeld in familieverband over meerdere vergunningen beschikken. Daarnaast wijst [appellant] op de brief van Hein Koning administratie en belastingadvies van 27 oktober 2017 waarin staat dat hij in 2015 en 2016 ruim € 73.842,- minder inkomsten had als gevolg van de reductie. De staatssecretaris had hem compensatie moeten bieden voor de beperking van het aantal netten. Daarbij wijst hij er op dat als hij niet op wolhandkrab kan vissen, hij moet kunnen overschakelen naar schubvis.

    Ten slotte voert [appellant] aan dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geschonden omdat de inmenging in zijn eigendomsrecht, de visvergunning, disproportioneel is gelet op de 85% reductie en de omstandigheid dat hij hiervoor niet wordt gecompenseerd.

Het standpunt van de staatssecretaris

5.    De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het niet gebruiken van ladders niet kan worden aangemerkt als minder ingrijpende maatregel, omdat deze maatregel reeds in plan B is opgenomen en dus al verdisconteerd is in de reductie van 85%.

    Wat betreft het standpunt van [appellant] dat de reductie op individueel niveau had moeten worden bepaald, wijst de staatssecretaris er op dat juist door het hanteren van een generiek systeem het nadeel van de reductie gelijkelijk over alle vissers wordt verdeeld en dat deze methode uitvoerbaar en handhaafbaar is. Bovendien zou de door [appellant] voorgestelde methode leiden tot een hogere frequentie van bevissing, terwijl uit het WMR-advies juist blijkt dat een verdere reductie nodig is.

    Wat betreft de door [appellant] te lijden schade heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat [appellant] voor de visseizoenen 2014/2015 en 2015/2016 is gecompenseerd met een bedrag van € 132.197,08 omdat de reductie die gold voor wolhandkrab hem in het bijzonder trof omdat hij met de staande netten alleen op wolhandkrab en niet op schubvis viste. Vanaf 1 juli 2016 geldt de reductie voor wolhandkrab niet meer. [appellant] kan dus al zijn type 2 netten en daarnaast zijn type 1 netten, waarvoor de reductie van 85% geldt, inzetten om op wolhandkrab te vissen. [appellant] wordt dus niet onevenredig getroffen door de reductiemaatregel. De beslissing van [appellant] om in het seizoen 2016/2017 wel op schubvis te gaan vissen, zou vreemd zijn vanwege de geldende reductie van 85%, maar betekent daarnaast dat [appellant] geen schade lijdt als gevolg van de reductiemaatregel. Er is immers geen sprake van een beperking van zijn mogelijkheden om op schubvis te vissen ten opzichte van voorafgaande jaren. Bovendien was de reductiemaatregel voorzienbaar en valt deze onder het normaal maatschappelijk risico. Daarbij wijst de staatssecretaris er op dat [appellant] met de brief van Hein Koning administratie en belastingadvies op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat hij door de reductiemaatregel minder inkomsten heeft. Ten slotte stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM faalt omdat er geen vergunningen of rechten worden afgenomen.

Het oordeel van de Afdeling

6.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris van het WMR-advies mag uitgaan indien daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellant] dit niet gedaan.

7.    In het WMR-advies wordt geconcludeerd dat brasem en blankvoorn consistent negatieve bestandsontwikkelingen vertonen en dat de signalen voor snoekbaars en baars positiever zijn. Om voor alle vier de soorten te voldoen aan de doelstelling "geen verdere achteruitgang", is het vangstadvies van de soort die er het slechtst voor staat leidend. Geadviseerd wordt om de toegestane inspanning in de zegen- en staandwantvisserij verder te reduceren. Uit het advies blijkt dat brasem en blankvoorn in dit verband bepalend zijn. Maar ook voor baars en snoekbaars wordt, ondanks de positieve vangstadviezen, geadviseerd om de vangsten te beperken tot 96% respectievelijk 92% van de toegestane vangst in het huidige jaar. Dit is het gevolg van de toepassing van de zogenoemde "change cap" en de "voorzorgsbuffer".  De "change cap" houdt in dat het vangstadvies voor het komende jaar niet meer dan 20% hoger of lager is dan de toegestane vangst in het huidige jaar. Op grond van de "voorzorgsbuffer" wordt een vangstadvies met 20% verlaagd, tenzij er duidelijke signalen zijn voor substantiële groei in het bestand of substantiële afname van de visserijdruk.

8.    Het zogenoemde Plan B is opgesteld door PO IJsselmeer in reactie op het WMR-advies. WMR adviseert een verdere reductie van de visserij met staande netten en schubvis. Met plan B wil de sector, vertegenwoordigd door PO IJsselmeer, deze reductie bereiken via zogenoemd adaptief beheer. Gedurende een periode van drie jaar blijft de toegestane visserij-inspanning met staande netten 15%, mits de private maatregelen leiden tot de gewenste verdere reductie van de vangsten van blankvoorn en brasem. Plan B is op 29 maart 2017 door de staatssecretaris en het Bestuurlijk Overleg IJsselmeer akkoord bevonden onder twee voorwaarden: 1. Alle vissers doen mee. 2. Controle en handhaving moet door de sector zelf worden geregeld.

De private maatregelen voor het visseizoen 2017/2018 zijn:

- van 1 juli tot 15 november is het verboden om ladders te gebruiken in netten met een maaswijdte van 101 mm;

[…]

9.    Het betoog van [appellant] dat het besluit van 2 november 2017 ondeugdelijk is omdat de reductie van 85% ten onrechte ook voor baars en snoekbaars geldt, faalt. Uit het WMR-advies volgt immers dat ook voor deze soorten een reductie van 85% nodig is. In dit advies staat immers dat de vangstadviezen voor het seizoen 2017/2018 voor de baars en snoekbaars uitkomen op 96% respectievelijk 92% van de vangsten in het jaar 2016/2017.

10.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn standpunt dat in het besluit van 2 november 2017 kon worden volstaan met de minder ingrijpende maatregel van het niet gebruiken van ladders in de netten, slaagt. Dit betoog leidt gelet op het volgende echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het niet gebruiken van ladders in de netten is immers een maatregel die reeds verdisconteerd is in de reductie van 85%. Deze maatregel is namelijk opgenomen in plan B en wordt derhalve toegepast om, ter voorkoming van de in het WMR-advies opgenomen verdere reductie, de reductie van 85% te handhaven.

11.    De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris bij zijn besluitvorming over de benodigde reductie ten onrechte niet heeft betrokken wat de oorzaken zijn van de verslechtering van de visbestanden en welke maatregelen worden genomen om verdere verslechtering te voorkomen. De staatssecretaris heeft in dit verband terecht gesteld dat bij de beoordeling van de aanvraag van [appellant] het huidige visbestand en de mate van herstel daarvan de uitgangspunten vormen, ongeacht de oorzaken van dit slechte visbestand. Daarnaast heeft de staatssecretaris ter zitting meegedeeld dat ook voor de aalvisserij en sportvisserij beperkingen gelden. In verband met de waterkwaliteit heeft [appellant] een brief van Witteveen en Bos van 25 april 2017 overgelegd, waarin wordt verwezen naar de Europese Kaderrichtlijn Water die sinds 2000 van kracht is. Hierin zijn afspraken gemaakt die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon (chemisch op orde) en gezond (ecologisch in evenwicht) is. Anders dan [appellant] meent, wordt dus niet alleen gestreefd naar schoon water, hetgeen volgens hem slecht is voor het schubvisbestand, maar ook naar gezond water dat ecologisch in evenwicht is.

12.    Verder heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een generieke benadering dient te worden gehanteerd omdat daardoor alle vissers op gelijke wijze worden getroffen door de reductie. In dit kader is van belang dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat deze methode, in tegenstelling tot de individuele benadering die [appellant] voorstelt, uitvoerbaar en handhaafbaar is. Daarbij heeft de staatssecretaris er op gewezen dat in 2013 is beoordeeld of een individuele benadering mogelijk was, maar dat de individuele data onvoldoende betrouwbaar en onvoldoende specifiek waren.

13.    Wat betreft de mate waarin [appellant] wordt getroffen door de 85% reductie overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat hij met name wordt getroffen doordat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris wel op wolhandkrab mag vissen maar zeer beperkt op schubvis en dat dit andersom is wat betreft de vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Het provinciebestuur heeft hem immers wel een vergunning op grond van de Wnb verleend voor het vissen op schubvis maar niet voor het vissen op wolhandkrab. De Afdeling begrijpt dat [appellant] als gevolg hiervan wordt getroffen in zijn mogelijkheden om te vissen. In deze procedure ligt echter alleen het besluit van de staatssecretaris van 2 november 2017 ter beoordeling voor. De procedure over dit besluit bevindt zich in een veel verder gevorderd stadium dan de procedures over de aanvragen op grond van de Wnb. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] immers gesteld dat laatstgenoemde procedures zich thans in de bezwaarfase bevinden. Gelet hierop moet hij zijn betoog dat hij onevenredig wordt getroffen in zijn belangen als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris in combinatie met de besluitvorming van het provinciebestuur, aanvoeren in de procedures over de aanvragen op grond van de Wnb. In het onderstaande zal de Afdeling dan ook alleen ingaan op de gevolgen van het besluit van 2 november 2017.

14.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellant] door het besluit van 2 november 2017 onevenredig in zijn belangen wordt getroffen. Als gevolg van dit besluit mag [appellant] weliswaar slechts 8 van zijn 50 netten inzetten voor het vissen op schubvis, maar al zijn netten voor het vissen op wolhandkrab. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat zijn bedrijf failliet zal gaan als gevolg van dit besluit en dat ook anderszins niet is gebleken van dermate ernstige gevolgen dat [appellant] door de reductiemaatregel van 85% onevenredig wordt getroffen in zijn belangen. In dit verband overweegt de Afdeling dat, zoals de staatssecretaris terecht stelt, [appellant] met de door hem overgelegde brief van Hein Koning administratie en belastingadvies van 27 oktober 2017 op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat hij door de reductiemaatregel minder inkomsten zal hebben. Zoals de staatssecretaris terecht stelt, wordt in deze brief slechts verwezen naar de omzet van de visafslag en een gefactureerd bedrag in 2015 en 2016. De vooronderstelling in deze brief dat deze totale omzet 15% bedraagt van de omzet die had kunnen worden gerealiseerd indien de reductiemaatregel niet gold, is ongemotiveerd. In dit kader is verder van belang dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat de omzet van de schubvisvangst sinds 2014 is gestegen. Bovendien is [appellant] in de periode 2014/2015 en 2015/2016 voor een bedrag van € 132.197,08 gecompenseerd voor de reductie die gold voor wolhandkrab. Bij deze compensatie gold als uitgangspunt dat, zoals [appellant] destijds stelde, hij alleen op wolhandkrab viste en niet op schubvis. In die zin wordt [appellant] in de periode 2017/2018 dus niet beperkt in zijn schubvisvangst ten opzichte van voorgaande jaren. Voorts heeft [appellant] zijn standpunt dat hij in de afgelopen jaren voor 96% is beperkt in zijn mogelijkheden om vis te vangen niet cijfermatig onderbouwd. De Afdeling volgt verder niet het standpunt van [appellant] dat hij zwaarder wordt getroffen dan andere vissers omdat hij slechts over één vergunning beschikt. Daartoe overweegt de Afdeling dat vissers die beschikken over meerdere vergunningen zijn ingesteld op grotere vangsten en hun bedrijfsvoering hierop hebben afgestemd. Met de staatssecretaris is de Afdeling van oordeel dat met toepassing van een reductie van 85% op alle visvergunningen, de vissers op gelijke wijze worden beperkt in hun vismogelijkheden. Verder is van belang dat met de reductie wordt beoogd verdere achteruitgang van het visbestand te voorkomen, hetgeen in het belang is van alle vissers en dus ook van [appellant].

15.    Verder overweegt de Afdeling dat anders dan [appellant] stelt, de beperkingen die de staatssecretaris in voorgaande jaren stelde aan het vissen op wolhandkrab dit jaar niet meer worden gesteld. [appellant] is dus niet genoodzaakt als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris over te schakelen naar schubvisvangst. Reeds hierom faalt zijn betoog dat hem compensatie had moeten worden geboden vanwege de beperkte mogelijkheid om over te schakelen naar schubvisvangst. Voor zover [appellant] tevens heeft verzocht om compensatie vanwege inkomstenderving in het algemeen, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 14, dat hij deze inkomstenderving op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de schade die [appellant] lijdt als gevolg van het besluit van 2 november 2017 uitgaat boven het normale maatschappelijke risico.

16.    Wat betreft het beroep op artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM, overweegt de Afdeling als volgt. Dit artikel luidt: "Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

    De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."

    Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 7 juli 1989, Tre Traktörer Aktiebolag tegen Zweden, nr. 10873/84, punt 53 (www.echr.coe.int) volgt dat de economische belangen die verband houden met het drijven van een onderneming als eigendom in de zin van dit artikel kunnen worden beschouwd. Naar het oordeel van de Afdeling levert de visserij met staande netten, die [appellant] al tientallen jaren uitoefent, dergelijke economische belangen op. Het vanaf 2014 beperken van de mogelijkheden, vormt derhalve een inmenging in het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op het ongestoord genot van dat eigendom. Het gaat daarbij echter niet om ontneming van eigendom maar om regulering van eigendom als bedoeld in de derde volzin van die bepaling. Zoals het EHRM meermalen heeft overwogen, onder meer in de punten 59 en 62 van voormeld arrest van 7 juli 1989, dient een inmenging in het eigendomsrecht proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat er een "fair balance" dient te bestaan tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De last die op de betrokkene wordt gelegd, dient te worden afgewogen tegen het algemene belang en mag niet onevenredig zwaar zijn. Uit het hiervoor onder 7 weergegeven WMR-advies volgt dat de reductiemaatregel noodzakelijk is voor een goed schubvisbestand in het IJsselmeer. De Afdeling is van oordeel dat er een "fair balance" bestaat tussen dit belang gediend met de reductiemaatregel en de nadelige gevolgen hiervan voor [appellant] en dat geen grond bestaat voor het oordeel dat deze maatregel slechts had kunnen worden genomen onder het aanbieden van financiële compensatie aan [appellant]. Hierbij betrekt de Afdeling dat een goed schubvisbestand mede in het belang is van schubvissers onder wie [appellant]. Daarnaast betrekt de Afdeling hierbij hetgeen hiervoor is overwogen onder 13, 14 en 15. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet is geschonden.

17.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Borman

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019

559.