Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4132

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
201906018/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:6254, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/17
JV 2020/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906018/1/V1.

Datum uitspraak: 10 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 juli 2019 in zaak nr. 18/7333 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 28 september 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.T.P. Scheers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Bij besluit van 25 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] verleend (hierna: de verblijfsvergunning). De staatssecretaris heeft deze verblijfsvergunning ingetrokken, omdat de vreemdeling en referent, zonder dit aan de IND te melden, nooit hebben samengewoond. Ten tijde van de aanvraag was referent al gedetineerd in Duitsland. Als dit toen bij de staatssecretaris bekend was geweest, had hij de verblijfsvergunning niet verleend, omdat samenwonen gelet op artikel 3.17 van het Vb 2000 en paragraaf B7/3.1.3 van de Vc 2000 vereist is voor het aannemen van een duurzame relatie.

In hoger beroep is in geschil of het in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) dat de staatssecretaris de intrekking uitsluitend heeft gebaseerd op het verzwijgen van het feit dat de vreemdeling en referent nooit hebben samengewoond. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. Zij heeft overwogen dat uit de Gezinsherenigingsrichtlijn niet kan worden afgeleid dat de staatssecretaris samenwoning niet als criterium mag stellen voor de beoordeling of een naar behoren geattesteerde duurzame relatie voorligt.

3.    Grief 1 is gericht tegen de hiervoor weergegeven overweging van de rechtbank. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Gezinsherenigingsrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat het tijdelijk niet of niet direct gaan samenwonen geen zelfstandige afwijzingsgrond is, maar slechts een van de factoren waarmee hij rekening mag houden bij de beoordeling van de duurzaamheid van de relatie.

4.    In het arrest van het Hof van 13 februari 1985, Diatta, ECLI:EU:C:1985:67, punt 22, heeft het Hof overwogen dat artikel 10 van Verordening nr. 1612/68 niet vereist dat gezinsleden van een migrerend werknemer duurzaam bij hem wonen om een recht van verblijf krachtens deze bepaling te hebben.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS1678), geeft de staatssecretaris een te beperkte uitleg aan het begrip 'deugdelijk bewezen duurzame relatie' als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn (PB 2004 L 158, met rectificatie in PB 2004 L 229), wanneer hij als bewijs van de gestelde duurzame relatie uitsluitend een GBA-inschrijving (nu: BRP) gedurende zes maanden accepteert.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:455), valt uit de definitie van gezinshereniging in artikel 2, aanhef en onder d, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet op te maken dat om voor gezinshereniging in aanmerking te komen daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van samenwoning.

5.    De vreemdeling betoogt terecht dat het verzwijgen van het feit dat zij en referent nooit hebben samengewoond, als zelfstandige intrekkingsgrond voor een verblijfsvergunning, in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Uit die richtlijn valt weliswaar af te leiden dat samenwonen een belangrijke factor is en het uitgangspunt bij gezinshereniging, maar niet dat het een zelfstandig vereiste is om daarvoor in aanmerking te kunnen komen. Zie in dezelfde zin r.o. 5.3 van de onder 4 genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2017. Vergelijk ook - naar analogie - de overige onder 4 vermelde jurisprudentie van het Hof en de Afdeling, waaruit volgt dat samenwonen als zelfstandig vereiste zich niet verdraagt met Verordening nr. 1612/68 en de Verblijfsrichtlijn.

Door te overwegen dat, hoewel samenwonen geen zelfstandig vereiste in de Gezinsherenigingsrichtlijn is, dat niet maakt dat dit vereiste daarmee in strijd is, heeft de rechtbank dit niet onderkend. De omstandigheid dat de vreemdeling en referent hebben verzwegen dat zij nooit hebben samengewoond is mede gelet op artikel 5, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, anders dan waar de rechtbank en de staatssecretaris vanuit zijn gegaan, op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat de staatssecretaris bij wetenschap van die omstandigheid de verblijfsvergunning niet zou hebben verleend.

De grief slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 28 september 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 juli 2019 in zaak nr. 18/7333;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 28 september 2018, V-nummers […] en […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Oei

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2019

670-941.

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Recht van de Europese Unie

Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71)

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder: „gezinshereniging":

[…]

b. toegang tot en verblijf in een lidstaat van de gezinsleden van een wettig in die lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land, teneinde de eenheid van het gezin te behouden, ongeacht of de gezinsband tot stand is gekomen vóór of na de komst van degene die in de lidstaat verblijft;

[…]

Artikel 4

[…]

3. De lidstaten kunnen uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV gestelde voorwaarden is voldaan, bij wet of bij besluit toestemming tot toegang en verblijf verlenen aan de ongehuwde levenspartner die onderdaan van een derde land is en met wie de gezinshereniger een naar behoren geattesteerde duurzame relatie onderhoudt […]

Artikel 5

[…]

2. Bij de behandeling van een verzoek betreffende de partner met wie de gezinshereniger niet is gehuwd, houden de lidstaten, als bewijs van de gezinsband, rekening met factoren als een gezamenlijk kind, samenwoning in het verleden, registratie van het partnerschap of andere betrouwbare bewijsmiddelen.

[…]

Nationale regelgeving

Vb 2000

Artikel 3.17

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Vc 2000

§ B7/3.1.3

De IND neemt aan dat de vreemdeling en de referent samenwonen als bedoeld in artikel 3.17 Vb als zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

•    de referent en de vreemdeling wonen feitelijk samen;

•    de referent en de vreemdeling voeren naar buiten toe hetzelfde adres;

•    en de referent en de vreemdeling zijn ingeschreven op hetzelfde adres in de BRP.