Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:4017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
201709727/7/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak van 20 februari 2019 ECLI:NL:RVS:2019:537, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om op uiterlijk 12 juni 2019 de in de tussenuitspraak omschreven gebreken in het besluit van 16 november 2017 tot vaststelling van het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/1056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709727/7/R3.

Datum uitspraak: 27 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Zuidhorn,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Zuidhorn,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te Groningen, en anderen, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 3])

4.    [appellant sub 4] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerksteradiel,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak van 20 februari 2019 ECLI:NL:RVS:2019:537, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om op uiterlijk 12 juni 2019 de in de tussenuitspraak omschreven gebreken in het besluit van 16 november 2017 tot vaststelling van het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 juni 2019 (hierna: het wijzigingsbesluit) heeft de staatssecretaris het besluit tot wijziging van het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden (2017) vastgesteld.

Bij brief van 12 juni 2019 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven op welke wijze hij uitvoering heeft gegeven aan de in de tussenuitspraak opgenomen opdracht.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2019. Daar zijn verschenen: [appellant sub 4], bijgestaan door mr. J.W.M. Hagelaars, advocaat te Nijmegen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Dane, vergezeld door ing. T.T.M. Roelofs, ir. J.J.M.P. Schinck, R.T. Reitsma MSc en drs. Ing. H.A. Offermans.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden vastgesteld. Dit tracébesluit voorziet in de benodigde maatregelen tussen km 26,05 en km 80,10 om de inzet van extra treinen en langere treinen mogelijk te maken. Tussen Zuidhorn en Hoogkerk wordt het spoor verdubbeld en op alle stations van Leeuwarden tot Groningen (behalve Groningen) worden de perrons verlengd om het halteren van langere treinen mogelijk te maken. Daarnaast worden maatregelen genomen zodat de snelheid op het traject Leeuwarden - Veenwouden en het traject Grijpskerk - Hoogkerk kan worden verhoogd. Tot slot wordt er een aantal overwegen aangepast, waarbij de overweg Paterswoldseweg te Groningen en de overweg Rijksstraatweg te Hurdegaryp worden vervangen door een onderdoorgang voor alle verkeerstypen. Station Leeuwarden Achter de Hoven wordt gesaneerd. De staatssecretaris beoogt met dit pakket aan maatregelen de bruikbaarheid van de spoorweg tussen Leeuwarden en Groningen te verbeteren.

De beroepen tegen het besluit van 16 november 2017

2.    Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het besluit van 16 november 2017 in strijd met de artikelen van 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] tegen dit besluit zijn gegrond. Het besluit van 16 november 2017 dient te worden vernietigd.

Het besluit van 7 juni 2019 en de brief van 12 juni 2019

3.    De Afdeling heeft de staatssecretaris opgedragen om de in de tussenuitspraak onder 57 in samenhang met 37.3, 46.4 en 48.3 de daarin beschreven gebreken in het besluit van 16 november 2017 te herstellen met inachtneming van hetgeen daarover in de tussenuitspraak is overwogen. Om aan de opdracht uit de tussenuitspraak te voldoen heeft de staatssecretaris: 1. bij besluit van 7 juni 2019 het tracébesluit opnieuw, gewijzigd vastgesteld (hierna: wijzigingsbesluit);

2. onderzoek laten uitvoeren naar laagfrequent geluid waarvan de resultaten zijn weergegeven in het rapport "Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, Rapportage aanvullende metingen laagfrequent geluid" van 11 juni 2019, van Royal HaskoningDHV (hierna: RH-rapport);

3. de Notitie "Bevindingen Bedrijfsonderzoek [appellant sub 4]" van 7 juni 2019, opgesteld door JW Kloosterboer advisering (hierna: Kloosterboer-notitie) overgelegd.

4.    De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 7 juni 2019, het RH-rapport en de Kloosterboer-notitie niet geheel tegemoet is gekomen aan de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 16 november 2017.

5.    [appellante sub 3] heeft naar aanleiding van het besluit van 7 juni 2019 geen zienswijze naar voren gebracht. Dit betekent dat [appellante sub 3] geen beroepsgronden over dat besluit heeft aangevoerd. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellante sub 3] tegen het besluit van 7 juni 2019 is daarom ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in hun beroepen tegen het besluit van 16 november 2017 aangevoerd dat het onderzoek naar laagfrequent geluid ondeugdelijk is, omdat specifiek onderzoek naar hun individuele woningen ontbreekt, terwijl de ligging van hun woningen aanleiding had moeten zijn om de woningen individueel in het onderzoek naar laagfrequent geluid te betrekken.

7.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 36.5 ten aanzien van de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie 1] vastgesteld dat in de toelichting bij het tracébesluit staat dat elke woning onder meer door constructie en geometrie een onbekende specifieke invloed heeft op het geluidniveau van laagfrequent geluid in een woning, maar dat de staatssecretaris zich op basis van de afstand tussen de stilstandplaats en de woning van [appellant sub 1] weliswaar op het standpunt stelt dat deze "minder maatgevend" is dan de woning [locatie 2] te Zuidhorn, maar dat de staatssecretaris dit standpunt niet anderszins aan de hand van de onbekende invloed van constructie en geometrie van de woning [locatie 1] en de specifieke afstand tussen de woning [locatie 1] en de stilstandplaats inzichtelijk heeft gemaakt.

    Ten aanzien van de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak vastgesteld dat ook voor deze woning een specifieke beoordeling en meting van de effecten van laagfrequent geluid ontbreken, zodat een nader motivering en onderbouwing van het standpunt en de conclusies van de staatssecretaris ten aanzien van de effecten van laagfrequent geluid voor de woning van [appellant sub 2] nodig zijn.

8.    De Afdeling heeft de staatssecretaris onder 37.3 opgedragen om met inachtneming van de overwegingen 36.5 en 37.2 van de tussenuitspraak alsnog metingen naar laagfrequent geluid uit te voeren ter plaatse van de woningen [locatie 1] en [locatie 3] te Zuidhorn, de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

9.    Om aan de opdracht uit de tussenuitspraak onder 37.3 te voldoen heeft de staatssecretaris het RH-rapport overgelegd.

Zienswijzen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het RH-rapport

10.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen een toename van hinder in en rond hun woningen als gevolg van laagfrequent geluid vanwege meer en langere treinen. Zij brengen in hun zienswijzen naar voren dat het RH-rapport ondeugdelijk is.

11.    De staatssecretaris stelt zich op basis van het RH-rapport op het standpunt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie bij en in de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan de Vercammencurve wordt voldaan en dat geen verhoogde kans op hinder te verwachten valt als gevolg van laagfrequent geluid van stilstaande treinen.

    Uit het RH-rapport komt op basis van metingen naar voren dat de woning [locatie 2] de maatgevende woning blijft voor het laagfrequent geluid rond station Zuidhorn en dat de woningen [locatie 1] en [locatie 3] niet maatgevend zijn. In de huidige situatie wordt in de woning [locatie 2] de Vercammencurve al tot 18,5 dB overschreden als gevolg van laagfrequent geluid van stilstaande treinen en de verwachting is dat dit als gevolg van het tracébesluit met 1,8 dB zal toenemen, aldus de staatssecretaris.

    De staatssecretaris stelt voorts dat in het RH-rapport weliswaar inzichtelijk is gemaakt of objectief sprake is van meetbaar laagfrequent geluid bij doorgaande treinen, maar dat een separate beoordeling niet is vereist omdat bij de berekening van het geluid van doorgaande treinen het laagfrequent geluid van dieselmaterieel feitelijk al is meegenomen in de emissiekentallen van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.

    Gelet op de resultaten van de aanvullende metingen en indicatie, dan wel schatting van de projecteffecten is er geen aanleiding om de conclusies voor laagfrequent geluid voor het rapport "Extra Snelheid Groningen Leeuwarden, rapport laagfrequent geluid" van 12 oktober 2016, aan te vullen of te herformuleren. Er is ook geen aanleiding het tracébesluit op dit punt te wijzigen, aldus de staatssecretaris.

12.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben ter onderbouwing van hun betoog een aantal beroepsgronden naar voren gebracht tegen het RH-rapport. Ze zetten vraagtekens bij een aantal gehanteerde uitgangspunten en uitkomsten van dit rapport.

13.    De Afdeling zal beoordelen of hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de staatssecretaris zich bij de beoordeling van het laagfrequent geluid niet op het RH-rapport heeft mogen baseren. Die conclusie is gerechtvaardigd indien in de stellingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over het RH-rapport aanleiding wordt gevonden om te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van het RH-rapport. Tegen de achtergrond van deze toetsingsmaatstaf overweegt de Afdeling als volgt.

14.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zetten vraagtekens bij de in het RH-rapport gehanteerde afstanden tussen hun woningen en het spoor voor de beoordeling van het laagfrequent geluid. [appellant sub 1] wijst op een brief van Prorail waarin staat dat zijn woning aan de [locatie 1] op een afstand van 25 m van het spoor ligt. Uitgaande van een afstand van 25 m tussen het spoor en zijn woning geldt volgens hem hetzelfde voor zijn woning als voor de woning [locatie 2].

    [appellant sub 2] voert aan dat volgens het RH-rapport de afstand tussen zijn woning aan de [locatie 3] en het spoor in de huidige situatie 24 m bedraagt, maar dat de afstanden voor de toekomstige situatie ontbreken, zodat onduidelijk is welke afstanden daarvoor zijn gehanteerd.

    [appellant sub 1] stelt dat hij in het RH-rapport niets terugleest over de aanwezige bromtoon die wordt veroorzaakt door het gastransport, dat een duidelijke berekening van het laagfrequent geluid bij en in de woning [locatie 1] ontbreekt en dat alle niveaus in dB ongewogen zijn. Het is onduidelijk hoe de berekeningen in het RH-rapport tot stand zijn gekomen, temeer omdat sprake is van een toename van het laagfrequent geluid.

    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de conclusie voor de beoordeling van de hinder als gevolg van laagfrequent geluid in en bij hun woningen in het RH-rapport voor de toekomstige situatie is gebaseerd op verwachtingen, terwijl gemeten had moeten worden. Er dienen voor hun woningen aan de [locatie 1] en de [locatie 3] berekeningen te worden gemaakt voor de toekomstige situatie aan de hand van modellen. Nu de conclusies voor hun woningen zijn gebaseerd op verwachtingen, is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onvoldoende aangetoond dat het tracébesluit niet tot een toename van hinder als gevolg van laagfrequent geluid zal leiden.

14.1.    De staatssecretaris stelt dat in het onderzoek naar de gevolgen van  laagfrequent geluid de maatgevende afstand niet de kortste afstand betreft tussen de woning en het spoor waar doorgaande treinen rijden, maar de afstand tussen de woning en de locatie op het spoor waar treinen stilstaan, de perrons. In het geval van [appellant sub 1] bedraagt die afstand tussen de woning [locatie 1] en de stilstaande treinen in de huidige situatie ongeveer 50 m en in de toekomstige situatie ongeveer 37 m.

    De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] en de stilstaande treinen neemt in de toekomstige situatie af van 580-680 m naar 510-680 m.

    De staatssecretaris stelt dat met [appellant sub 1] is besproken welke locaties binnen de woning maatgevend zijn en dat [appellant sub 1] in dat gesprek een bromtoon door gastransport niet heeft genoemd. De deskundige die het onderzoek heeft uitgevoerd heeft een dergelijke bromtoon niet waargenomen. De staatssecretaris wijst er voor de volledigheid op dat er in de woning [locatie 1] geluidmetingen zijn verricht. In die geluidmetingen is ook het achtergrondgeluid betrokken, waarvan ook - voor zover aanwezig - de bromtoon deel uitmaakt.

    De staatssecretaris stelt dat in het RH-rapport wordt gesproken over een verwachting, omdat er geen wettelijk voorgeschreven rekenmethodes of modellen zijn voor laagfrequent geluid. Het is bovendien technisch niet mogelijk om de toekomstige situatie te meten, omdat het project nog niet is gerealiseerd. De staatssecretaris stelt dat er in de woningen is gemeten om de huidige situatie in beeld te krijgen. De conclusies in het RH-rapport zijn gebaseerd op die metingen, inclusief de effecten van de bouwkundige constructie. Voor het beoordelen van de mate van laagfrequent geluid in de toekomstige situatie is een beschouwing gemaakt op basis van die gegevens, gecombineerd met een berekening van de toekomstige afstandseffecten en een berekening als gevolg van langere treinen met meer motorblokken die in de toekomstige situatie zullen worden ingezet. Bij die beoordeling is gerekend met het huidige materieel, terwijl de verwachting is dat de nieuwere treinstellen minder laagfrequent geluid zullen veroorzaken, aldus de staatssecretaris.

14.2.    In het RH-rapport staat dat om te kunnen beoordelen of sprake is van meetbaar laagfrequent geluid, er metingen zijn uitgevoerd. Om de mate van het laagfrequent karakter vast te stellen is de zogenoemde LF check toegepast. Het criterium daarbij is dB(C)-dB(A)>20. Voor het menselijk oor klinken lage tonen zachter dan hoge tonen. De A-weging is de correctie die overeenkomt met de karakteristieken van het menselijk oor. De C-weging is de correctie die overeenkomt met de karakteristieken van het menselijk oor voor luider geluid; deze wordt ook gehanteerd voor bastonen in de muziek. De C-weging is hierbij een correctie waarbij lage tonen zwaarder worden gewogen dan de A correctie.

    Om de hinder als gevolg van laagfrequent geluid te kunnen beoordelen, is de Vercammencurve toegepast. De Vercammencurve is gebaseerd op 3-10% hinder. Dit houdt in dat van 100 mensen er 3-10 hinder ervaren als ze worden blootgesteld aan een niveau gelijk aan de curve. Het ligt in de lijn der verwachting dat als de curve in zekere mate wordt overschreden er meer dan 3-10% hinder ervaren.

    Uit het RH-rapport komt op basis van de in 2015, 2016 en 2019 uitgevoerde metingen in de woningen [locatie 1] en [locatie 3] naar voren dat het laagfrequent geluid met name wordt veroorzaakt door stilstaande treinen.

    In hoofdstuk 3 van het RH-rapport staat dat er metingen zijn verricht bij zowel de woning [locatie 1] als bij de woning [locatie 3] te Zuidhorn om te kunnen bepalen in welke mate sprake is van laagfrequent geluid. Uit paragraaf 4.2.2 komt naar voren dat voor de woning [locatie 3] is uitgegaan van een worst case-situatie, omdat het geluid van stilstaande treinen is beïnvloed door het achtergrondgeluid. In paragraaf 4.1 van het RH-rapport staat dat in bijlage 2 de mogelijke scenario’s in de toekomstige situatie voor beide woningen zijn weergegeven. In de bijbehorende tabellen zijn de meetgegevens per mogelijk scenario gepresenteerd. Uit die metingen blijkt dat het aandeel laagfrequent geluid het LF criterium dB(C)-dB(A)>20 dB overschrijdt. Daarom is met de Vercammencurve getoetst aan de hinderlijkheid van het aanwezige laagfrequent geluid.

    De conclusie voor de woning [locatie 1] luidt dat in de huidige situatie op 50 tot 160 m afstand van de stilstaande treinen voor het geluid van de stilstaande treinen sprake is van een relevant aandeel laagfrequent geluid. Bij stilstaande treinen wordt in de huidige situatie in de woning [locatie 1] bij 40 Hz met 5-10 dB aan de Vercammencurve voldaan, aldus het RH-rapport.

    De conclusie voor de woning [locatie 3] luidt dat in de woning in de huidige situatie op 580-680 m afstand van de stilstaande treinen geen sprake is van laagfrequent geluid. Bij stilstaande treinen wordt in de woning ruim aan de Vercammencurve voldaan.

14.3.    Vervolgens is in het RH-rapport gekeken naar de toekomstige situatie. Dit betekent dat een beschouwing is gemaakt van de effecten als gevolg van het tracébesluit op het laagfrequent geluid. Als gevolg van het gekozen tracé worden de afstanden tussen de stilstaande treinen en de woningen kleiner en zullen er langere treinen met meer motorblokken worden ingezet. Hierdoor neemt de kans op meer laagfrequent geluid toe, aldus het RH-rapport. Vanuit het perspectief van de woningen kunnen in de projectsituatie maximaal zes motorcompartimenten stationair draaien in plaats van vier. De toename van laagfrequent geluid van 2 stilstaande treinen met drie motorcompartimenten is daarom (10*log(6/4)=1,8 dB).

    In hoofdstuk 5 van het RH-rapport is de gehanteerde werkwijze voor de beoordeling van de toekomstige situatie cijfermatig beschreven.

    In de huidige situatie wordt bij stilstaande treinen in de woning [locatie 1] aan de Vercammencurve voldaan. Door de afstandsafname van 50 naar 37 m tussen stilstaande treinen en de woning valt volgens het RH-rapport een toename te verwachten van 2,6 dB. De toename als gevolg van de langere treinen in de spits met extra motorcompartimenten bedraagt maximaal 1,8 dB. Het afstandseffect als gevolg van het verlengde perron en het effect van de langere treinen kan gelijktijdig plaats vinden voor de woning [locatie 1]. Hiermee is er in totaal een geschatte toename van ongeveer 2,6+1,8=4,4 dB te verwachten voor de woning [locatie 1], waarbij nog steeds aan de Vercammencurve wordt voldaan met minimaal 1-6 dB, aldus het RH-rapport. Bij het bepalen van het laagfrequent geluid is de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai toegepast en niet het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012). Het RMG 2012 is namelijk niet geschikt om het laagfrequent geluid van stilstaande treinen te bepalen, omdat het RMG 2012 uitgaat van rijdend materieel.

    Volgens het RH-rapport wordt in de huidige situatie bij stilstaande treinen in de woning [locatie 3] bij 40 Hz met minimaal 5-10 dB aan de Vercammencurve voldaan. Door de afstandsafname van 580 naar 510 m tussen stilstaande treinen en de woning valt volgens het RH-rapport een toename te verwachten van 1,1 dB. De toename als gevolg van de langere treinen (in de spits) met extra motorcompartimenten bedraagt maximaal 1,8 dB. Op het keerspoor staat in de projectsituatie alleen een pendeltrein GTW 2/8 met een lengte van maximaal 56,9 m. Op het keerspoor staan geen verlengde treinen, zodat het keerspoor niet bepalend is. Dit betekent dat het afstandseffect als gevolg van het verlengde spoor en het effect van langere treinen gelijktijdig plaatsvinden en bepalend zijn voor de woning [locatie 3]. Hiermee is er in totaal een geschatte toename van circa 1,1+1,8=2,9 dB te verwachten voor de woning [locatie 3], waarbij nog steeds aan de Vercammencurve wordt voldaan met minimaal 2-7 dB, aldus het RH-rapport.

14.4.    De Afdeling stelt vast dat er geen wettelijk voorgeschreven rekenmethodes of modellen zijn voor de beoordeling van laagfrequent geluid.

    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben vraagtekens gezet bij de in het RH-rapport gehanteerde afstanden voor het beoordelen van de effecten als gevolg van laagfrequent geluid. Concrete bezwaren hebben zij daartegen niet naar voren gebracht. Gelet op de conclusie in hoofdstuk 5 van het RH-rapport dat op basis van in 2015, 2016 en 2019 uitgevoerde metingen in de woningen naar voren komt dat het laagfrequent geluid met name wordt veroorzaakt door stilstaande treinen, ziet de Afdeling geen aanleiding de staatssecretaris niet te volgen in zijn standpunt dat voor laagfrequent geluid de afstanden tot de stilstaande treinen op het station maatgevend zijn.

    Voor zover [appellant sub 1] stelt dat hij in het RH-rapport niets terugleest over een bromtoon als gevolg van het gastransport, overweegt de Afdeling dat uit het RH-rapport volgt dat er geluidmetingen - inclusief achtergrondgeluid - zijn uitgevoerd in de woning van [appellant sub 1]. Op basis van die metingen - inclusief achtergrondgeluid - is beoordeeld of en in hoeverre sprake is van laagfrequent geluid. De staatssecretaris heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor zover er een waarneembare bromtoon is, deze is betrokken in de metingen in het RH-rapport.

    Voor zover [appellant sub 1] stelt dat de berekeningen onduidelijk zijn, overweegt de Afdeling dat in hoofdstuk 5 van het RH-rapport de uitgangspunten alsmede de wijze van beoordelen van het laagfrequent geluid voor zijn woning zijn beschreven. De afstand tussen zijn woning en stilstaande treinen wordt verkleind van 50 m naar 37 m. Als gevolg daarvan is een toename van 2,6 dB te verwachten. De toename als gevolg van de langere treinen bedraagt maximaal 1,8 dB, waardoor een geschatte toename van ongeveer 4,4 dB valt te verwachten. Hiermee wordt echter nog steeds voldaan aan de Vercammencurve met minimaal 1-6 dB.

    Voor zover [appellant sub 1] stelt dat alle niveaus in dB ongewogen zijn, staat in het RH-rapport dat het LF criterium dB(C)-dB(A)>20 dB is gehanteerd, waarbij zowel een A-weging als een C-weging zijn betrokken. Gelet hierop en gelet op de hiervoor weergegeven passages uit het RH-rapport mist dit betoog in zoverre feitelijke grondslag.

    Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de conclusies ten aanzien van laagfrequent geluid zijn gebaseerd op verwachtingen, terwijl gemeten had moeten worden, volgt uit de hiervoor weergegeven passages uit het RH-rapport dat er metingen zijn uitgevoerd bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om op basis van de huidige mate van laagfrequent geluid, de verkleining van de afstand tussen het spoor en de woningen en de toename van laagfrequent geluid als gevolg van langere treinen te kunnen bepalen wat de toekomstige te verwachten geluidimmissie zal zijn. Het ten behoeve van het tracébesluit vaststellen van de mate van laagfrequent geluid in de toekomstige situatie aan de hand van metingen, is uit de aard der zaak niet mogelijk.     

    Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voor de beoordeling van de toekomstige situatie is uitgegaan van het huidige materieel en dus van een zogenoemd worst case-scenario, waarbij nog geen rekening is gehouden met het verwachte potentieel van stillere treinen.

    De betogen falen.           

15.    [appellant sub 1] stelt dat uit het RH-rapport volgt dat in de toekomstige situatie in zijn woning het laagfrequent geluid toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Als deze toename wordt opgeteld bij de geluidhinder als gevolg van treinen in de huidige en de toekomstige situatie dan komt dit uit boven de geldende voorkeurswaarde van 55 dB.

15.1.    De staatssecretaris stelt dat laagfrequent geluid en de geluidbelasting die wordt berekend overeenkomstig het RMG 2012 niet gecumuleerd kunnen worden, omdat het twee verschillende grootheden betreft. De meting voor laagfrequent geluid betreft een individuele trein en de berekening voor de geluidbelasting betreft een jaargemiddelde met vele passages van treinen in een andere grootheid in Lden. Daarnaast wordt de geluidbelasting berekend op de gevel van een woning en is de meting voor laagfrequent geluid in de woning van [appellant sub 1] uitgevoerd. Het betreft dus bovendien verschillende meet- en rekenpunten, aldus de staatssecretaris.

15.2.    In de uitspraak van 20 februari 2019 heeft de Afdeling in 31.5 overwogen dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] in de toekomstige situatie door het treffen van maatregelen zal afnemen van 53,6 dB tot 52,93 dB en dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] kan worden voldaan aan de geldende voorkeurswaarde van 55 dB. Dit betreft de geluidhinder op de gevel van de woning als gevolg van passerende, rijdende treinen. Deze geluidhinder is berekend met toepassing van het RMG 2012.

    Uit de hiervoor weergegeven passages uit het RH-rapport komt naar voren dat de beoordeling voor het toekomstige laagfrequent geluid is gebaseerd op metingen in de woningen, met toepassing van de zogenoemde LF check dB(C)-dB(A)>20 en aan de hand van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, omdat het niet mogelijk is om het laagfrequent geluid te bepalen met toepassing van het RMG 2012.

    Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding de staatssecretaris niet te volgen in zijn standpunt dat het om twee verschillende grootheden gaat, zodat de verwachte toename van laagfrequent geluid niet kan worden gecumuleerd met de geluidbelasting die is berekend met toepassing van het RMG 2012.

    Het betoog faalt.

- constructie en geometrie van de woningen

16.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat in het RH-rapport opnieuw onvoldoende is aangetoond wat de invloed is van de constructie en geometrie van hun woningen op het geluidniveau van laagfrequent geluid op en in hun woningen.

16.1.    Volgens het RH-rapport hebben de aanvullende metingen het onbekend effect van de bouwkundige constructies van de woning [locatie 1] en [locatie 3] in beeld gebracht. In bijlage 1 zijn de bouwkundige tekeningen van de woningen [locatie 1] en [locatie 3] weergegeven.

    In paragraaf 4.3.1 van het RH-rapport staat dat de meetwaardes dB(C)-dB(A) in de woning [locatie 1] in de huidige situatie bij stilstaande treinen 19-23 dB bedragen, terwijl de meetwaardes buiten de woning 17-18 dB bedragen. Dit betekent volgens het RH-rapport dat de mate van laagfrequent geluid in de woning door de bouwkundige eigenschappen toeneemt en het criterium voor laagfrequent geluid dB(C)-dB(A)>20 dB tot 3 dB wordt overschreden. Daarom is onderzocht of dit aandeel laagfrequent geluid leidt tot hinder door toetsing aan de Vercammencurve, aldus het RH-rapport.

    In paragraaf 4.3.2 van het RH-rapport staat dat de meetwaardes dB(C)-dB(A) in de woning [locatie 3] in de huidige situatie bij stilstaande treinen 21-24 dB bedragen, terwijl de meetwaarde buiten de woning 17 dB bedraagt. Dit betekent volgens het RH-rapport dat de mate van laagfrequnt geluid in de woning door de bouwkundige eigenschappen toeneemt en het criterium voor laagfrequent geluid dB(C)-dB(A)>20 dB tot 4 dB wordt overschreden. Daarom is onderzocht of dit aandeel laagfrequent geluid leidt tot hinder door toetsing aan de Vercammencurve. Bij stilstaande treinen (40 Hz) wordt in beide woningen aan de Vercammencurve voldaan, aldus het RH-rapport.

16.2.    Uit de hiervoor weergegeven passages uit het RH-rapport volgt dat de bouwkundige eigenschappen van de woningen zijn betrokken bij het bepalen van de mate van hinder van laagfrequent geluid. Uit die passages komt naar voren dat de mate van laagfrequent geluid in de woningen door de bouwkundige eigenschappen toeneemt. De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris door metingen uit te voeren in en buiten de woning van appellanten en daaraan de conclusie te verbinden dat de mate van laagfrequent geluid door de bouwkundige eigenschappen toeneemt, de facto rekening heeft gehouden met de invloed van de constructie en geometrie van de woningen. Nu niet is gebleken dat de uitkomsten van de metingen onjuist zijn, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de invloed van de constructie en geometrie van de woningen niet, dan wel op onjuiste wijze is betrokken bij de de beoordeling van het laagfrequent geluid in de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

    Het betoog faalt.

- gevelisolatie

17.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zetten vraagtekens bij het in het RH-rapport gehanteerde cijfer voor gevelisolatie, omdat het een oude woning betreft. Ook dit is volgens hen gebaseerd op aannames en niet op onderzoek.

17.1.    Zoals hiervoor in 15.1 en 15.2 is weergegeven, is het bepalen en beoordelen van de mate van laagfrequent geluid in en buiten de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gebaseerd op metingen, zodat op die manier rekening is gehouden met de invloed van de constructie en geometrie van de woningen, alsook de mate van gevelisolatie. Het toepassen van een door appellanten bedoelde correctie aan de hand van een cijfer voor gevelisolatie is niet aan de orde. Dit betoog mist feitelijke grondslag.

- doorgaande/rijdende treinen

18.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de effecten op het laagfrequent geluid als gevolg van langere rijdende treinen met zes zware motoren onvoldoende is beoordeeld. Volgens hen wordt nog steeds niet aangetoond dat bij doorgaande treinen over het algemeen geen sprake is van laagfrequent geluid, omdat dit niet is onderzocht in het RH-rapport.

18.1.    De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat in het RH-rapport ook ten aanzien van doorgaande treinen metingen zijn verricht. Uit die metingen blijkt dat het geluid van optrekkende en doorgaande treinen zich kortstondig voordoet waardoor het geluid niet als quasi stationair laagfrequent geluid in de zin van de Vercammencurve kan worden beoordeeld. Dit hogere ‘laagfrequente’ geluid wordt ondervangen door de berekeningen die zijn uitgevoerd in het kader van het onderzoek naar de geluidbelasting. In de standaardbehandeling van geluid van spoorwegen wordt al rekening gehouden met deze laagfrequente geluidbijdrage van het motorgeluid van dieseltreinen, met dien verstande dat deze wordt meegenomen in het equivalente geluidniveau per etmaalperiode.

18.2.    In het RH-rapport wordt geconcludeerd dat het geluid van vertrekkende en doorgaande treinen duidelijk kortdurend waarneembaar is en op basis van subjectieve waarneming een laagfrequent karakter heeft, maar dat vanwege de korte duur van de passage het laagfrequent geluid nauwelijks onderscheidend is van het hogere frequente geluid.

    In paragraaf 4.3.1 van het RH-rapportstaat dat bij optrekkende en doorgaande treinen de geluidemissie van hoog frequenter geluid rond de 80-100 Hz bedraagt. Op basis van de metingen in 2015 en 2016 is bij doorgaande treinen over het algemeen geen sprake van laagfrequent geluid in de zin van de Lf check dB(C)-dB(A)>20; een enkele meting geeft een lichte overschrijding, aldus het RH-rapport. De metingen in 2019 geven een vergelijkbaar beeld.

    Uit de metingen blijkt dat het geluid van optrekkende en doorgaande treinen zich telkens enkele seconden voordoet en niet als quasi stationair laagfrequent geluid in de zin van de Vercammencurve kan worden beoordeeld. In het rapport "Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, Akoestisch onderzoek railverkeerslawaai" deel 1 en deel 2, van 2 oktober 2017 (hierna: Geluidrapport- railverkeerslawaai) is rekening gehouden met de laagfrequente geluidbijdrage van het motorgeluid van de optrekkende en doorgaande dieseltreinen aan de hand van het RMG 2012, aldus het RH-rapport.

18.3.    Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat niet is aangetoond, noch is onderzocht dat bij optrekkende en doorgaande treinen over het algemeen geen sprake is van laagfrequent geluid, komt uit de hiervoor weergegeven passages uit het RH-rapport naar voren dat er metingen zijn uitgevoerd bij optrekkende en doorgaande treinen, maar dat daarbij over het algemeen geen sprake is van laagfrequent geluid, omdat wanneer de LF check wordt toegepast de uitkomst daarvan doorgaans onder de 20 blijft en niet kan worden aangemerkt als laagfrequent geluid. Voorts komt uit het RH-rapport naar voren dat het geluid zich enkele seconden voordoet, waardoor het niet is te onderscheiden van hoogfrequent geluid. De laagfrequente geluidbijdrage van het motorgeluid van optrekkende en doorgaande treinen is betrokken in de berekeningen in het Geluidrapport-railverkeerslawaai. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de effecten van optrekkende en rijdende treinen op het laagfrequent geluid onvoldoende is beoordeeld.

    De betogen falen.

19.    [appellant sub 1] stelt dat vooral bij vertrekkende treinen zijn ramen trillen. Hij vraagt zich af of dit wordt veroorzaakt door laagfrequent geluid dat door de lucht wordt verplaatst. Is het dan mogelijk dat niet het spoor maar het door de lucht verspreide laagfrequent geluid schade veroorzaakt aan zijn woning, zo vraagt hij zich af.

19.1.    De staatssecretaris stelt dat schade aan gebouwen als gevolg van laagfrequent geluid niet kan optreden. Laagfrequent geluid kan wel zogenoemde "rattle" veroorzaken. "Rattle" is volgens de deskundige die ter plaatse van de woningen de metingen heeft verricht het hoorbaar trillen van voorwerpen in een woning door laagfrequent geluid. Ook ramen in sponningen kunnen hoorbaar trillen. Dit geluid komt niet door de gevel, maar ontstaat bij de gevel. Deze "rattle" is bij het onderzoek echter niet waargenomen. Laagfrequent geluid kan echter geen trillingen veroorzaken.

19.2.    [appellant sub 1] keert zich met deze beroepsgrond tegen de overwegingen over trillinghinder en mogelijke schade als gevolg daarvan aan zijn woning. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat geen schade aan de woning van [appellant sub 1] te verwachten valt als gevolg van trillinghinder. De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. [appellant sub 1] stelt dat hij trilling van zijn ramen waarneemt bij vertrekkende treinen en plaatst dit nu in het kader van laagfrequent geluid, maar concretiseert dit niet. Een zeer uitzonderlijk geval om terug te komen op een in de tussenuitspraak gegeven oordeel is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over trilling moet worden uitgegaan.

19.3.    Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van het RH-rapport. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet mocht baseren op de in het RH-rapport weergegeven informatie over de effecten van het laagfrequent geluid in en bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. De staatssecretaris heeft zich op basis van het RH-rapport in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tracébesluit niet tot onaanvaardbare hinder van laagfrequent geluid zal leiden.

    De betogen falen.

Het beroep van [appellant sub 4]

Tussenuitspraak

20.    [appellant sub 4] heeft in beroep aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de aanwijzing van agrarische gronden als compensatiegebied voor groen voorzover die aanwijzing ziet op gronden die hij in gebruik heeft en die hij eerder in eigendom had. Hij heeft betoogd dat hij in het kader van de uitvoering van het provinciaal inpassingsplan "De Centrale As" met de provincie afspraken heeft gemaakt over deze gronden. Dit betrof onder meer de afspraak tot het terugleveren van de desbetreffende gronden indien deze niet nodig waren voor de uitvoering van het inpassingsplan "De Centrale As". Nu de desbetreffende gronden ook niet nodig zijn voor de uitvoering van het tracébesluit, moeten deze aan [appellant sub 4] worden teruggeleverd overeenkomstig voornoemde afspraak met de provincie Fryslân. De staatssecretaris heeft dit belang en het belang van voortzetting van zijn bedrijfsvoering niet onderkend en onvoldoende betrokken bij de vaststelling van het besluit van 16 november 2017.

    [appellant sub 4] heeft voorts in beroep aangevoerd dat het besluit van 16 november 2017 in meer groencompensatie voorziet dan nodig is en dat niet is gemotiveerd waarom van volledige compensatie dient te worden uitgegaan.

21.    De Afdeling heeft onder 48.2 van de tussenuitspraak vastgesteld dat ten tijde van de vaststelling van het besluit van 16 november 2017 de provincie Fryslân eigenaar was van een deel van de in het bestreden besluit aangewezen gronden en dat niet in geschil is dat [appellant sub 4] de desbetreffende gronden in gebruik heeft voor de exploitatie van zijn melkveebedrijf. De Afdeling heeft overwogen dat het aanwijzen van deze gronden als compensatiegronden gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 4]. De Afdeling heeft overwogen dat de zorgvuldige voorbereiding van een tracébesluit met zich meebrengt dat de staatssecretaris een beeld dient te hebben van de nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering, dan wel van eventuele schade voor [appellant sub 4] ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit. De staatssecretaris heeft echter nagelaten om te onderzoeken wat de nadelige gevolgen voor [appellant sub 4] zijn en heeft die nadelige gevolgen ook niet bij de besluitvorming betrokken. Evenmin heeft de staatssecretaris onderzocht of en zo ja hoe, eventuele nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 4] kunnen worden ondervangen.

    De Afdeling heeft de staatssecretaris onder 48.3 opgedragen om met inachtneming van overweging 48.2 van de tussenuitspraak alsnog onderzoek te doen naar de gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 4].

22.    De Afdeling heeft onder 48.4 van de tussenuitspraak voorts overwogen dat gelet op de samenhang met het geconstateerde gebrek de door [appellant sub 4] aangevoerde beroepsgrond over de mate van groencompensatie op de desbetreffende gronden pas in de einduitspraak zal worden besproken.

22.1.    Om aan de opdracht uit de tussenuitspraak onder 48.3 te voldoen heeft de staatssecretaris de Kloosterboer-notitie overgelegd

Groencompensatie

23.    [appellant sub 4] stelt dat het tracébesluit in meer groencompensatie voorziet dan nodig is en dat niet is gemotiveerd waarom van volledige compensatie dient te worden uitgegaan. Het tracébesluit voorziet in een groencompensatie van 30.000 m², terwijl volgens het rapport "Bomen en houtopstanden" van 12 oktober 2016 (hierna: Bomen en houtopstandenrapport) waarop het tracébesluit is gebaseerd een compensatie van 10.895 m² nodig is. De compensatie is volgens [appellant sub 4] drie keer zo groot als nodig is.

    [appellant sub 4] stelt dat het rapport "Bomen en houtopstanden" van 12 oktober 2016 ten onrechte uitgaat van volledige compensatie van de houtopstanden die onder het bereik van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) vallen en bomen waarvoor een kapvergunning is vereist.

    [appellant sub 4] betoogt dat het college van gedeputeerde staten ontheffing kan verlenen van de verplichting tot (volledige) compensatie. In dit geval valt niet in te zien waarom die ontheffing niet kan worden verleend, temeer nu het tracébesluit voor zover het de te realiseren onderdoorgang betreft feitelijk een aanpassing is van het provinciaal inpassingsplan "De Centrale As" en in dat plan was voorzien in meer compensatie dan nodig is. Volgens [appellant sub 4] valt dan ook niet in te zien waarom de volgens het inpassingsplan "De Centrale As" te realiseren ‘overcompensatie" niet kan worden ingezet voor de noodzakelijke compensatie voor het tracébesluit en op die manier niet zou kunnen worden aangesloten bij de compensatielocaties die ten behoeve van het project De Centrale As worden gerealiseerd.

    In Tytsjerksteradiel geldt geen volledige compensatie-eis. De kapvergunningplichtige houtopstanden waarvoor de Wnb niet geldt, hoeven volgens [appellant sub 4] dus niet te worden gecompenseerd. Dit betreft een oppervlakte van 1.250 m², aldus [appellant sub 4].

    [appellant sub 4] voert aan dat de staatssecretaris in de brief van 12 juni 2019 ten onrechte niet ingaat op het aspect overcompensatie van groen en dit aspect ook niet betrekt bij de belangenafweging.

24.    De staatssecretaris stelt dat de weergave van de compensatieopgave door [appellant sub 4] onjuist is. Op p. 22 van het Bomen en houtopstandenrapport is aangegeven dat in Tytsjerksteradiel 10.399 m² aan compensatie voor houtopstanden is beoogd en daarnaast nog 57 bomen. In afstemming met de gemeente is ervoor gekozen deze compensatie op gronden die in eigendom zijn van de provincie te laten plaatsvinden. Daarvoor is 30.000 m² beschikbaar. Het is de bedoeling om op de beschikbare gronden een parkachtige omgeving te creëren.

    De staatssecretaris heeft toegelicht dat het beleid erop is gericht om 100% te compenseren. Daarom staat het project een volledige groencompensatie voor. De staatssecretaris ziet het ontbreken van een eis tot volledige compensatie vanuit een gemeente, of een ontheffingsmogelijkheid bij een provincie, niet als aanleiding om minder dan 100% van het gevelde groen te compenseren.

    In paragraaf 5.2.10 van de toelichting bij het tracébesluit is aangegeven dat het gebied aan de oostkant tussen rondweg Hurdegaryp en het spoor wordt gebruikt als locatie voor bomencompensatie. Dit betreft de locatie tussen het spoor en De Centrale As. Vanuit de groencompensatie-opgave ligt het voor de hand om dit in de nabijheid van het project te realiseren en leent een strook grond tussen spoor en provinciale weg zich daar bij uitstek voor. Met deze locatiekeuze voor het groen wordt bereikt dat de entree van Hurdegaryp deels een groen aanzien houdt, aldus de staatssecretaris.

24.1.    Artikel 13 van het tracébesluit luidt:

"1. Ten behoeve van de spooraanpassing worden 204 stuks bomen en 23.614 m² houtopstand gekapt. De kap van deze bomen en houtopstanden wordt gecompenseerd. Compensatie vindt plaats op locaties binnen en buiten de grenzen van het tracébesluit.

2. De compensatielocaties gelegen binnen de begrenzing van het tracébesluit zijn op de detailkaarten weergegeven met de aanduiding ‘Compensatieruimte voor groen’."

24.2.    In het Bomen en houtopstandenrapport staat dat in de provincie Fryslân ruimte nodig is voor de compensatie van 87 bomen en 10.895 m² houtopstand. Voor de Friese gemeenten zijn twee compensatielocaties benoemd en opgenomen: een in de gemeente Tytsjerksteradiel en een in de gemeente Achtkarspelen. Volgens het Bomen en houtopstandenrapport is tussen het spoor en de nieuwe rondweg van Hurderaryp tussen het spoor en de nieuwe rondweg van Hurdegaryp 30.000 m² beschikbaar.

    In tabel 23 van de toelichting bij het tracébesluit zijn de te kappen bomen en houtopstanden en benodigde compensatie weergegeven. Voor Tytsjerksteradiel bedraagt dit 57 bomen en 10.399 m² houtopstand.

    Dit betekent dat er 30.000 m² beschikbaar is voor het compenseren van 10.399 m² houtopstand. Hoe en waar de compensatie binnen de genoemde locatie exact zal plaatsvinden, wordt in een later stadium bepaald, aldus de toelichting bij het tracébesluit

24.3.    In het Bomen en houtopstanden-rapport staat dat binnen de gemeente Tytjerksteradiel een bebouwde kom grens is vastgesteld. Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) heeft geen betrekking op houtopstanden die binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom vallen en is daarmee uitsluitend bedoeld voor gebieden die zijn gesitueerd buiten de bebouwde kom.

    Uit tabel 2.1 op p. 14 van het Bomen en houtopstanden-rapport komt naar voren dat zich in Hurdegaryp bomen en houtopstanden bevinden die buiten de bebouwde kom zijn gesitueerd. Dit betekent dat hoofdstuk 4 van de Wnb daarop van toepassing is.

    Er is in het gemeentelijk beleid van Tytsjerksteradiel geen specifieke informatie opgenomen over de mate van compensatie. Vooralsnog wordt uitgegaan van 100% compensatie, aldus het Bomen en houtopstandenrapport.

24.4.    Artikel 4.1 van de Wnb luidt:

"Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf, met uitzondering van artikel 4.6, heeft geen betrekking op:

a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;

[..]"

    Artikel 4.2 luidt:

"1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten.

[..]"

    Artikel 4.3 luidt:

"1. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.

[..]"

    Artikel 4.5 luidt:

"1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

[..]

3. Onverminderd het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten van artikel 4.2, eerste lid, of artikel 4.3, eerste, tweede of vijfde lid, ontheffing verlenen."

24.5.    Uit het voorgaande komt naar voren dat zich in Hurdegaryp bomen en houtopstanden bevinden die onder hoofdstuk 4 van de Wnb vallen en waarvoor compensatie op dezelfde gronden moet plaatsvinden.

    Het college van gedeputeerde staten kan weliswaar ontheffing verlenen ten behoeve van herplant op andere gronden, maar gelet op de omstandigheid dat de desbetreffende gronden in eigendom zijn van de provincie Fryslân, heeft de staatssecretaris geen aanleiding hoeven zien om te bezien of ontheffing op grond van de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend.

    De staatssecretaris hanteert beleid dat erop is gericht om 100% van de bomen en houtopstanden die worden gekapt, te compenseren. De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten.

    De staatssecretaris heeft voor die groencompensatie gronden aangewezen die in eigendom zijn van de provincie Fryslân. De Afdeling ziet in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris gehouden was daarvoor andere gronden aan te wijzen.

        Het betoog faalt.

Zienswijze [appellant sub 4] over de Kloosterboer-notitie

25.    [appellant sub 4] stelt dat de staatssecretaris zich op basis van de Kloosterboer-notitie ten onrechte op het standpunt stelt dat het verlies van grond niet of nauwelijks invloed zal hebben op zijn bedrijfsvoering, omdat de in de Kloosterboer-notitie gehanteerde uitgangspunten onjuist, dan wel onvolledig zijn. De Kloosterboer-notitie gaat weliswaar uit van een volledige schadeloosstelling van de desbetreffende gronden, maar in de overeenkomst met de provincie zijn ook afspraken gemaakt over voortgezet gebruik en het recht van terugkoop van de gronden wanneer deze niet nodig zijn voor het realiseren van het provinciale inpassingsplan "De Centrale as". Hij stelt dat hij zonder deze afspraken een hogere vergoeding had kunnen verlangen.

    [appellant sub 4] voert aan dat hij hoe dan ook schade zal lijden, omdat hij de desbetreffende gronden nog in gebruik heeft voor zijn bedrijfsvoering en elke hectare voor hem van belang is, temeer omdat hij voor een groot deel van zijn gronden gebruik maakt van een pachtvorm - van jaar tot jaar - die hem elk jaar onzekerheid geeft en hij bovendien elke hectare grond nodig heeft om aan de derogatie-eis te kunnen voldoen. Hoe meer grond [appellant sub 4] verliest, hoe lastiger het wordt om daaraan te voldoen. Voorts is in de in de Kloosterboer-notitie geen rekening gehouden met de betalingsrechten (voorheen: toeslagrechten) waarop melkveehouders op grond van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie aanspraak hebben, aldus [appellant sub 4]. Deze zijn gebaseerd op een bedrag per hectare landbouwgrond. Ieder verlies van landbouwgrond heeft ook in zoverre rechtstreeks invloed op het inkomen van een landbouwer.

25.1.    De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de provincie Fryslân eigenaar is van de desbetreffende gronden. De staatssecretaris stelt dat de door [appellant sub 4] bedoelde afspraak over teruglevering van de gronden hem niet bekend is. Deze afspraak is ook niet bekend bij de provincie Fryslân. In de door [appellant sub 4] bedoelde overeenkomst is een recht van eerste koop opgenomen, maar geen recht op teruglevering wanneer de gronden niet nodig zijn voor de realisatie van het provinciaal inpassingsplan "De Centrale As".

    Om een beter beeld te krijgen van de omvang van de benodigde gronden voor groencompensatie die [appellant sub 4] gebruikt voor zijn bedrijfsvoering, heeft de staatssecretaris een berekening laten uitvoeren door ProRail. Uit de berekening volgt dat van de totale omvang van de percelen H1533 en H520 (2 ha 65 a 45 ca) ongeveer 98 a en 21 ca benodigd is voor groencompensatie. Voor het overige is een deel van de percelen gebruikt voor de aanleg van de Centrale As, terwijl het deel ten noorden van de Centrale As niet nodig is voor het tracébesluit.

    [appellant sub 4] heeft weliswaar ook het zuidelijk gedeelte van het aangrenzende (oostelijk gelegen) kadastrale perceel met de kadastrale aanduiding H1532 in gebruik voor zijn bedrijfsvoering, maar dit perceel was niet eerder in eigendom van [appellant sub 4]. Dit perceel is echter wel betrokken bij het advies in de Kloosterboer-notitie, waardoor is uitgegaan van 1 ha en 64 ca dat benodigd is voor groencompensatie, aldus de staatssecretaris.

    De staatssecretaris stelt zich op basis van de Kloosterboer-notitie op het standpunt dat het verlies van het gebruik van 1 ha en 64 ca aan gronden zo beperkt is, dat dit niet of nauwelijks invloed zal hebben op de bedrijfsvoering van [appellant sub 4]. De staatssecretaris merkt op dat dit onverlet laat dat de provincie nog in gesprek is met [appellant sub 4] om daar waar mogelijk de wens naar vervangende grond te proberen in te passen in lopende gebiedsprocessen en kavelruilen.

    Voor zover [appellant sub 4] meent schade te lijden als gevolg van het tracébesluit, wijst de staatssecretaris op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om nadeelcompensatie.     

25.2.    Uit de Kloosterboer-notitie volgt dat er bureauonderzoek is verricht, en dat op 19 april 2019 een bedrijfsbezoek heeft plaatsgevonden.  [appellant sub 4] is daarnaast in de gelegenheid gesteld om bedrijfsinformatie te overhandigen, waaruit kan worden afgeleid of het buiten de exploitatie nemen van de percelen impact zal hebben op de bedrijfsvoering.

    Uit de brief van 12 juni 2019 komt naar voren dat het deel van de gronden waarop de door [appellant sub 4] bedoelde afspraken zien en nu benodigd zijn voor compensatie een omvang heeft van ongeveer 98 a en 21 ca.

25.3.    Bij de beoordeling van de vraag of de staatssecretaris het tracébesluit in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, dient onder meer te worden betrokken of de staatssecretaris heeft onderzocht welke schade kan optreden en of deze zodanig is dat het voorkomen daarvan zwaarder moet wegen dan het belang dat is gediend bij het tracébesluit.

25.4.    Niet is geschil is dat 98 a en 21 ca van de compensatiegronden in het verleden eigendom was van [appellant sub 4].

    Voor zover [appellant sub 4] stelt dat hij voor de 98 a en 21 ca aan gronden met de provincie Fryslân de afspraak heeft gemaakt dat de desbetreffende gronden worden teruggeleverd indien deze niet nodig zijn voor de uitvoering van het "Inpassingsplan "De Centrale As", overweegt de Afdeling dat de door [appellant sub 4] bedoelde overeenkomst een overeenkomst betreft tussen [appellant sub 4] en de provincie Fryslân en dat de staatssecretaris daarbij geen partij was.     

25.5.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 20 februari 2019 overwogen dat niet in geschil is dat de provincie Fryslân nu eigenaar is van de in geding zijnde gronden en dat de staatssecretaris dit feit op zich terecht heeft vastgesteld. [appellant sub 4] heeft deze gronden "om niet" in gebruik.

25.6.    De opdracht in de tussenuitspraak strekt ertoe dat de staatssecretaris een beeld dient te hebben van de nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering, dan wel van eventuele schade voor [appellant sub 4] als gevolg van het tracébesluit. Dit betekent dat ter beoordeling voor ligt of de staatssecretaris de gevolgen voor [appellant sub 4] van het verlies van 1 ha en 64 ca aan gronden die hij in gebruik heeft, inzichtelijk heeft gemaakt

25.7.    In de Kloosterboer-notitie is een overzicht gemaakt van de gronden die [appellant sub 4] in 2014 in gebruik had - dus voor het moment van levering van de gronden aan de provincie en in 2018, na overdracht van de gronden.

    In 2014 had [appellant sub 4] 73,22 ha in gebruik. Dit was onderverdeeld in 44,69 ha volledige eigendom, 25,75 ha reguliere pacht, 0,74 ha geliberaliseerde pacht, 6 jaar of korter en 2,04 ha overige exploitatievormen.

    In 2018 had [appellant sub 4] 95,01 ha in gebruik. Dit was onderverdeeld in 33,58 ha volledige eigendom, 24,18 ha reguliere pacht, 32,0  ha 1-jarige pacht en 5,18 ha overige exploitatievormen.     

    Om [appellant sub 4] tegemoet te komen in het verlies van de gronden die per 8 januari 2015 ten behoeve van de Centrale As zijn geleverd, heeft [appellant sub 4] vanaf 2015 ongeveer 9 ha in Garyp en ongeveer 4 ha in Noordburgum in geliberaliseerde pacht van de provincie gekregen. Deze contracten lopen van jaar tot jaar en het gebruik is gebaseerd op een bruikleenovereenkomst "om niet", aldus de Kloosterboer-notitie.

25.8.    Voor zover [appellant sub 4] stelt dat elke hectare van belang is, vanwege een pachtvorm van jaar tot jaar, komt uit de hiervoor weergegeven passages uit de Kloosterboer-notitie naar voren dat is onderkend dat [appellant sub 4] 32,07 ha van jaar tot jaar pacht, zodat met dit aspect rekening is gehouden in de Kloosterboer-notitie.

    Voor zover [appellant sub 4] stelt dat hij elke hectare nodig heeft om aan de derogatie-eis te kunnen voldoen, zijn in de Kloosterboer-notitie  berekeningen gemaakt om de impact op de grondgebondenheid, de derogatie en de toeslag op de weidegang te beoordelen. Ten aanzien van de grondgebondenheid luidt de conclusie dat het gebruiksoppervlak met 30% is toegenomen en dat de veebezetting in diezelfde periode met ongeveer 15% is gegroeid. Verlies van 1,64 ha heeft dan nauwelijks tot geen invloed op de grondgebondenheid en ten aanzien van de derogatie kan nog steeds worden voldaan aan het zogenoemde 80% criterium, aldus de Kloosterboer-notitie. Het is volgens de Kloosterboer-notitie voorts aannemelijk dat het niet meer kunnen gebruiken van de percelen geen invloed zal hebben op de mogelijke verkrijging van een weidegangtoeslag.

25.9.    Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris onderzoek heeft laten uitvoeren naar de mogelijke gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 4] als gevolg van het niet meer kunnen gebruiken van 1 ha en 64 ca aan gronden en dat die gevolgen nu inzichtelijk zijn gemaakt.

    De conclusie van dat onderzoek luidt dat een verlies van een beperkt deel van de gronden ten opzichte van de 95,01 ha die [appellant sub 4] in gebruik heeft nauwelijks invloed zal hebben op de bedrijfsvoering. Met de niet nader geconcretiseerde en niet cijfermatig onderbouwde stellingen die [appellant sub 4] naar voren heeft gebracht tegen de Kloosterboer-notitie heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsvoering dusdanig in gevaar zal komen dat hij zijn bedrijf zal moeten staken. In dit verband acht de Afdeling van belang dat met [appellant sub 4] wordt overlegd over vervangende gronden en dat hiervoor gronden ten noorden van de rondweg van Hurdegaryp beschikbaar zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders geen zwaarder gewicht hebben mogen toekennen aan de belangen die met de realisering van het tracébesluit zijn gemoeid - in dit specifieke geval de compensatie van groen - dan aan het belang van [appellant sub 4] om gebruik te kunnen blijven maken van 1 ha en 64 ca aan gronden en zo gevrijwaard te blijven van schade als gevolg van het tracébesluit.

    Het betoog faalt.

Deskundigheid Kloosterboer

26.    [appellant sub 4] heeft ter zitting gesteld dat Kloosterboer geen juridisch deskundige is, maar dat de Kloosterboer-notitie wel vergaande juridische conclusies bevat. In zoverre mocht de staatssecretaris zich niet baseren op de Kloosterboer-notitie.

26.1.    De staatssecretaris stelt dat hij zich wat betreft de juridische aspecten niet heeft gebaseerd op de Kloosterboer-notitie, maar dat hij daarover zijn eigen oordeel heeft gevormd.

26.2.    De Afdeling stelt vast dat het voor de vraag of de staatssecretaris heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak niet relevant is of Kloosterboer al dan niet juridisch deskundig is.     

Conclusie

27.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen naar aanleiding van de brief van 12 juni 2019, het RHO-rapport en de Kloosterboer-notitie, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 november 2017 in stand blijven, behalve voor zover uit het besluit van 7 juni 2019 andere rechtsgevolgen voortvloeien.

28.    De staatssecretaris dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij ziet de Afdeling aanleiding de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te behandelen als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ter zitting van 29 november 2018 zijn bijgestaan door dezelfde rechtsbijstandsverlener en dat de door deze rechtsbijstandsverlener namens hen ingediende beroepsschriften en zienswijzen nagenoeg identiek zijn. Gelet hierop worden de beroepen wat betreft de vergoeding van kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd en zal deze vergoeding naar rato worden toegekend.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van , [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] en anderen tegen het besluit van 16 november 2017 van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vaststelling van het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden gegrond;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] en anderen  tegen het besluit van 7 juni 2019 tot wijziging van het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden ongegrond;

III.    vernietigt het besluit van 16 november 2017 van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vaststelling van het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden ;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behalve voor zover uit het besluit van 7 juni 2019 andere rechtsgevolgen voortvloeien;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 640,00 (zegge: zeshonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor [appellant sub 1];

b. € 640,00 (zegge: zeshonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor [appellante sub 3] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. € 1792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor [appellant sub 4] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. € 333,00 (zegge: driehonderddertig euro) voor [appellante sub 3], en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 4] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier.

w.g. Helder    w.g. Heinen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019

632.