Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
201801166/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:5043, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een spoorbrug over het Van Starkenborghkanaal ZZ ten noordoosten van de bestaande spoorbrug in Zuidhorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/18 met annotatie van Meijden, D. van der
OGR-Updates.nl 2019-0038
Module Ruimtelijke ordening 2019/8139
JOM 2019/403
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8053
JGROND 2019/105 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801166/1/A1.

Datum uitspraak: 13 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend respectievelijk gevestigd te Noordhorn, gemeente Zuidhorn,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 december 2017 in zaak nr. 17/1368 in het geding tussen:

[appellante B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een spoorbrug over het Van Starkenborghkanaal ZZ ten noordoosten van de bestaande spoorbrug in Zuidhorn.

Bij besluit van 14 maart 2017 heeft het college het door [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2017 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2018, waar [appellant A] en [appellante B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.C. Dijkstra en A.M. Postma-de Roos, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Ter zitting is het hoger beroep, voor zover ingediend namens [appellant A], ingetrokken.

2.    Op 29 januari 2016 heeft [vergunninghouder] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een spoorbrug over het Van Starkenborghkanaal te Zuidhorn.

    Ter plaatse van het bouwplan gelden de bestemmingsplannen "Buitengebied Zuidhorn", "Spoorbrug Zuidhorn" en "Kernen Briltil en Zuidhorn". Het bouwplan is strijdig met de bestemmingen "Waarde-Archeologie 4" en Waterstaat-Waterkering" uit het bestemmingsplan "Spoorbrug Zuidhorn". Bij het besluit van 19 april 2016 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

    De spoorbrug is inmiddels gebouwd en bevindt zich op korte afstand van het bedrijfspand van [appellante B]. [appellante B] vreest onder meer voor geluidsoverlast en hinder als gevolg van de spoorbrug.

Landhoofden

3.    Tussen partijen is niet meer in geschil dat de landhoofden onderdeel uitmaken van de aanvraag om omgevingsvergunning en derhalve ook deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning. Voorts is tussen partijen niet meer in geschil dat de landhoofden geheel binnen de enkelbestemming "Verkeer - Railverkeer" van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen vallen.

4.    [appellante B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat het bouwplan wat betreft de landhoofden niet voldoet aan de in de bestemmingsplannen opgenomen bouwregels zoals die gelden voor de bestemming "Verkeer - Railverkeer". Volgens [appellante B] mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ingevolge het bestemmingsplan "Spoorbrug Zuidhorn" maximaal 6 m en ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" maximaal 10 m hoog zijn. De landhoofden zijn hoger dan de toegestane maximale bouwhoogten, aldus [appellante B].

4.1.    Artikel 6.2 van het bestemmingsplan "Spoorbrug Zuidhorn" luidt:

"[…]

Een bouwwerk dat niet kan worden aangemerkt als een gebouw, overkapping of erf- en terreinafscheiding:

c. mag alleen in de vorm van een brug ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;

d. heeft in de vorm van een brug een maximale bouwhoogte, zoals ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

e. heeft in overige gevallen een maximale bouwhoogte van 6,00 m."

Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’ is een hoogte van 45 m aangegeven.

    Artikel 22.2 van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" luidt:

"Op de voor ‘Verkeer - Railverkeer’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarvoor geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 10 m mag bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte ter plaatse van een brug niet meer dan 45 m mag bedragen."

4.2.    [appellante B] voert terecht aan dat de rechtbank niet is ingegaan op haar grond dat het bouwplan wat betreft de hoogte van de landhoofden in strijd is met de in artikel 6.2 van het bestemmingsplan "Spoorbrug Zuidhorn" en artikel 22.2 van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" opgenomen maximale bouwhoogten. Dit leidt er echter niet toe dat de aangevallen uitspraak om die reden moet worden vernietigd. Naar het oordeel van de Afdeling maken de landhoofden, als eindsteunpunten van de brug, deel uit van de brug waarvoor ingevolge beide bestemmingsplannen een maximum bouwhoogte van 45 m geldt. Niet in geschil is dat de hoogte van de landhoofden ruimschoots binnen deze maximum bouwhoogte blijft, zodat zich in zoverre geen strijd met de bestemmingsplannen voordoet.

    Het betoog faalt.

Taluds

5.    [appellante B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de taluds geen onderdeel uitmaken van de aanvraag en de omgevingsvergunning. Volgens [appellante B] maken de taluds integraal en onlosmakelijk onderdeel uit van de spoorbrug en kan de brug zonder de taluds niet worden aangesloten op het lager gelegen bestaande spoorwegennet. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de door haar tegen de taluds aangevoerde beroepsgronden onbesproken gelaten, aldus [appellante B].

5.1.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan […] is bepaald;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]"

    Artikel 2.7, eerste lid, luidt:

"Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. […]"

    Artikel 6.1, aanhef en onder a en j, van het bestemmingsplan "Spoorbrug Zuidhorn" luidt:

"De voor ‘Verkeer - Railverkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor spoorwegvoorzieningen, met daarbij behorende taluds."

    Artikel 3.1, aanhef en onder c en k, luidt:

"De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen, met de daarbij behorende taluds."

    Artikel 22.1 van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" luidt:

"De voor ‘Verkeer - Railverkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het vervoer over het spoor, met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, en voorzieningen, zoals bermen en bermsloten, taluds, ongelijkvloerse kruisingen, faunapassages en groenvoorzieningen."

5.2.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de taluds geen onderdeel uitmaken van de aanvraag en de omgevingsvergunning. In dat verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de aanvraag en uit de ruimtelijke onderbouwing niet kan worden opgemaakt dat de aanvraag mede betrekking heeft op de taluds. De taluds maken naar het oordeel van de Afdeling ook geen onlosmakelijk onderdeel uit van de spoorbrug als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo, reeds omdat voor de aanleg van de taluds geen omgevingsvergunning is vereist. De Afdeling overweegt hiertoe dat de taluds niet als vergunningplichtig bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kunnen worden aangemerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7117), is het begrip bouwwerk in de Wabo niet omschreven, maar kan voor de uitleg van dat begrip aansluiting worden gezocht bij de omschrijving van het begrip "bouwwerk" in de modelbouwverordening. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". Naar het oordeel van de Afdeling bevatten de taluds zélf geen constructieve elementen en zijn deze ook niet constructief verbonden met de spoorbrug en de damwanden, zodat de taluds niet als bouwwerk kunnen worden aangemerkt. Evenmin is voor de aanleg van de taluds een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, omdat de ingevolge de bestemmingsplannen "Spoorbrug Zuidhorn" en "Buitengebied Zuidhorn" voor ‘Verkeer - Railverkeer’ aangewezen gronden taluds bij spoorwegvoorzieningen toestaan en deze bestemmingsplannen niet voorzien in een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden. Voor zover het uiteinde van het talud op gronden is gesitueerd die ingevolge het  bestemmingsplan "Spoorbrug Zuidhorn" de enkelbestemming "Groen" hebben, overweegt de Afdeling dat daarvoor ook geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist. Het college heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat het talud daar tweeledig is, waarbij het uiteinde van dat talud bij de lager gelegen waterpartij behoort. Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 van het bestemmingsplan is een talud behorend bij een waterpartij passend binnen de bestemming "Groen".

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019

270-842.