Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
04-12-2019
Zaaknummer
201906608/1/A1 en 201906608/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van het perceel [locatie] te Helden als camperplaats. [partij] wil 9 camperplaatsen op het perceel realiseren. De Maatschap en anderen zijn het niet eens met die plannen. Zij hebben een paardenhouderij op het naastgelegen perceel. Zij vrezen voor de gevolgen die de camperplaatsen zullen hebben voor haar paarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0193
AB 2020/110 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906608/1/A1 en 201906608/2/A1.

Datum uitspraak: 27 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [paardenhouderij] en anderen, gevestigd dan wel wonend te Helden, gemeente Peel en Maas, (hierna: de Maatschap en anderen) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2019 in zaak nr. 18/1672 in het geding tussen:

[partij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2017 heeft het college aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van het perceel [locatie] te Helden als camperplaats.

Bij besluit van 9 juli 2018 heeft het college het door de Maatschap en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten opnieuw op de aanvraag te gaan beslissen.

Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college alsnog de omgevingsvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 16 juli 2019 heeft de rechtbank de door [partij] tegen de besluiten van 9 juli 2018 en 25 september 2018 ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2018 vernietigd voor zover daarbij is nagelaten een nieuw besluit te nemen op de aanvraag en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. De rechtbank heeft voorts het besluit van 25 september 2018 vernietigd en het college opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak bekend te maken dat de omgevingsvergunning van rechtswege aan [partij] is verleend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De Maatschap en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Maatschap en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 november 2019, waar de Maatschap en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], en [gemachtigde C], bijgestaan door mr. [gemachtigde D], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.C.W. Meurs en J.M. Vestjens, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, gehoord.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    [partij] wil 9 camperplaatsen op het perceel realiseren. De Maatschap en anderen zijn het niet eens met die plannen. Zij hebben een paardenhouderij op het naastgelegen perceel. Zij vrezen voor de gevolgen die de camperplaatsen zullen hebben voor haar paarden.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet meer bevoegd was om bij besluit van 25 september 2018 alsnog de omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het besluit van 9 juli 2018 in strijd is met artikel 7:11 van de Awb omdat het college heeft volstaan met de gegrondverklaring van het bezwaar en herroepping van het besluit op de aanvraag. Het college had naar het oordeel van de rechtbank bij dat besluit ook nogmaals op de aanvraag moeten beslissen. Omdat het college dit niet binnen 10 weken na bekendmaking van het besluit van 9 juli 2018 heeft gedaan, is volgens de rechtbank een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan. De rechtbank heeft het college opgedragen om die omgevingsvergunning binnen 2 weken openbaar te maken. De rechtbank heeft verder het college veroordeeld tot vergoeding van onder meer de kosten van het brandveiligheidsonderzoek door BK bouw- en milieuadvies. Volgens de rechtbank volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Weliswaar kan daar volgens vaste jurisprudentie onder bepaalde omstandigheden een uitzondering op worden gemaakt maar een dergelijke uitzondering doet zich volgens de rechtbank niet voor. Dit omdat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat de beroepsgrond over het brandgevaar, in welk kader het rapport is uitgebracht, niet kan slagen.

Ingestelde rechtsmiddelen

4.    Het college is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Volgens het college is er geen omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan en is het college ten onrechte veroordeeld in vergoeding van de deskundigenkosten. Het college heeft echter wel conform de opdracht van de rechtbank een omgevingsvergunning van rechtswege bekend gemaakt. Het college heeft niet verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen. Omdat [partij] te kennen heeft gegeven dat hij per 1 april 2020 gasten wil gaan ontvangen op zijn perceel hebben de Maatschap en anderen een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Zij willen voorkomen dat [partij] gebruik kan maken van de omgevingsvergunning van rechtswege en alvast begint met het realiseren van de camperplaatsen voordat onherroepelijk is beslist op de aanvraag. Ter zitting is besproken dat het verzoek aldus kan worden opgevat dat het is gericht op schorsing van de aangevallen uitspraak.

Hoger beroep

5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een vergunning van rechtswege is ontstaan. Dat het besluit van 9 juli 2018 in strijd met artikel 7:11 van de Awb is genomen, maakt niet dat er een vergunning van rechtswege zou kunnen ontstaan. Volgens het college is het nieuw te nemen besluit niet een primair besluit maar een onderdeel van het onvolledige besluit op bezwaar.

5.1.    Op de aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Dat is geregeld in paragraaf 3.2 van de Wabo. Ingevolge artikel 3.9 van de Wabo is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat een vergunning van rechtswege ontstaat, indien het college niet tijdig op de aanvraag beslist.

5.2.    Het college heeft bij besluit van 29 december 2017 tijdig op de aanvraag beslist, zodat in zoverre geen sprake kan zijn van een vergunning van rechtswege. Het college heeft dat besluit in het besluit op bezwaar herroepen. Het college heeft alleen nagelaten om in het besluit op bezwaar van 9 juli 2018 nogmaals een beslissing te nemen op de aanvraag. Het besluit van 9 juli 2018 is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in strijd met artikel 7:11 van de Awb genomen, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het gevolg daarvan echter niet dat er een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan indien het college niet binnen de termijn genoemd in artikel 3.9 beslist. Op het nemen van een besluit op bezwaar zijn immers de bepalingen uit Hoofdstuk 7 van de Awb van toepassing en niet die van de Wabo. Dit is zelfs het geval als het college in een geval zoals hier aan de orde, in bezwaar opnieuw op een aanvraag moet beslissen nadat het tijdig een primair besluit op de aanvraag heeft genomen. Het bestuursorgaan dient binnen de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gestelde termijn op het bezwaar te beslissen. Overschrijding van die termijn betekent niet dat een vergunning van rechtswege is ontstaan maar dat er rechtsmiddelen kunnen worden aangewend om het verkrijgen van een besluit te bespoedigen. In hoofdstuk 7 van de Awb is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Bovendien kan uit de tekst van artikel 3.9 van de Wabo en paragraaf 4.1.3.3 van de Awb alsmede uit de daarbij behorende memorie van toelichting niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd het stelsel van vergunning van rechtswege ook van toepassing te achten in de situatie dat het bestuursorgaan, na het nemen van een tijdig besluit op de aanvraag, een besluit dient te nemen op het tegen dat tijdig genomen primaire besluit gemaakte bezwaar.

Het betoog slaagt.

6.    Het college betoogt voorts dat het college ten onrechte is veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het brandveiligheidsonderzoek door BK bouw- en milieuadvies (hierna: BK). Volgens het college is het uitgebrachte rapport niet relevant voor de vraag die heeft bijgedragen aan een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag.

6.1.    In de uitspraak van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:945 heeft de Afdeling een uitzondering gemaakt, die zich in het bijzonder voordoet in zaken in het omgevingsrecht, op de hoofdregel dat voor vergoeding van de kosten voor een deskundigenrapport niet is vereist dat het rapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke toetsing. De uitzondering geldt bijvoorbeeld ook in het geval het bestreden besluit vanwege een ambtshalve te toetsen aspect, dat niet samenhangt met het onderwerp waarover een deskundigenrapport is opgesteld, wordt vernietigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de uitzondering hier van toepassing. In dit geval betekent dit dat anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd er geen aanleiding bestaat om de kosten te vergoeden indien het besluit alleen wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb wordt vernietigd.

Conclusie

7.    Gelet op overweging 5.2 is er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen vergunning van rechtswege ontstaan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college niet bevoegd was om het besluit van 25 september 2018 te nemen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. De rechtbank had aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moeten beoordelen of het college in redelijkheid de omgevingsvergunning bij besluiten van 9 juli 2018 en 25 september 2018 heeft geweigerd.

De voorzieningenrechter zal, mede gelet op het feit dat de rechtbank nog niet eerder een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de door [partij] aangevoerde gronden en de ter zitting ingenomen standpunten, de zaak naar de rechtbank terugverwijzen om dit alsnog te doen. In dat kader zal de rechtbank ook moeten beoordelen of er aanleiding bestaat om het college in de vergoeding van de kosten voor het onderzoek van BK te veroordelen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019 is voor beantwoording van die vraag van belang of het rapport verband houdt met een beroepsgrond die aanleiding is voor de proceskostenveroordeling.

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

9.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2019 in zaak nr. 18/1672;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. De Koning

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019

712.