Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3925

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
201904655/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft de raad beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/3 met annotatie van P.J. Stolk
JB 2020/10
JOM 2020/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904655/1/A3.

Datum uitspraak: 20 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van bestuur van het Erasmus MC,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft de raad beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 12 september 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:548, heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van de raad van 12 september 2016, kenmerk RvB 366972/16.42.02-04, vernietigd en bepaald dat tegen het door de raad te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 4 juni 2019 heeft de raad het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Groot, mr. M.A. Voskamp en dr. J.M. Fentener van Vlissingen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 8 februari 2016 heeft [appellant] de raad verzocht om openbaarmaking van documenten die gaan over of betrekking hebben op veterinaire dossiers van apen bij het Erasmus Medisch Centrum vanaf 2011 tot en met de datum van het Wob-verzoek.

De besluiten van 12 mei 2016 en 12 september 2016

2.    In het besluit van 12 mei 2016 heeft de raad zich ten aanzien van de veterinaire status van apen op het standpunt gesteld dat er in de genoemde periode geen statussen met veterinaire incidenten over de gezondheid van apen zijn opgemaakt zodat het verzoek niet kan worden gehonoreerd. De raad heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij het volgende redengevend geacht. Voor zover veterinaire statussen worden geopend in het kader van diergeneeskundig handelen, is die informatie vertrouwelijk gelet op hoofdstuk 1 van de Code voor de Dierenarts. Dit betekent dat deze informatie niet openbaar kan worden gemaakt. Verder kan niet worden gevergd dat alle informatie over apen wordt geprint en vervolgens weer weggelakt waardoor er feitelijk niets meer overblijft dan de informatie waarover [appellant] al beschikt. In dat kader wijst de raad op artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob.

3.    De raad heeft in een brief van 14 december 2017 vervolgens toegelicht hoe hij uitvoering geeft aan artikel 9, eerste lid, van de Dierproevenregeling 2014 en op welke wijze hij aantekening houdt van de daar genoemde gegevens. De gegevens die [appellant] heeft gevraagd liggen besloten in de gegevens die jaarlijks in een tabel aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit worden verstrekt en die al aan [appellant] is verstrekt.

Uitspraak Afdeling 20 februari 2019

4.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 februari 2019 geoordeeld dat het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 mei 2016 geen adequate reactie is op het verzoek van [appellant], omdat dat betrekking heeft op tot afzonderlijke apen herleidbare gegevens en de raad aangeeft dat gegevens per aap worden geregistreerd, maar aan [appellant] alleen één tabel ter beschikking is gesteld. Indien de aard en de omvang van het verzoek niet duidelijk was voor de raad, lag het op zijn weg om contact op te nemen met [appellant] en hem te vragen het verzoek te preciseren, gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, van de Wob, aldus de Afdeling.

    De Afdeling heeft de aangevallen uitspraak vernietigd en de bij de rechtbank aangevoerde gronden behandeld. De Afdeling heeft geoordeeld dat [appellant] terecht betoogt dat de raad zich niet op de vertrouwelijkheid van de gegevens op grond van de Code voor de Dierenarts kan beroepen, reeds omdat de Code voor de Dierenarts geen wet in formele zin is en de Wob dus niet opzij kan zetten.

    Gelet hierop heeft de Afdeling het beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 september 2016 vernietigd en bepaald dat de raad opnieuw op het bezwaar van [appellant] moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat, omdat de raad de omvang van het verzoek niet goed heeft beoordeeld, dit feitelijk betekent dat de raad opnieuw op het Wob-verzoek van [appellant] moet beslissen. Indien de aard en de omvang van het verzoek hem nog altijd niet geheel duidelijk is, dient hij hierover contact op te nemen met [appellant]. Vervolgens dient de raad met inachtneming van het in artikel 10 en 11 van de Wob bepaalde te beoordelen of de onder het verzoek vallende informatie openbaar kan worden gemaakt, aldus de Afdeling.

Het nieuwe besluit op bezwaar van 4 juni 2019

5.    Bij het nieuwe besluit op bezwaar heeft de raad het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard. De raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de gevraagde gegevens veterinaire gegevens zijn die door wetenschappelijk onderzoek zijn verkregen en die, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321, geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid.

Beroep

6.    [appellant] betoogt dat de raad in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door eerst in het nieuwe besluit op bezwaar zich erop te beroepen dat zijn Wob-verzoek geen betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid.

6.1.    De Afdeling begrijpt het betoog aldus dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat de raad niet een geheel andere grondslag aan het nieuwe besluit op bezwaar mocht leggen, omdat de raad gehouden was uitvoering te geven aan de uitspraak van de Afdeling.

    De Afdeling stelt voorop dat het in dit geval gaat om een nader besluit op bezwaar na vernietiging door de Afdeling van het eerdere besluit. De bezwaarprocedure strekt op zich tot een volledige heroverweging door het bestuursorgaan van een eerder genomen besluit. In dit geval is het resultaat van die heroverweging dat de raad een geheel nieuwe grondslag heeft opgevoerd. De raad was er als gevolg van de uitspraak van de Afdeling evenwel toe gehouden na een eventuele nadere vaststelling van de omvang van het verzoek opnieuw te beslissen op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Dit betekent dat de raad gehouden was de mogelijkheid van inwilliging van het Wob-verzoek te beoordelen aan de hand van de artikelen 10 en 11 van de Wob, alsmede dat de Afdeling daar bij haar toetsing van het nieuwe besluit op bezwaar aan gebonden is. De raad heeft zich, zoals hij ter zitting van de Afdeling heeft erkend, niet aan deze opdracht gehouden en is hiermee buiten het beoordelingskader getreden. Niet is gebleken dat dit samenhing met het nader vaststellen van de omvang van het verzoek van [appellant]. De omstandigheid dat de raad op basis van aanvankelijk bij hem nog niet bekende jurisprudentie in een soortgelijke zaak aanleiding zag om een nieuwe grondslag aan het besluit op bezwaar te leggen, wat er verder van die grondslag ook zij, biedt geen rechtvaardiging om zich niet aan de opdracht te houden.

    Het betoog slaagt.

7.    Het beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het besluit van 4 juni 2019 dient te worden vernietigd. De raad dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

8.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van bestuur van het Erasmus MC van 4 juni 2019, kenmerk 16.42.02/03/04;

III.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV.    veroordeelt de raad van bestuur van het Erasmus MC tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van bestuur van het Erasmus MC aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Soffner

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2019

818.