Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
201809920/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809920/1/R2.

Datum uitspraak: 13 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Harmelen, gemeente Woerden,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2019, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. de Rijke en ing. M.S.M. van Kats, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende]ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een woning aan de [locatie 1] te Harmelen, gemeente Woerden. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2] dat is gesitueerd naast de voorziene woning.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een plan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het plan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inspraak en overleg

3.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat er ten onrechte geen inspraak en overleg heeft plaatsgevonden voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Zij stellen dat inspraak en overleg mogelijk tot een voor hun aanvaardbare ontwerpbestemmingsplan had kunnen leiden.

3.1.    Het bieden van inspraak en overleg voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak en overleg in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet.

Vorige plan

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het bouwplan niet binnen de uitgangspunten van het voorheen geldende bestemmingsplan valt omdat dat niet voorzag in een woning op deze locatie. Zij stellen dat zij er daarom op mochten vertrouwen dat een woning niet mogelijk zou worden gemaakt.

4.1.    Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het bouwplan niet binnen de uitgangspunten van het voorheen geldende bestemmingsplan past is juist, maar dat is ook aanleiding geweest om een nieuw plan vast te stellen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De enkele omstandigheid dat de bouwmogelijkheden in het voorliggende plan afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan, geeft dan ook op zichzelf geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet.

Woningbehoefte

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat er geen behoefte is aan de met het plan voorziene woning die gelet op de omvang en situering ervan een woning voor de vrije sector betreft. Zij voeren daartoe aan dat uitsluitend behoefte bestaat aan goedkope woningen in de sociale sector.

5.1.    De Woonvisie Woerden is uitgewerkt in een deelvisie voor Harmelen (hierna: de woonvisie). Deze woonvisie gaat uit van een woningbehoefte van 400 woningen tot en met 2028. In de woningbouwplanning is een fasering opgenomen dat gemiddeld ongeveer 40 woningen per jaar in verschillende typen en prijsklassen worden opgeleverd in Harmelen. In de woonvisie staat dat alle inwoners in Woerden goed moeten kunnen wonen in een door hen gewenste, betaalbare en geschikte woning en dat er belangstelling is voor alle woningtypen ook voor vrijstaande woningen. Op de grotere locaties worden verschillende soorten woningen in verschillende prijsklassen gebouwd. In Harmelen zijn naast een nieuwe woonlocatie Hof van Harmelen ongeveer 40 woningen voorzien op inbreidingslocaties, aldus de woonvisie. De met het plan mogelijk gemaakte vrijstaande woning zal gelet op de omvang en situering ervan gaan behoren tot het duurdere segment in de vrije sector. De woning zal overeenkomstig de woonvisie worden gerealiseerd op een inbreidingslocatie. Gelet ook op de uitgangspunten in de woonvisie heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de in het plan voorziene woning behoefte bestaat. Het betoog faalt.

Structuurvisie

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Woerden 2009-2030 (hierna: de structuurvisie) omdat niet aan het uitgangspunt wordt voldaan dat een ruimtelijke ontwikkeling zuinig en zorgvuldig moet plaatsvinden.

6.1.    In de structuurvisie zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen verschillende opgaven geformuleerd. Daarin staat dat wordt voorzien in de behoefte aan woonlocaties, maar ook dat zuinig en zorgvuldig wordt omgegaan met de ruimte. Er is behoefte aan de voorziene woning. De woning wordt gerealiseerd op een inbreidingslocatie in een dichtbebouwde bestaande woonwijk. Het bouwvolume zal weliswaar toenemen ten opzichte van de bestaande situatie, maar op grond van het voorgaande plan was bebouwing, niet zijnde een woning, op deze locatie ook mogelijk. De Afdeling ziet daarom in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in overeenstemming met de structuurvisie is vastgesteld. Het betoog faalt.

Massaal

7.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de voorziene woning qua hoogte en volume te massaal wordt en daarom ook gelet op de in acht te nemen afstand tot hun woning niet passend is in de omgeving.

7.1.    Op grond van de planregels bedraagt de goothoogte van de voorziene woning maximaal 6 m, de nokhoogte maximaal 8 m en mag de dakhelling van de woning niet meer dan 30° bedragen. De woning zal uit 2 bouwlagen bestaan. De woning van [appellant A] en [appellant B] heeft een hoogte van ongeveer 6 m en bestaat uit 1 bouwlaag. In de omgeving met lintbebouwing komen rijtjeswoningen, vrijstaande woningen en twee-onder een kap woningen voor met zowel 1 als 2 bouwlagen, en daarbij behorende bouwhoogten, verschillende bouwvolumes en afstanden. In de directe omgeving aan de Tiendweg en de naastgelegen Joncheerelaan staan ook woningen met 2 bouwlagen. De afstand tussen de woning van [appellant A] en [appellant B] en de voorziene woning bedraagt 10 tot 15 m. Dergelijke afstanden komen in de omgeving voor. Gelet hierop heeft de raad de met het plan mogelijk gemaakte woning in redelijkheid passend in de omgeving kunnen achten. Het betoog faalt.

Goed woon- en leefklimaat

8.    [appellant A] en [appellant B] vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren in dit verband aan dat het plan leidt tot een vermindering van hun privacy omdat vanuit de nieuwe woning zicht ontstaat op hun tuin en woning. Zij stellen dat dit niet gebruikelijk is bij een vrijstaande woning. Tevens voeren zij aan dat het plan leidt tot een vermindering van daglicht in hun woning, schaduw en een verlies aan uitzicht, ook vanwege de situering van de voorgevel van de nieuwe woning.

8.1.    De Afdeling ziet geen aanleiding om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare vermindering van daglichttoetreding en schaduwwerking. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de nieuwe woning aan de noordwestkant van de woning van [appellant A] en [appellant B] is gesitueerd. Ter zitting is onweersproken gesteld dat er gelet op de situering van de woning van [appellant A] en [appellant B] ten opzichte van de nieuwe woning en de afstand van 10 tot 15 m tussen deze woningen alleen gedurende een beperkt deel van het jaar sprake is van schaduwwerking in een kleine punt van de tuin en in de garage, die zijn gesitueerd aan de achterzijde van de woning. Hoewel niet is uitgesloten dat het plan zal leiden tot enig verlies aan uitzicht in de richting van de nieuwe woning, enige gevolgen zal hebben voor de privacy van [appellant A] en [appellant B] en hun beleving van de omgeving zal veranderen, is de Afdeling van oordeel dat de raad ook deze gevolgen in het licht van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking de afstand tussen de woningen en dat er in de huidige situatie ook geen sprake is van vrij uitzicht in de richting van de nieuwe woning, omdat daarachter de woning [locatie 3] is gesitueerd. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B]. Het betoog faalt.

Waarde woning

9.    Met betrekking tot het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het plan een nadelige invloed op de waarde van hun woning heeft, overweegt de Afdeling dat er geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het beroep is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019

224.