Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:384

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
201808475/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:12582, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808475/1/V3.

Datum uitspraak: 7 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 oktober 2018 in zaak nr. NL18.17733 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 19 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat hij de opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling terecht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet in behandeling heeft genomen, nadat hij een eerdere asielaanvraag krachtens artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet in behandeling had genomen.

1.1.    De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 25 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3504, reeds beantwoord. Uit die uitspraak volgt dat de klacht terecht is voorgedragen. De rechtbank heeft niet onderkend dat er door de onterechte toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb een gebrek kleeft aan het besluit van 27 september 2018.

1.2.    De Afdeling is echter van oordeel dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling door dit gebrek is benadeeld en ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De vreemdeling heeft geen belangen gesteld die volgens hem door het gebrek zijn geschaad. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet alleen in het besluit van 27 september 2018 toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, maar is hij in het besluit van 27 september 2018 ook ingegaan op het betoog van de vreemdeling dat hij voor Italië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris heeft daarmee feitelijk de beoordeling gemaakt die nodig is om de asielaanvraag krachtens artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling te nemen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank vanwege het hiervoor genoemde gebrek te vernietigen.

2.    Wat de vreemdeling in zijn overige grieven aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Hent    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019

373-848.