Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3833

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
201904448/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2017 heeft het college aan Amrâth Hotels & Restaurants B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een gebouw met daarin een hotel, 316 appartementen en een ondergrondse parkeergarage aan de Croeselaan en de Jaarbeursboulevard in Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2639
Module Ruimtelijke ordening 2019/8265
Milieurecht Totaal 2019/7057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904448/1/A1.

Datum uitspraak: 13 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht en vereniging De Klimaatpartij, beide gevestigd te Utrecht (hierna: SSLU en De Klimaatpartij),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2019 in zaak nr. 19/452 in het geding tussen:

SSLU en De Klimaatpartij

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2017 heeft het college aan Amrâth Hotels & Restaurants B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een gebouw met daarin een hotel, 316 appartementen en een ondergrondse parkeergarage aan de Croeselaan en de Jaarbeursboulevard in Utrecht.

Bij besluit van 8 januari 2019 heeft het college het door SSLU en De Klimaatpartij daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2019 heeft de rechtbank het door SSLU en De Klimaatpartij daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2019 - voor zover hier van belang - vernietigd, het bezwaar van SSLU en De Klimaatpartij tegen het besluit van 21 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben SSLU en De Klimaatpartij hoger beroep ingesteld.

Het college en Amrâth hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

SSLU en De Klimaatpartij hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2019, waar SSLU en De Klimaatpartij, vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, rechtsbijstandverlener te Utrecht, en door [gemachtigde A] en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Erdogan, zijn verschenen. Verder is Amrâth, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en door [gemachtigde B], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Amrâth heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van een gebouw met daarin een hotel, 316 appartementen en een ondergrondse parkeergarage aan de Croeselaan en de Jaarbeursboulevard in Utrecht. Dit gebouw staat ook bekend als de Galaxy Tower.

2.    Bij het besluit van 21 november 2017 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het betreft een vergunning voor de activiteiten 'bouwen' en 'afwijken van het bestemmingsplan'.

3.    SSLU en De Klimaatpartij kunnen zich niet met dit besluit verenigen, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit 'bouwen'.

4.    In de aangevallen uitspraak is het beroep van SSLU en De Klimaatpartij tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat SSLU en De Klimaatpartij geen belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.

    Volgens de rechtbank is SSLU geen belanghebbende omdat de belangen die zij volgens haar statuten beoogt te beschermen niet rechtstreeks worden geraakt door de vergunningverlening. Verder heeft de rechtbank overwogen dat feitelijke werkzaamheden van SSLU vóór het indienen van het bezwaarschrift (op 2 januari 2018) gedurende een periode van ongeveer een jaar ontbreken of gaan over het voeren of voorbereiden van procedures.

    De Klimaatpartij is geen belanghebbende omdat zij een politieke partij is, zo heeft de rechtbank geoordeeld.

Relevante regelgeving

5.    Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

    Artikel 1:2, eerste lid, luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Het derde lid luidt: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

Beoordeling van het hoger beroep

6.    SSLU en De Klimaatpartij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 27 november 2017. Daartoe stellen zij dat de belangen die de SSLU beoogt te beschermen rechtstreeks door de vergunningverlening worden geraakt en dat SSLU bovendien feitelijke werkzaamheden verricht ter bescherming van die belangen. Hierbij voeren zij aan dat de statutaire doelstelling van SSLU is gericht op het tegengaan van luchtverontreiniging. Het tegengaan van extra CO2-uitstoot - en daaraan gerelateerd het tegengaan van energieverspilling - valt hier volgens hen ook onder. Zij stellen daarom dat de belangen van SSLU rechtstreeks zijn betrokken bij een besluit dat de bouw mogelijk maakt van een gebouw dat niet aan de energieprestatie-eisen voldoet.

    Verder voeren zij aan dat De Klimaatpartij slechts één focuspunt heeft en dat dit focuspunt door haar in het bijzonder wordt behartigd als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Daarom stellen zij dat de rechtbank in dit geval ten onrechte de vaste jurisprudentielijn over de belanghebbendheid van algemene politieke partijen heeft toegepast. Dat De Klimaatpartij in haar statuten als politieke partij is omschreven, staat er daarom niet aan in de weg om haar als belanghebbende aan te merken, zo betogen zij.

7.    Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

     Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

Belanghebbendheid van SSLU

8.    Artikel 2, eerste lid, van de statuten van SSLU luidt als volgt: "De doelstelling van de stichting is:

- bestrijding van luchtverontreiniging in Utrecht en de regio Utrecht en het tegengaan van blootstelling aan verontreinigde lucht, die schadelijk is voor de gezondheid en het milieu."

    Artikel 2, tweede lid, van de statuten luidt:

"De stichting tracht haar doel te bereiken door:

- het geven van voorlichting, onderzoek en advies aan burgers, buurt- en wijkcomités, gemeentebesturen en politieke partijen teneinde gedragsverandering te bewerkstelligen en besluitvorming te beïnvloeden;

- rechtsmiddelen in te stellen (zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk) tegen besluiten, plannen en situaties in de stad en de regio Utrecht, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu in verband met verontreiniging van de lucht, waarbij onder meer het verkeer een belangrijke rol speelt."

8.1.    De doelstelling van SSLU, zoals die is geformuleerd in haar statuten, is als zodanig gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het gebied waarop het besluit van 21 november 2017 betrekking heeft, ligt binnen de territoriale begrenzing van de statutaire doelomschrijving. De vraag die partijen onder meer verdeeld houdt, is of de doelstelling van SSLU rechtstreeks door dit besluit wordt geraakt.

8.2.     Het besluit van 21 november 2017 maakt de bouw mogelijk van een gebouw met verschillende functies. Hiertegen heeft SSLU rechtsmiddelen aangewend omdat zij stelt dat het gebouw niet voldoet aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde regels voor energiezuinigheid. Dit betekent volgens SSLU dat meer energie nodig is voor bijvoorbeeld de verwarming van het gebouw. Bij de opwekking van de daarvoor benodigde energie komt CO2 vrij. Dit heeft in algemene zin negatieve effecten op de luchtkwaliteit en is dus ook nadelig voor de luchtkwaliteit in de regio Utrecht, zo stelt SSLU.

8.3.    Naar het oordeel van de Afdeling staan de door SSLU omschreven effecten in een te ver verwijderd verband van de doelstelling van de SSLU. De opwekking van energie kan in algemene zin weliswaar van invloed zijn op de luchtkwaliteit, maar dit is afhankelijk van de wijze van energieopwekking. Bovendien zullen mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit zich met name voordoen in de omgeving waar de energie wordt opgewekt. De opgewekte energie kan vervolgens op een andere locatie worden ingezet. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het energieverbruik in het gebouw rechtstreeks van invloed is op de luchtkwaliteit in de regio Utrecht. Dit betekent dat de door SSLU aangedragen belangen niet behoren tot de collectieve belangen die zij krachtens haar statuten in het bijzonder behartigt. De collectieve belangen van SSLU worden dan ook niet rechtstreeks geraakt door het besluit van 21 november 2017.

8.4.    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat SSLU geen belanghebbende is bij het besluit van 21 november 2017. Het betoog faalt.

Belanghebbendheid van De Klimaatpartij

9.    Artikel 1, derde lid, van de statuten van De Klimaatpartij luidt:

"De Klimaatpartij is een vereniging die zich sterk wil maken voor klimaat en milieu. Voor de Klimaatpartij staat het vast dat het daarvoor noodzakelijk is zich ook in te zetten voor een eerlijke verdeling van macht, kennis en welvaart en voor een samenleving waarin geen plaats is voor steeds meer economische groei, waarmee voornamelijk de belangen worden gediend van een kleine groep bevoorrechten waardoor de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt."

    Artikel 2, tweede lid, van de statuten luidt:

"De Klimaatpartij wil haar doelstellingen ook bereiken door deel te nemen aan plaatselijke, provinciale, landelijke en Europese verkiezingen om overheden er zoveel mogelijk van te weerhouden plannen vast te stellen en uit te voeren die het klimaat en het milieu schaden en de samenleving onrechtvaardiger maken en aan te zetten tot een mens-, klimaat- en- milieuvriendelijk beleid."

9.1.    Uit de hiervoor weergegeven passages blijkt dat De Klimaatpartij een politieke partij is. Tussen partijen is dit ook niet in geschil.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraken van 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9488, en 14 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1151) kan een politieke partij, in een geval waarin beroep openstaat voor belanghebbenden, niet opkomen ter bescherming van algemene en collectieve belangen, omdat zich daartegen de woorden "in het bijzonder" aan het slot van artikel 1:2, derde lid, van de Awb verzetten.

9.2.    Het betoog van De Klimaatpartij dat die jurisprudentielijn niet op haar van toepassing is omdat zij een zogenoemde 'one-issue-partij' is, slaagt niet. Daartoe is alleen al redengevend dat de onderwerpen klimaat, milieu en de daarbij volgens De Klimaatpartij noodzakelijke armoedebestrijding vanwege de veelomvattenheid van die onderwerpen niet kunnen worden aangemerkt als één focuspunt. Dat De Klimaatpartij zich met name voor de genoemde onderwerpen wil inzetten bij de behartiging van het algemeen belang, betekent daarom niet dat zij rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door een besluit dat zich daarmee niet zou verdragen.

9.3.    De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat De Klimaatpartij geen belanghebbende is bij het besluit van 21 november 2017.

    Het betoog faalt.

Conclusie en slotoverweging

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

w.g. Borman    w.g. Breunese-van Goor

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019

208.