Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
201808369/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5217, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het planten van een boomgaard op het perceel aan de Aalweg in Kwadendamme, kadastraal bekend gemeente Borsele, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2019/8274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808369/1/A1.

Datum uitspraak: 13 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Kwadendamme, gemeente Borsele

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2018 in zaken nrs. 17/5867 en 17/5869 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het planten van een boomgaard op het perceel aan de Aalweg in Kwadendamme, kadastraal bekend gemeente Borsele, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 juli 2017 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 21 december 2016 herroepen en de omgevingsvergunning ingetrokken.

Bij besluit van 30 januari 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden jegens [vergunninghouder] tegen de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden op de percelen, kadastraal bekend gemeente Borsele, sectie […], nummers […], […] en […] (hierna: de percelen […], […] en […]), afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen de onderscheiden besluiten van 12 juli 2017 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

[vergunninghouder] heeft een door hem als incidenteel hoger beroepschrift aangeduid stuk ingediend.

[appellant] heeft daartegen een zienswijze ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2019, waar [appellant A], [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.W. Slabbekoorn, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het planten van een boomgaard op het perceel. Bij het besluit op bezwaar heeft het college deze omgevingsvergunning ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat geen omgevingsvergunning nodig is omdat het bestemmingsplan in dit geval geen aanlegvergunningplicht kent. [appellant] exploiteert op het naastgelegen perceel [locatie] een kwekerij en stelt dat er wel een vergunningplicht geldt. [appellant] heeft het college verder verzocht handhavend op te treden tegen de aanleg van fruitboomgaarden op de percelen [...], [...] en [...] van [vergunninghouder] omdat hij vreest voor verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen over zijn perceel. Het college heeft geweigerd hiertegen handhavend op te treden omdat volgens hem geen omgevingsvergunning is vereist voor het planten van de boomgaarden. De rechtbank heeft overwogen dat geen omgevingsvergunning nodig is voor de aanleg van een fruitboomgaard door [vergunninghouder] en dat het college zich terecht niet bevoegd heeft geacht handhavend op te treden. [appellant] kan zich daarmee niet verenigen.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de op 30 mei 2018 door [appellant] aan de rechtbank gegeven reactie.

2.1.    Dat de rechtbank niet expliciet ingaat op de op 30 mei 2018 door [appellant] aan de rechtbank gestuurde reactie, betekent nog niet dat de rechtbank deze reactie niet heeft betrokken in de beoordeling van het beroep van [appellant]. Alleen al daarom faalt dit betoog.

Heeft [vergunninghouder] een omgevingsvergunning nodig voor de aanleg van de fruitboomgaard?

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen omgevingsvergunning nodig is voor de aanleg van een fruitboomgaard op het perceel [...] en dat het college terecht de verleende omgevingsvergunning heeft ingetrokken. Hij stelt dat binnen een zone van 50 m vanaf de percelen [...], [...] en [...] van [vergunninghouder] tot aan de bebouwing op zijn perceel gewassen worden bespoten. Hierdoor is volgens hem op grond van artikel 14 van het destijds geldende bestemmingsplan "Borsels Buiten" een omgevingsvergunning nodig voor de aanleg van de fruitboomgaard, omdat dit planvoorschrift voorschrijft dat een aanlegvergunning verplicht is indien binnen een zone van 50 m rondom woon- of verblijfsrecreatiegebieden fruitteeltbomen worden geplant. Volgens [appellant] heeft het college een onjuiste uitleg van het begrip ‘woon- en verblijfsrecreatiegebied’ als bedoeld in dit planvoorschrift gegeven. Verder stelt [appellant] dat het college een grondwettelijke verplichting heeft om de volksgezondheid en het eigendomsrecht te beschermen, zoals omschreven in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en het Europese Handvest.

3.1.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,"

Artikel 8, lid 1.1, van de planvoorschriften luidt:

"De op de plankaart voor "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" (AL) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven;

(…)"

Artikel 14 van de planvoorschriften luidt:

"Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in onderstaand schema met een "A" weergegeven gronden en/of werkzaamheden uit te voeren (…)."

In het schema waarnaar artikel 14 van de planvoorschriften verwijst, staat dat voor de bestemming "AL" een aanlegvergunning vereist is voor het planten van fruitteeltbomen op niet bestaande boomgaarden binnen een zone van 50 meter rondom woon- en verblijfsrecreatiegebieden.

3.2.    De Afdeling stelt voorop dat de aanvraag om omgevingsvergunning en het besluit daarop alleen ziet op het perceel [...]. Op dit perceel rustte ten tijde van belang de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde".

Gezien de hoger beroepsgronden heeft [appellant] niet zozeer problemen met het aanplanten van de fruitteeltbomen, maar met het bespuiten van deze gewassen met gewasbeschermingsmiddelen zonder het treffen van maatregelen ter voorkoming van het verwaaien van deze middelen naar zijn perceel. Deze vergunningzaak gaat echter niet over de vraag of [vergunninghouder] een spuitzone aan moet houden of anderszins maatregelen dient te treffen ter voorkoming van verwaaiing van de gewasbeschermingsmiddelen, maar over de vraag of het college terecht heeft geoordeeld dat er geen vergunningplicht geldt voor het aanplanten van de fruitteeltbomen. Hiervoor is artikel 14 van de planvoorschriften van belang en de uitleg van het daarin opgenomen begrip ‘woon- en verblijfsrecreatiegebieden’, omdat volgens dit planvoorschrift alleen dan een aanlegvergunning is vereist voor het aanplanten van de fruitteeltbomen indien de niet bestaande boomgaard binnen een zone van 50 m van een woon- en verblijfsrecreatiegebied is gelegen.

In de planvoorschriften staat geen definitie van het begrip woon- en verblijfsrecreatiegebieden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college onder die omstandigheden aansluiting heeft kunnen zoeken bij de omschrijving van het begrip ‘woon- of verblijfrecreatieve functies’ in de toelichting bij artikel 2.7 in de Verordening ruimte provincie Zeeland (hierna: de Verordening Ruimte). In deze toelichting staat onder meer:

"Met de begrippen woon- of verblijfsrecreatieve functies en woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden bedoeld woonwijken of -kernen inclusief landelijke bebouwingsconcentraties (zoals buurtschappen), woonparken etc. Ook zomerhuizenterreinen en kampeerterreinen vallen onder dit begrip. De regels zijn niet bedoeld voor het houden van afstand tot één of enkele woningen in het buitengebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval, vanuit het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en na weging van de betrokken belangen, een keuze moet worden bepaald."

3.3.    De Afdeling stelt vast dat zich binnen een straal van 50 m van het perceel [...] geen woning bevindt. Wel is op de plankaart op een afstand van 38 m van de perceelgrens, op het perceel van [appellant], een bouwblok ingetekend en is een bedrijfswoning toegestaan. Voorts staan op het perceel van [appellant] enkele schuren en een bedrijfsgebouw binnen 50 m van de grens van het perceel [...]. Gelet op de in de toelichting op de Verordening Ruimte gegeven uitleg van de begrippen woon- en verblijfsrecreatieve functies en woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat met het bedrijfsgebouw, de schuren en het aanwezige bouwblok voor een bedrijfswoning op het perceel van [appellant] geen sprake is van een woon- of verblijfsrecreatiegebied als bedoeld in artikel 14 van de planvoorschriften. Voor zover [appellant] erop wijst dat zich binnen een straal van 85 m gerekend vanaf het perceel [...] enkele woningen bevinden, maakt dat niet dat er alsnog sprake is van een woongebied, reeds omdat het om enkele verspreid liggende woningen gaat. Ook de omstandigheid dat in de toelichting op de Verordening Ruimte staat vermeld dat maatwerk moet worden geleverd met het houden van afstand indien het gaat om één of enkele woningen, maakt, anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, niet dat daarmee een andere uitleg aan het begrip woon- of verblijfsrecreatiegebied moet worden gegeven. Dat onderdeel van de toelichting gaat over de reikwijdte van artikel 2.7 van de Verordening Ruimte, dat hier niet aan de orde is, en niet over de uitleg van het begrip woon- of verblijfsrecreatiegebied.

Voor zover [appellant] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte in haar motivering heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO1631, wordt overwogen dat deze overweging niet dragend is voor de uitspraak van de rechtbank. Alleen al daarom kan wat [appellant] hierover aanvoert hem niet baten.

Wat [appellant] aanvoert over de bescherming van de volksgezondheid zoals omschreven in het EVRM en het Europese Handvest ziet op het feitelijk gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen. Het al dan niet gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen kan niet aan de orde komen in een zaak die enkel gaat over de vraag of al dan niet een omgevingsvergunning is vereist voor het aanplanten van een fruitboomgaard. Alleen al daarom komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van dit argument.

Concluderend heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voor het aanplanten van de fruitboomgaard op het perceel geen omgevingsvergunning is vereist.

Dat [appellant] terecht stelt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de fruitboomgaard zich op het perceel Oude Hoondertsedijk 3 bevindt, is geen reden voor een ander oordeel omdat de conclusie van de rechtbank wel juist is.

Het betoog faalt.

Mocht het college weigeren handhavend op te treden?

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn verzoek om handhavend op te treden jegens [vergunninghouder] ten onrechte heeft afgewezen omdat een omgevingsvergunning is vereist voor de aanleg van de fruitboomgaarden door [vergunninghouder].

4.1.    Zoals onder 3.3 is overwogen, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat voor de aanleg van fruitboomgaarden op het perceel [...] geen omgevingsvergunning is vereist. Op de percelen [...] en [...] rust eveneens de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde". De Afdeling stelt met betrekking tot deze percelen vast dat zich binnen een zone van 50 m geen woning bevindt en er ook geen woonbestemmingen aanwezig zijn. Ook voor deze beide percelen geldt derhalve dat binnen een zone van 50 m geen woon- of verblijfsrecreatiegebied als bedoeld in artikel 14 van de planvoorschriften is gelegen en daarom is ook voor die percelen geen omgevingsvergunning vereist voor de aanleg van een fruitboomgaard. Gelet op wat hiervoor staat heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat met betrekking tot de aangeplante fruitbomen op de percelen [...], [...] en [...] geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan en het college dan ook niet bevoegd is handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

Geen incidenteel hoger beroep

5.    In het door [vergunninghouder] als incidenteel hoger beroepschrift aangeduid stuk zijn geen gronden aangevoerd die zich richten tegen de rechtbankuitspraak, maar wordt uitsluitend gereageerd op het door [appellant] ingediende hoger beroep. Dit stuk is dus geen incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb, maar moet worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting. De Afdeling heeft het stuk als schriftelijke uiteenzetting betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep van het college (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2454).

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019

414-866.